Psychologen:
• Bestuderen menselijk gedrag en de mentale processen die dat gedrag
beïnvloeden.
Gedrag:
• Waarneembare activiteiten
Gedragingen kunnen ook genetische basis hebben.
Gedragsbeïnvloeding:
• Lichamelijk
• Psychisch (zelfbeleving)
• Sociale (Invloed door mensen)
• Culturele en Spirituele (Geloof, afkomst)
• Fysische (natuurkundige)
• Geografische
De sociale en de culturele omgeving bepalen in grote mate welk gedrag kinderen wordt
aangeleerd.
Freuds psychoanalyse:
• Onbewuste krachten als driften de mens bepalen.
• Hij ziet de eerste zes jaar van het leven als bepalend voor iemands ontwikkeling.
• Vernieuwen van het gedachtengoed
• Stellingen:
o 1: De mens is een conflictwezen
o 2: de mens is een driftwezen
o 3: de mens is psychisch gedetermineerd. Het gedrag, de gedachten en
emoties van mensen grotendeels of volledig worden bepaald door
psychologische factoren.
Behavioristische psychologie (Watson):
• Richt zich alleen op gedrag en niet op het denken.
• In principe is elk gedrag aan en af te leren.
Humanistisch psychologie (Maslow):
• Ziet wel een zekere aanleg bij mensen, maar de omgeving zorgt voor vruchtbare
grond.
• Mensen hebben de behoefte om zichzelf te ontwikkelen.
Cognitief psychologie (Beck en Ellis):
• Richt zich niet alleen op gedrag, maar ook op innerlijke processen die het gedrag
beïnvloeden.
• Mensen gaan actief en betekenisvol met situaties om.
,Positieve psychologie:
• Is een nieuwe stroming die zich richt op het bestuderen en bevorderen van
welzijn en geluk.
Neuropsychologie:
• Heeft veel informatie gevonden over ons gedrag door direct te kijken naar wat er
in onze hersenen gebeurt.
Evolutionaire psychologie:
• Kan verklaringen geven hoe bepaald gedrag voortkomt uit gedrag dat lang geleden
in de evolutie is aangeleerd en in onze genen is opgeslagen.
,Hoofdstuk 2
Ieder mens heeft een eigen combinatie van kenmerkende eigenschappen die hem of
haar onderscheiden van anderen.
Een aantal van die kenmerkende eigenschappen blijken in verschillende situaties en
over een langere periode redelijk stabiel te zijn.
• De persoonlijkheid is de verzameling van duurzame eigenschappen die iemands
gedrag kenmerken. Iemands persoonlijkheid leidt je af uit diens gedrag.
The Big Five is nu de belangrijkste theorie over persoonlijkheid. De theorie is niet
bedacht door iemand, maar afgeleid uit het taalgebruik van heel veel mensen.
The Big Five:
• Extraversie
o Mate van gericht zijn op de buitenwereld
• Vriendelijkheid
o Gericht op belang van zichzelf of van de ander
• Zorgvuldigheid
o Mate van gedisciplineerd en georganiseerd zijn
• Emotionele stabiliteit
o Mate van stabiliteit en stressbestendigheid
• Openheid voor ervaringen
o Mate van vernieuwend of behoudend zijn
Socialisatie:
• Het overnemen en verinnerlijken van gedragsregels, waarden en normen die
binnen een bepaalde groep algemeen aanvaard zijn.
• Socialisatie vindt plaats door leerprocessen als imitatie en identificatie.
Chodorov:
• Laat zien wat de gevolgen kunnen zijn voor de verschillen in ontwikkeling van
jongens en meisjes als zij voornamelijk door een vrouw worden opgevoed.
Mentale stoornissen:
• Komen veel voor en kunnen ook van lange duur zijn.
Depressies:
• Veroorzaken meer ziekteverzuimdagen dan enige andere lichamelijke of mentale
stoornis.
, Persoonlijkheidsstoornissen
• Zijn meer aan de persoonlijkheid gekoppeld en moeilijker te veranderen.
• Biologische factoren: erfelijke factoren, verslaving, gevolgen van langdurig ziek
zijn.
• Psychische factoren: emotioneel niet stabiel zijn, minder goed omgaan met
problemen.
• Sociale invloeden: slechte jeugd, armoede, slecht onderwijs.
Carl Rogers:
• Is een belangrijke grondlegger van de humanistische psychologie.
• Hij heeft een grote invloed gehad op het ontwikkelen van therapievormen die
zelfontplooiing stimuleren.
Humanistisch psychologen
• Spreken over behoeften, zoals de aangeboren behoefte aan zelfactualisatie.
• Zij spreken niet over driften.
Behaviorisme:
• Beperken tot observeerbaar gedrag.
• De mens is bij geboorte een ‘onbeschreven blad’
- Gedrag is beïnvloedbaar (gedrag kun je zowel aan- als afleren)
- Conditioneren
Introvert:
• Zenuwstelsel actiever
• Alerter reageren op wat er gebeurt dan extraverten
• Minder snel afgeleid
• Beter concentreren
• Gevoeliger voor externe prikkels
Extravert:
• Zoekt de prikkels op
• Krijgen energie van interactie met anderen
• Contact maken en praten