1. Geit 2. Ik ben (zijn, ik vorm), 3. Geit 4. door de god bezeten. 1. ik woon 2. in (+dat, verwijst naar 6) 3. het (verwijst naar 6) 4.
de of het (verwijst naar 5, niet vertalen; naam)
5Δελφῶν 6χώρᾳ. 1Ἀεὶ 2δὲ 3ἐγὼ 4καὶ 5οἱ 6φίλοι 7μου 8σὺν
5. van Delphi (gen) 6. gebied (dat). 1. altijd 2. en 3. ik 4. en 5. de (niet vertalen, verwijst naar 6) 6. vrienden (mv) 7. mijn (1e
persoon ev gen, verwijst naar 6) 8. met (+dat, verwijst naar 10.)
9τῷ 10ποιμένι 11φορβὴν 12ζητοῦμεν 13ἐν 14τοῖς 15ὄρεσιν.
9. de (verwijst naar 10) 10. herder (dat) 11. voedsel 12. zoeken (inf) 13. in (+dat, verwijst naar 15) 14. de (verwijst naar 15) 15.
bergen (-σιν, znw dat mv)
1Ἐζητοῦμέν 2ποτε 3φορβὴν 4καὶ 5ἐξαίφνης 6εἴδομεν
1. we waren aan het zoeken (ipf, 1e persoon mv) 2. eens (bijw) 3. voedsel 4. en 5. plotseling (bijw) 6. wij zagen (1e persoon mv
vt, omdat thematische aor όράω)
7χάσμα 8γῆς. 1Καπνὸς 2δ᾽ 3ἐκ 4τοῦ 5χάσματος 6ἔρρει·
7. kloof 8. aarde (verwijst naar kloof) 1. rook .2. en of maar (niet vertalen) 3. uit (verwijst naar 5) 4. de (verwijst naar 5) 5. kloof
6. stroomde (ind prs 3e persoon ev)
7ἦν 8δὲ 9τὸ 10πνεῦμα 11τοῦ 12Ἀπόλλωνος. 1Ἡμεῖς
7. de (verwijst naar 10) 8. en of maar (niet vertalen) 9. het (znw) 10. adem (vb 3) 11. de of het (niet vertalen; naam) 12. van
Apollo (gen) 1. wij (persoonlijk.vnw mv nom)
2δὲ 3βραδέως 4εἰς 5τὸ 6χάσμα 7κατεβαίνομεν.
2. en of maar (niet vertalen) 3. langzaam (bijw) 4. naar beneden (+acc, verwijst naar 6) 5. de (verwijst naar 6) 6. kloof (acc ev)
7. gingen
1Εἰσεπνέομεν 2δὲ 3τὸν 4καπνὸν 5καὶ 6αὐτίκα
1. we ademden in (ipf, 1e persoon mv) 2. en of maar (niet vertalen) 3. de (verwijst naar 4) 4. rook (acc ev vb 2) 5. en 6. meteen
(bijw)
7ἐνθουσιαστικοὶ 8ἦμεν. 1Καὶ δὴ καὶ 2τὰ 3μέλλοντα
7. door de god bezeten 8. waren. 1. en vooral 2. de (verwijst naar 3) 3. toekomst (mv)
4εἴδομεν 5διὰ 6τὸ 7τοῦ 8θεοῦ 9πνεῦμα. 1Ἐγελῶμεν
4. wij zagen (1e persoon mv vt, omdat thematische aor όράω) 5. door toedoen van (+acc, verwijst naar 9) 6. de (verwijst naar
9) 7. de (verwijst naar 8) 8. god (gen ev) 9. adem (acc, vb 3). 1. we lachten (sigmatische aor, 1e persoon mv)
2καὶ 3ἐπὶ πολὺν χρόνον 4ἐνταῦθα 5ἐμένομεν.
2. en 3. lange tijd 4. daar (bijw) 5. bleven (ipf, 1e persoon mv)
1Ὁ 2δὲ 3ποιμὴν 4ἐζήτει 5ἡμᾶς 6καὶ 7ἐκάλει. 1Ἐπειδὴ