Genitica
Afgeleid van het biologie boek ‘Biologie voor Jou’ vwo 4 hoofdstuk 3: Genetica
Voor oefeningen kan je naar Biologiepagina.nl gaan.
, DE BASIS
Het genoom: al het erfelijk materiaal in een organisme
Fenotype = de waarnemelijke eigenschappen van het organisme (bijv.
het uiterlijk en de kleur van je ogen)
Genotype = de genetische informatie van een organisme die is
opgeslagen in het DNA
Genotype + milieu = Fenotype
Als het mileu veranderd kan het fenotype ook veranderen: modificatie
Chromosomen: lange en dunne draden die het meest bestaan uit DNA
Autosomen: alle chromosomen behalve de geslachts chromosomen
Een mens heeft 46 chromosomen, en dus 23 chromosomenparen.
22 van deze paren zijn autosoom. Ze zijn gelijk in lengte en vorm
(homoloog chromosomenpaar).
Het overige paar zijn de XY chromosomen, dit zijn de geslachts
chromosomen. Deze chromosomen bepalen het geslacht van het
kind.
Een vrouw heeft 2 X chromosomen (XX)
Een man heeft 1 X chromosoom en 1 Y chromosoom (XY).
Bouw van DNA molecuul
De bouw van een DNA molecuul is te zien Binas tabel 71.
In een DNA streng zijn letters te zien (Tabel 71E). De letters C
en G zitten altijd tegenover elkaar en hetzelfde geldt voor de
letters A en T. Dit zijn de basenparingen. Elke letter is een
stikstof base.
Belangrijke woorden:
Gen: deel van DNA-molecuul dat informatie bevat van 1
erfelijke eigenschap.
Sequentie: volgorde van stikstofbasen van DNA.
Genoom: alle DNA-moleculen in een cel.
Genregulatie: het uit en aan zetten van een gen.
Genexpressie: het gen staat nu ‘aan’.
Inactivatie: het gen staat nu ‘uit’.
Locus: plaats van een gen.
Karyotype: rangschikking van chromosomen in paren (zie
tabel 70B).
Allel: variatie van nucleotiden volgorden van gen.
Erfelijkheid
Elk organisme heeft 2 allelen voor een bepaald fenotype. Deze twee
allelen zijn geerfd van de ouders.
Dominant allel: allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype. Het
dominate allel wordt opgeschreven als een hoofdletter.
Recessief allel: dit allel komt alleen tot uiting als er geen dominant
allel aanwezig is. Het recessiefe allel wordt opgeschreven als een
kleine letter.
Homozygoot: organisme met 2 gelijke allelen (aa en AA)
heterozygoot: organiscme met 2 verschillende allelen (Aa)
homozygoot recessief: aa
homozygoot dominant: Aa
Iemand die homozygoot recessief is (aa) wordt een drager genoemt.