1.1
Een mengsel bestaat uit twee of meer stoffen. Zeewater en melk zijn
andere voorbeelden van mengsels. En zuivere stof bestaat uit een stof.
Suiker is een voorbeeld van een zuivere stof. Je noemt de eigenschappen
van een stof stofeigenschappen. Voorbeelden van stof eigenschappen
zijn kleur, smaak, oplosbaarheid, brandbaarheid en de fase bij
kamertemperatuur. De temperatuur waarbij een stof smelt is het
smeltpunt en de temperatuur waarbij een stof kookt is het kookpunt van
die stof. Eigenschappen die je kunt meten zoals massa en volume, noem
je grootheden. De eenheid is de maat waarin je een grootheid meet, zoals
kilogram voor massa of liter voor volume. De combinatie van massa en
volume: de dichtheid, is wel een stof eigenschap. Aan de hand van de
dichtheid kun je namelijk bepalen van welke stof iets gemaakt is.
(Dichtheid= massa : volume)
1.2
Waarschuwingsborden Voor gevaarlijke stoffen heten
gevarenpictogrammen.
Bij veiligheidsinformatie over stoffen worden ook vaak H- en P- zinnen
gegeven. H- zinnen gaan over gezondheidsgevaren. P- zinnen gaan over
preventie, het voorkomen van ongelukken. Bij een gasbrander gebruik je
de gele vlam als pauze vlam, de kleurloze vlam om een beetje stof te
verwarmen en de ruisende vlam om een grote hoeveelheid te
verwarmen. Gedestilleerd water is water waar opgeloste stoffen uit zijn
verwijderd.