Tijdvak 3 monniken & ridders (ongv 500 tot 1000)
Het 3e tijdvak is de eerste helft van de middeleeuwen. Het laat zien hoe het met de erfenis van de
klassieke cultuur uit de oudheid verder gaat. De monniken zorgden voor het stand houden en verder
ontwikkelen van de christelijke en klassieke cultuur van de romeinen. De ridder staan voor de
Germaanse strijders die het politieke gezag in het romeinse gebied overnamen.
9 de kerstening van Europa
Toen de Germanen in West-Europa de leiding overnamen waren zij nog niet christelijk. Ze kregen de
leiding over een christelijk gebied waar men hoger ontwikkeld was. De christenen probeerden de
Germanen te bekeren. De Germanen zagen dat wel zitten, omdat ze zagen dat hun nieuwe
onderdanen verder ontwikkeld waren dan zijzelf.
Degene die zich bezighielden met het verspreiden van de christelijk-romeinse traditie, waren de
monniken. Zij wijdden hun hele leven aan het geloof. En leven zonder vrouw of kind in een klooster,
gescheiden van de samenleving.
Sommigen monniken trokken rond als missionaris, zij probeerde het christendom te prediken onder
de Germanen en dat lukte goed. In de loop van dit tijdvak werden alle Germaanse volken tot het
christendom bekeerd. Een belangrijke steunpilaar voor de monniken waren de Germaanse Franken.
Uit hen kwam Karel de Grote voort, die heeft rond 800 als christelijke keizer over een groot deel van
Europa geheerst.
De monniken, de christelijke priesters en de bisschoppen werden de intellectuele leiders van de
samenleving. Alleen zei beheersten de schrijfkunst en hadden daardoor controle over alle aanwezige
kennis. Daarom werden ze als stand verheven boven het gewone volk. Deze stand heette de
geestelijkheid.
10 de islam
Op het Arabische schiereiland ontstond in de 7 e eeuw een variant op monotheïstische traditie van de
joden en de christenen: de islam. Deze godsdienst werd gesticht door Mohamed die door moslims
wordt beschouwd als de laatste profeet in de reeks profeten die boodschappen van god hebben
doorgegeven aan de mensheid. Eerdere belangrijke profeten: Abraham (joods), Mozes (joods) en
jezus.
Christenen hadden volgens Mohamed een fout gemaakt. Door god op te splitsen in drie wezens: god
de vader, god de zoon en god de heilige. Mohamed meende dat hij het monotheïsme beter begreep
als er echt maat een god was, en niets of niemand anders die vereerd mocht worden. Hij verbood het
afbeelden van mensen en dieren, omdat uit de praktijk van het christendom was gebleken dat die
ook al gauw als heilig werden gezien. Omdat Mohamed de islam zag als een verbetering van de
joods-christelijke traditie nam hij een groot deel van de bijbel over in de koran.
De verspreiding van de islam vond plaats door het voeren van een heilige oorlog (jihad). Omdat in de
islam het politieke gezag niet gescheiden was van het geestelijke gezag, traden religieuze leiders ook
op als bestuurders en militaire aanvoerders. Zo ontstond een groot islamitisch-Arabisch Rijk. Het
strekte zich uit van Perzië tot en met het Iberisch schiereiland.
In de veroverde gebieden werden joden en christenen met respect behandeld. Andere gelovige
werden als ongelovige gezien en daarom minderwaardig tegen over moslims.
11 hofstelsel en horigheid
Door het wegvallen van de relatieve veiligheid en orde van het romeinse rijk en het verdeeld raken
van het land over lokale heersers, werd steeds moeilijker om lange afstanden te overbruggen. En
handel over lange afstanden was er daarom ook niet of nauwelijks. Zelfvoorzienende landgoederen
(hoven) die bestuurd werden door of namens feodale heren werden steeds belangrijker. Hierop
werkten boeren die onderhorig waren aan hun heer. Deze horigen stonden bijna al hun oogst af aan
hun heer. Er bestond nauwelijks nog een stedelijke beschaving. De geldeconomie was vrijwel
verdwenen. West-Europa was weer grotendeels een landbouwsamenleving geworden.
