BIOLOGIE ALLE EXAMENSTOF
VWO 4: H2 t/m H8
2.1: cellen leven samen:
Cellen zijn de basiseenheden van je lichaam. Moleculen, cellen en Organisatieniveaus (KG):
organismen zijn van een verschillend organisatieniveau. o Molecuul
Organisatieniveaus zijn de begrensde biologische structuren, met een o Organel
duidelijke samenhang tussen de onderdelen. Op elk organisatieniveau is er o Cel
samenwerking met de onderdelen. o Weefsel
Emergente eigenschap = een nieuwe eigenschap op een hoger o Orgaan
organisatieniveau die ontstaat door interactie van delen op een lager o Orgaanstelsel
organisatieniveau. De onderdelen apart hebben de eigenschap niet o Organisme
o Populatie
Levenskenmerken: o Levensgemeenschap
Cellen en organismen hebben
-Opgebouwd uit 1 of meer cellen o Ecosysteem
alle kenmerken, eigenschappen
-Groei o Systeem Aarde
-Voortplanting en processen die typisch zijn
-Stofwisseling (opnemen, voor het leven zoals wij op aarde kennen.
omzetten en afgeven van
stoffen) Stamcellen = cellen die het vermogen hebben zich te blijven
-Waarnemen van en reageren delen en kunnen differentiëren in gespecialiseerde celtypen
op veranderingen in de Celdifferentiatie onderscheiden zich door de verschillende
omgeving eiwitten die ze maken
-Organisatie van erfelijk
materiaal De verhouding oppervlak/inhoud beperkt de maximale
grootte die cellen kunnen hebben. Kleine cellen hebben
relatief gezien een groot oppervlak en een klein volume kunnen snel voldoende stoffen opnemen
of afstaan. Grote cellen hebben een kleiner oppervlak en een groter volume.
2.2: cellen:
Elke cel is omgeven door een celmembraan. Tussen het celmembraan en de kern bevindt zich het
cytoplasma met grondplasma en organellen. Menselijke en dierlijke cellen zijn heteroroof.
Dierlijke/menselijke cellen kunnen de volgende onderdelen bevatten:
Organel/onderdeel Wat is het? Functie
Celkern Ruimte omgeven door kernmembraan Bevat DNA met
met poriën bouwinstructies voor het
maken van eiwitten
Ribosomen Kleine losliggende korreltjes/of op ruw Vormen eiwitten
ER
ER (ruw/glad) Netwerk van twee membranen die dicht Ruw = transportstelsel
tegen elkaar aanliggen met ribosomen Glad = productie vetachtige
stoffen
Transportblaasje Blaasje met verpakte eiwitten Transport van eiwitten
Golgi-systeem Stapel platte membraanzakken 1) transportsysteem
2) bewerkt eiwitten
3) snoert blaasjes af
Mitochondrium Staafvormig organel met buiten- en Energiecentrale van de cel
binnenmembraan
Lysosoom Blaasje met enzymen Breekt versleten organellen af
Celskelet Netwerk van eiwitdraden Geeft stevigheid/vorm
Centrosoom Speelt een rol bij de celdeling Rol celdeling
,Een plantencel bevat dezelfde organellen als een dierlijke cel behalve een centrosoom, die ontbreekt.
Meer verschillen zijn:
- Een plantencel heeft een celwand met cellulose en soms lignine = geen organel
- Ze hebben een grote vacuole = met vocht gevulde blaas. Het bevat opgeloste stoffen en geeft
stevigheid
- De cellen in de groene delen hebben bladgroenkorrels (chloroplasten), hierin vindt
fotosynthese plaats. Ze hebben ook plastiden (chromoplasten, amyloplasten chloroplasten)
Bacteriën zijn prokaryoten (geen celkern). Ze hebben een groot cirkelvormig DNA-molecuul en kleine
DNA-moleculen (plasmiden). Het is omgeven door een celwand, buiten het celmembraan soms nog
een kapsel. Soms een flagel. Meestal heterotroof soms autotroof.
Schimmels zijn eukaryoten (wel celkern). Schimmels zijn omgeven door een celwand, buiten het
celmembraan, van chitine. Ze zijn heterotroof. Gist is een eencellige schimmel.
2.3 celmembranen en transport:
Celmembraan bestaat uit een dubbele laag vetachtige moleculen, fosfolipiden. Celmembraan bestaat
ook uit cholesterol, dat de fosfolipiden sterk in hun bewegingen afremt en zo het celmembraan
stabiliseert.
Diffusie = transport wat vanzelf gaat door de celmembraan heen (kleine moleculen en vet oplosbare
moleculen). Hoe hoger de temperatuur, des te sneller de verplaatsing.
