Basiskennis periode 2
,Week 1 | Periode 2 | Psychologische Begeleiding & Coaching
3.15
Genoom:
Is de blauwdruk die gedetailleerde instructies geeft voor alles. Het wordt
bepaald door welke genen in de cel aan of uit worden gezet. Het genoom
biedt de opties, de omgeving bepaalt welke optie wordt gekozen.
Chromosomen en DNA:
Elke cel bevat 46 chromosomen en komen in 23 chromosoom paren,
waarvan één van je moeder en één van je vader.
Chromosomen zijn gemaakt van DNA, dat bestaat uit twee strengen in een
dubbele helix.
Genen:
Zijn segmenten van die DNA strengen die instructies geven voor het maken
van eiwitten.
Geven instructies om afzonderlijk polypeptiden te maken, die de
bouwstenen zijn van eiwitten. Deze eiwitten bepalen de structuur van cellen
en hun functies -> elk type voert een specifieke taak uit.
Homozygoot: Beide genen in een paar zijn identiek.
Heterozygoot: De genen in een paar verschillen van elkaar.
Allelen:
Variaties van een specifiek gen.
Dominant allel: Drukt zijn effect altijd uit, zelfs als het andere gen verschillend
is.
Recessief allel: Komt alleen tot uiting als beide genen hetzelfde zijn.
PKU (Fenylketonurie):
Een recessief gen op chromosoom 12 veroorzaakt een stoornis die leidt tot
mentale retardatie -> iemand produceert te weinig spijsverteringenzym en kan
geen fenylalanine metaboliseren.
Leidt tot ernstige hersenontwikkeling.
Behandeling PKU: Als iemand met PKU een dieet met weinig fenylalanine
volgt, kan hij normaal ontwikkelen, ondanks het defecte gen. Het dieet
voorkomt de gevolgen van het defecte gen.
In sommige gevallen zijn de allelen codominant: Beide genen in een paar
beïnvloeden het fenotype.
In andere gevallen bevinden de allelen zich in een relatie van incomplete
dominantie: Als een persoon twee verschillende allelen heeft, is het fenotype
een mengsel van de effecten van beide allelen.
2
,Serotonine Transporter Gen:
Gen op chromosoom 17, regelt serotonine die emoties reguleert.
Genotypen: l/l, s/s, s/l, waarbij het lange allel (l) meer serotoninetransporter
produceert.
Minder serotoninetransporter productie kan leiden tot verhoogd risico op
depressie en angst
Human Genome Project:
Wetenschappers hebben het genetisch materiaal van mensen in kaart
gebracht
Ze ontdekten dat mensen minder dan 30.000 genen hebben, en dat hoe
genen tot expressie komen waarschijnlijk belangrijker is dan het aantal
genen.
3.16
Mendel’s Experiment Selectief kweken:
Mendel kruiste planten met paarse en witte bloemen om te onderzoeken hoe
eigenschappen werden doorgegeven.
Resultaten: Eerste generatie had allemaal paarse of witte bloemen. Tweede
generatie had 75% paarse bloemen en 25% witte bloemen.
Conclusie: Genen komen in verschillende versies (allelen): dominant of
recessief.
Genotype en Fenotype:
Genotype: De genetische samenstelling van een organisme, vast bij de
geboorte.
Fenotype: Wat je ziet (eigenschappen) en wordt beïnvloed door zowel
genetica als omgeving.
Polygeen: Kenmerken beïnvloed door meerdere genen (bijvoorbeeld lengte).
Geslachtschromosomen:
De 23 paar chromosomen omvatten de geslachtschromosomen X en Y.
Vrouwen: XX
Mannen: XY
Zygote (bevruchte cel) en celdeling:
Bevat 23 chromosomen van de moeder en 23 van de vader. Dit zorgt voor een
uniek genotype.
Zygote groeit door celdeling, heeft twee fasen:
o Fase 1: Chromosomen dupliceren.
o Fase 2: Cel deelt zich in twee nieuwe cellen.