Het 3e tijdvak is de eerste helft van de middeleeuwen. Het laat zien hoe het met de erfenis van de
klassieke cultuur uit de oudheid verder gaat. De monniken zorgden voor het stand houden en verder
ontwikkelen van de christelijke en klassieke cultuur van de romeinen. De ridder staan voor de
Germaanse strijders die het politieke gezag in het romeinse gebied overnamen.
9 de kerstening van Europa
Toen de Germanen in West-Europa de leiding overnamen waren zij nog niet christelijk. Ze kregen de
leiding over een christelijk gebied waar men hoger ontwikkeld was. De christenen probeerden de
Germanen te bekeren. De Germanen zagen dat wel zitten, omdat ze zagen dat hun nieuwe
onderdanen verder ontwikkeld waren dan zijzelf.
Degene die zich bezighielden met het verspreiden van de christelijk-romeinse traditie, waren de
monniken. Zij wijdden hun hele leven aan het geloof. En leven zonder vrouw of kind in een klooster,
gescheiden van de samenleving.
Sommigen monniken trokken rond als missionaris, zij probeerde het christendom te prediken onder
de Germanen en dat lukte goed. In de loop van dit tijdvak werden alle Germaanse volken tot het
christendom bekeerd. Een belangrijke steunpilaar voor de monniken waren de Germaanse Franken.
Uit hen kwam Karel de Grote voort, die heeft rond 800 als christelijke keizer over een groot deel van
Europa geheerst.
De monniken, de christelijke priesters en de bisschoppen werden de intellectuele leiders van de
samenleving. Alleen zei beheersten de schrijfkunst en hadden daardoor controle over alle aanwezige
kennis. Daarom werden ze als stand verheven boven het gewone volk. Deze stand heette de
geestelijkheid.
10 de islam
Op het Arabische schiereiland ontstond in de 7 e eeuw een variant op monotheïstische traditie van de
joden en de christenen: de islam. Deze godsdienst werd gesticht door Mohamed die door moslims
wordt beschouwd als de laatste profeet in de reeks profeten die boodschappen van god hebben
doorgegeven aan de mensheid. Eerdere belangrijke profeten: Abraham (joods), Mozes (joods) en
jezus.
Christenen hadden volgens Mohamed een fout gemaakt. Door god op te splitsen in drie wezens: god
de vader, god de zoon en god de heilige. Mohamed meende dat hij het monotheïsme beter begreep
als er echt maat een god was, en niets of niemand anders die vereerd mocht worden. Hij verbood het
afbeelden van mensen en dieren, omdat uit de praktijk van het christendom was gebleken dat die
ook al gauw als heilig werden gezien. Omdat Mohamed de islam zag als een verbetering van de
joods-christelijke traditie nam hij een groot deel van de bijbel over in de koran.
De verspreiding van de islam vond plaats door het voeren van een heilige oorlog (jihad). Omdat in de
islam het politieke gezag niet gescheiden was van het geestelijke gezag, traden religieuze leiders ook
op als bestuurders en militaire aanvoerders. Zo ontstond een groot islamitisch-Arabisch Rijk. Het
strekte zich uit van Perzië tot en met het Iberisch schiereiland.
In de veroverde gebieden werden joden en christenen met respect behandeld. Andere gelovige
werden als ongelovige gezien en daarom minderwaardig tegen over moslims.
11 hofstelsel en horigheid
Door het wegvallen van de relatieve veiligheid en orde van het romeinse rijk en het verdeeld raken
van het land over lokale heersers, werd steeds moeilijker om lange afstanden te overbruggen. En
handel over lange afstanden was er daarom ook niet of nauwelijks. Zelfvoorzienende landgoederen
(hoven) die bestuurd werden door of namens feodale heren werden steeds belangrijker. Hierop
werkten boeren die onderhorig waren aan hun heer. Deze horigen stonden bijna al hun oogst af aan
hun heer. Er bestond nauwelijks nog een stedelijke beschaving. De geldeconomie was vrijwel
verdwenen. West-Europa was weer grotendeels een landbouwsamenleving geworden.