Er zijn drie groepen regelmatige werkwoorden in het Frans:
1. Werkwoorden eindigend op -er (bijv. parler)
2. Werkwoorden eindigend op -re (bijv. vendre)
3. Werkwoorden eindigend op -ir (bijv. finir)
Le Présent (Tegenwoordige tijd)
De stam van het werkwoord + specifieke uitgangen:
-er werkwoorden (bijv. parler):
o Je parle
o Tu parles
o Il/elle/on parle
o Nous parlons
o Vous parlez
o Ils/elles parlent
-re werkwoorden (bijv. vendre):
o Je vends
o Tu vends
o Il/elle/on vend
o Nous vendons
o Vous vendez
o Ils/elles vendent
-ir werkwoorden (bijv. finir):
o Je finis
o Tu finis
o Il/elle/on finit
o Nous finissons
o Vous finissez
o Ils/elles finissent
Le Passé Composé (Voltooide tijd)
Altijd opgebouwd uit twee delen:
1. Een vorm van avoir of être (hulpwerkwoord).
2. Het voltooid deelwoord:
o -er werkwoorden → stam + -é (bijv. J’ai parlé)
o -re werkwoorden → stam + -u (bijv. J’ai vendu)
o -ir werkwoorden → stam + -i (bijv. J’ai fini)
Belangrijk: Zorg dat je de vervoegingen van de hulpwerkwoorden avoir
en être goed kent.
L’Imparfait (Onvoltooid Verleden Tijd)
Om de imparfait te maken:
1. Neem de nous-vorm van de présent.
2. Verwijder -ons.
3. Voeg de uitgangen van de imparfait toe:
o -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient
Voorbeelden:
finir:
o Je finissais