,Leerdoelen goederenrecht hogeschool utrecht 2025 samenvatting leerdoelen goederenrecht
, Leerdoelen goederenrecht hogeschool utrecht 2025 samenvatting leerdoelen goederenrecht
Goederenrecht LEERDOELEN 2025
Week 1
1. De student herkent de basisbegrippen vermogensrechten, vruchten,
goederen, hoofdzaak, bestanddelen en goede trouw in een casus.
- Vermogensrecht: het goederenrecht en het verbintenissenrecht
vormen samen het vermogensrecht. Het goederenrecht is het
rechtsgebied dat gaat over de rechtsrelatie tussen een persoon en
een goed, dus bijvoorbeeld iemand is eigenaar van zijn kleren. Het
verbintenissenrecht is de rechtsrelatie tussen personen waarbij een
verbintenis tot stand is gekomen dat op geld waardeerbaar is.
- Goederen: alle zaken en alle vermogensrechten zijn goederen (art. 3:1
BW). Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare, stoffelijke
objecten zoals kleding, boeken, tassen. Een vermogensrecht is een
recht met vermogenswaarde, dus een recht met een bepaalde
waarde die in geld uit te drukken is. Een goed moet ook
overdraagbaar kunnen zijn Art. 3:6 BW.
- Roerende zaken: zaken die verplaatsbaar zijn, zoals een auto, fiets,
laptop, pen, tafels, kasten etc. (art. 3:3 lid 2). Mensen en dieren zijn
géén zaken! (Art. 3:2a lid 1 BW) Let op: dingen die betrekking hebben
tot dieren zijn wel zaken, zoals de geboorte van een hond (art. 3:2a
lid 2 BW).
- Onroerende zaken: zaken die niet verplaatsbaar zijn (art. 3:3 lid 1 BW).
Hieronder verstaan we grond, delfstoffen die nog niet gewonnen zijn,
met de grond verenigde beplantingen en gebouwen. Onroerende
zaken hebben altijd een eigenaar, en anders zijn ze van de staat (art.
5:24 BW).
- Hoofdzaak: twee of meer zaken die met elkaar verbonden zijn
waardoor er één zaak ontstaat (art. 3:4 lid 2) Voorbeelden: raam,
mes, tafel, stoel. Een zaak is een hoofdzaak als het zodanig
verbonden is met zijn onderdelen dat het zonder zijn bestanddelen
niet kan functioneren of wanneer het volgens verkeersopvatting
erbij hoort.
- Bijzaak/bestanddeel: een deel van een hoofdzaak (art. 3:4 lid
1). Voorbeelden: autoband, dakpan, gloeilamp.
- Registergoederen: een goed dat doormiddel van overdracht van de
ene persoon overgaat naar de andere. Hierbij is het noodzakelijk om
de goederen te registreren in openbare registers (art. 3:10 BW). De
wet regelt of inschrijving in openbare registers noodzakelijk is.
Onroerende zaken zijn altijd registergoederen, met uitzondering van
vliegtuigen en grote schepen die wel roerende zaken zijn.
Voorbeelden: een huis, gebouw, stuk grond, grote schepen,
vliegtuigen etc.
, Leerdoelen goederenrecht hogeschool utrecht 2025 samenvatting leerdoelen goederenrecht
- Niet-registergoederen: alle goederen die niet geregistreerd hoeven
worden. Ook alle roerende zaken zijn niet- registergoederen met
uitzondering van vliegtuigen en grote schepen.
• Natuurlijke vruchten (art. 3:9 lid 1 BW): zaken die als
verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden
aangemerkt (appel is een zaak en een verkeersopvatting van een
appelboom)
1. Het zijn zaken;
2. Deze worden volgens verkeersopvatting (het maatschappelijk
verkeer) als vruchten van andere zaken aangemerkt.
Een natuurlijke zaak wordt een zelfstandige zaak wanneer we die
afscheiden volgens art. 3:9 lid 4 BW)
• Burgerlijke vruchten (art. 3:9 lid 2 BW) (de rente over een geldbedrag dat
op een spaarrekening staat): dit zijn rechten die volgens
verkeersopvattingen (het maatschappelijk verkeer) als vruchten van
goederen worden aangemerkt.
1. Het zijn vruchten;
2. Deze worden volgens verkeersopvatting als vruchten van
goederen aangemerkt.
Een burgerlijke vrucht wordt een zelfstandige vrucht op het moment dat
deze opeisbaar wordt (opeisen van de rente).
- Goede trouw: uit zuivere motieven handelen. Er is geen sprake van
enige vorm van bedrog, misleiding, kunstgrepen, verzwijgingen of
wetenschap dat de handeling onwettig is. Iemand is te goeder trouw
wanneer hij niet wist en niet hoefde te weten dat feiten of het recht
waarop zijn goede trouw betrekking heeft niet juist waren (art. 3:11
BW).
2. De student herkent de verschillen en overeenkomsten tussen absolute
en relatieve rechten.
- Absolute rechten zijn rechten die een persoon op een goed kan
hebben. Dit kan een recht zijn op een zaak als op een
vermogensrecht. Een absoluut recht geldt ten opzichte van
iedereen. De rechthebbende bepaalt wat hij met het goed doet. De
volgende rechten zijn absolute rechten:
- 1) Vruchtgebruik (art. 3:201 BW);
- 2) Pand (art. 3:227 BW);
3) Hypotheek (art. 3:227 BW);
4) Eigendom (art. 5:1 BW);
- 5) Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW);
- 6) Erfpacht (art. 5:85 BW);
7) Opstal (art. 5:101 BW);