Industrieel melanisme:
3
, Voor de industrialisatie waren lichtere insecten beter camoufleren. Na
industrialisatie waren donkerdere insecten beter verborgen door vervuiling,
dus dit gen verspreidde zich onder de populatie.
Ziekte-genen:
Vroege levensfase ziekten: Genen voor ziekten die vroeg in het leven
dodelijk zijn, overleven waarschijnlijk niet in genenpool.
Ziekten na de reproductieve leeftijd: Deze genen blijven vaak in de
genenpool omdat ze geen reproductief nadeel hebben.
Recessieve genen voor ziekten kunnen de genenpool overleven. Dominante
genaandoeningen zijn dodelijk voor meeste dragers en blijven niet lang in de
genenpool.
Sikkelcelziekte:
Recessieve aandoening die zuurstofverwerking in het bloed beïnvloedt, vooral
bij bepaalde etnische groepen.
Mensen met het recessieve gen van één ouder hebben sikkelceltrait, wat
hen tegen malaria beschermt, maar ze hebben doorgaans een gezond
fenotype.
13.17
Gedragsgenetica:
Bestudeert hoe genen invloed hebben op de geest, hersenen en gedrag.
Genen leggen de basis voor veel menselijke eigenschappen, maar hoe die
zich uit, hangt af van de omgeving.
Controversie:
Er is discussie over hoeveel gedrag biologisch bepaald is. Veel mensen willen
niet geloven dat genen bepalen wat je kunt bereiken.
Determinisme: als iets niet lukt, moet je accepteren dat sommige dingen niet
voor jou zijn weggelegd.
Vrije wil: als iets niet lukt, moet je wat beter je best doen om toch te bereiken
wat je wil.
Verschillen tussen broers en zussen:
Deze verschillen komen doordat ze niet dezelfde genen en levenservaringen
delen.
Methoden in eigenschapserving:
1. Tweelingstudies:
Monozygote tweelingen (identieke): Zelfde genen, maar kunnen toch
subtiele verschillen vertonen.
4
,Week 1 | Periode 2 | Psychologische Begeleiding & Coaching
3.15
Genoom:
Is de blauwdruk die gedetailleerde instructies geeft voor alles. Het wordt
bepaald door welke genen in de cel aan of uit worden gezet. Het genoom
biedt de opties, de omgeving bepaalt welke optie wordt gekozen.
Chromosomen en DNA:
Elke cel bevat 46 chromosomen en komen in 23 chromosoom paren,
waarvan één van je moeder en één van je vader.
Chromosomen zijn gemaakt van DNA, dat bestaat uit twee strengen in een
dubbele helix.
Genen:
Zijn segmenten van die DNA strengen die instructies geven voor het maken
van eiwitten.
Geven instructies om afzonderlijk polypeptiden te maken, die de
bouwstenen zijn van eiwitten. Deze eiwitten bepalen de structuur van cellen
en hun functies -> elk type voert een specifieke taak uit.
Homozygoot: Beide genen in een paar zijn identiek.
Heterozygoot: De genen in een paar verschillen van elkaar.
Allelen:
Variaties van een specifiek gen.
Dominant allel: Drukt zijn effect altijd uit, zelfs als het andere gen verschillend
is.
Recessief allel: Komt alleen tot uiting als beide genen hetzelfde zijn.
PKU (Fenylketonurie):
Een recessief gen op chromosoom 12 veroorzaakt een stoornis die leidt tot
mentale retardatie -> iemand produceert te weinig spijsverteringenzym en kan
geen fenylalanine metaboliseren.
Leidt tot ernstige hersenontwikkeling.
Behandeling PKU: Als iemand met PKU een dieet met weinig fenylalanine
volgt, kan hij normaal ontwikkelen, ondanks het defecte gen. Het dieet
voorkomt de gevolgen van het defecte gen.
In sommige gevallen zijn de allelen codominant: Beide genen in een paar
beïnvloeden het fenotype.
In andere gevallen bevinden de allelen zich in een relatie van incomplete
dominantie: Als een persoon twee verschillende allelen heeft, is het fenotype
een mengsel van de effecten van beide allelen.
2
,Serotonine Transporter Gen:
Gen op chromosoom 17, regelt serotonine die emoties reguleert.
Genotypen: l/l, s/s, s/l, waarbij het lange allel (l) meer serotoninetransporter
produceert.
Minder serotoninetransporter productie kan leiden tot verhoogd risico op
depressie en angst
Human Genome Project:
Wetenschappers hebben het genetisch materiaal van mensen in kaart
gebracht
Ze ontdekten dat mensen minder dan 30.000 genen hebben, en dat hoe
genen tot expressie komen waarschijnlijk belangrijker is dan het aantal
genen.
3.16
Mendel’s Experiment Selectief kweken:
Mendel kruiste planten met paarse en witte bloemen om te onderzoeken hoe
eigenschappen werden doorgegeven.
Resultaten: Eerste generatie had allemaal paarse of witte bloemen. Tweede
generatie had 75% paarse bloemen en 25% witte bloemen.
Conclusie: Genen komen in verschillende versies (allelen): dominant of
recessief.
Genotype en Fenotype:
Genotype: De genetische samenstelling van een organisme, vast bij de
geboorte.
Fenotype: Wat je ziet (eigenschappen) en wordt beïnvloed door zowel
genetica als omgeving.
Polygeen: Kenmerken beïnvloed door meerdere genen (bijvoorbeeld lengte).
Geslachtschromosomen:
De 23 paar chromosomen omvatten de geslachtschromosomen X en Y.
Vrouwen: XX
Mannen: XY
Zygote (bevruchte cel) en celdeling:
Bevat 23 chromosomen van de moeder en 23 van de vader. Dit zorgt voor een
uniek genotype.
Zygote groeit door celdeling, heeft twee fasen:
o Fase 1: Chromosomen dupliceren.
o Fase 2: Cel deelt zich in twee nieuwe cellen.
Industrieel melanisme:
3
, Voor de industrialisatie waren lichtere insecten beter camoufleren. Na
industrialisatie waren donkerdere insecten beter verborgen door vervuiling,
dus dit gen verspreidde zich onder de populatie.
Ziekte-genen:
Vroege levensfase ziekten: Genen voor ziekten die vroeg in het leven
dodelijk zijn, overleven waarschijnlijk niet in genenpool.
Ziekten na de reproductieve leeftijd: Deze genen blijven vaak in de
genenpool omdat ze geen reproductief nadeel hebben.
Recessieve genen voor ziekten kunnen de genenpool overleven. Dominante
genaandoeningen zijn dodelijk voor meeste dragers en blijven niet lang in de
genenpool.
Sikkelcelziekte:
Recessieve aandoening die zuurstofverwerking in het bloed beïnvloedt, vooral
bij bepaalde etnische groepen.
Mensen met het recessieve gen van één ouder hebben sikkelceltrait, wat
hen tegen malaria beschermt, maar ze hebben doorgaans een gezond
fenotype.
13.17
Gedragsgenetica:
Bestudeert hoe genen invloed hebben op de geest, hersenen en gedrag.
Genen leggen de basis voor veel menselijke eigenschappen, maar hoe die
zich uit, hangt af van de omgeving.
Controversie:
Er is discussie over hoeveel gedrag biologisch bepaald is. Veel mensen willen
niet geloven dat genen bepalen wat je kunt bereiken.
Determinisme: als iets niet lukt, moet je accepteren dat sommige dingen niet
voor jou zijn weggelegd.
Vrije wil: als iets niet lukt, moet je wat beter je best doen om toch te bereiken
wat je wil.
Verschillen tussen broers en zussen:
Deze verschillen komen doordat ze niet dezelfde genen en levenservaringen
delen.
Methoden in eigenschapserving:
1. Tweelingstudies:
Monozygote tweelingen (identieke): Zelfde genen, maar kunnen toch
subtiele verschillen vertonen.
4