Diffusie is passief transport (kost geen energie). Transport via transporteiwitten heet gefaciliteerd
transport. Daar heb je actief transport voor nodig (kost wel energie)
Niet alle stoffen kunnen door het celmembraan selectief
permeabel. Veel eiwitten binden een deeltje en het celmembraan Isotonisch = oplossingen met
stulpt eromheen. Daarna snoert een celmembraan het blaasje af, de een gelijke concentratie
cel in, met het deeltje erin = endocytose. Witte bloedcellen nemen
op deze manier bacteriën of grotere deeltjes op = fagocytose. Cellen Hypertonisch = oplossing met
een hogere concentratie
geven ook stoffen af = excoytose.
opgeloste stoffen
Osmose is de diffusie van water door een semipermeabel membraan Hypotonisch = oplossing met
van een lage osmotische waarde naar een hoge osmotische waarde een lagere concentratie
zodat de concentratie opgeloste stoffen (osmotische waarde) aan opgeloste stoffen
beiden kanten gelijk is.
In een hypotonisch milieu nemen plantencellen water op in hun
vacuole; de cel drukt tegen de celwand; turgor. In een hypertonisch milieu verliezen cellen hun
turgor; plasmolyse. Watertransport tussen oplossingen door een celmembraan heet osmose.
2.4: DNA: het besturingssysteem van de cel:
DNA ligt opgerold in chromosomen in de celkern. Het DNA ziet eruit als een dubbele helix. Het DNA
bestaat uit vier nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, de suiker deoxyribose en
een organische stikstofbase.
De stikstofbasen A,C,G,T leveren de letters voor een DNA codetaal. Met behulp van de codetaal
maken je cellen eiwitten van de aminozuren. Eiwitten bepalen via hun bouw en vorm de
eigenschappen. Drie opeenvolgende stikstofbasen vormen een DNA-triplet, de code voor één
aminozuur van het te vormen eiwit.
Gen = een stukje DNA in een cel dat de informatie voor het maken van een eiwit bevat
,Om de genetische code te lezen moeten we kijken naar de
Vier stikstofbasen:
volgorde van de stikstofbasen in het DNA en dit omzetten in
- Adenine (A)
mRNA. = transscriptie
- Cytosine (C)
Planten:
- Guanine (G)
- Heeft in plaats van thymine (T), de stikstofbase uracil
- Thymine (T)
(U). De suiker is ook anders: ribose in plaats van
deoxyribose. Altijd A tegen over T (U) C
Met behulp van enzymen groeit de mRNA-streng aan de tegenover G
matrijsstreng van het DNA. Dit vervoert de informatie van een
gen naar de ribosomen in het grondplasma
Drie basen achter elkaar in het mRNA noemen we een codon.
Ribosoom koppelt met behulp van het mRNA aminozuren achter elkaar vanaf het startcodon tot het
stopcodon tot een polypetideketen. = translatie
Het ER en het Golgi-systeem verwerken, labelen en sorteren beide eiwitten. De vorm van een eiwit
bepaalt hoe goed een eiwit werkt niet in orde = stop transport. Eiwitten voor gebruik gaan via de
transportblaasjes naar het celmembraan voor excoytose. Andere eiwitten komen als enzym in de
lysosomen terecht. De derde groep eiwitten gaat dienstdoen als membraaneiwitten.
Eiwitsynthese = het hele proces, van overschrijven van het DNA naar het mRNA (transscriptie) tot en
met het vormen van het uiteindelijke functionele eiwit (translatie)
2.5: DNA en de celcyclus:
Celcyclus = de periode waarin een cel ontstaat, groeit actief en opnieuw deelt (afbeelding blz. 69)
G1-, S-, G2-, M-
- Tijdens de S-fase verdubbelt het DNA waardoor er per chromosoom twee chromatiden
ontstaan
- In de G1-fase groeit de cel. In de G2-fase groeit de cel ook en maakt organellen bij
M-fase = mitose fase heeft verschillende stappen
- Profase begin, chromosomen spiraliseren. Spoelfiguur ontstaat
- Profase eind, het kernmembraan valt uiteen. De chromosomen gaan op weg naar het
equatoriale vlak.
- Metafase, gespiraliseerde chromosomen liggen in het midden van de cel. Trekdraden lopen
van centromeer naar pool.
- Anafase, trekdraden trekken de chromatiden uit elkaar. De chromatiden zijn nu de nieuwe
chromosomen.
- Telofase, chromosomen despiraliseren. Vorming nieuwe kernen en celdeling
Bij planten ontstaat na een celdeling een middenlamel van pectine, waartegen de nieuwe cellen
cellulose afzetten. Via differentiatie specialiseren cellen zich in een bepaalde taak. Elke
gedifferentieerde cel heeft een eigen eiwitsamenstelling. Door ongecontroleerde celdeling ontstaat
een tumor. Kanker is een kwaadaardige tumor, met uitzaaiingen.
4.1: nieuw leven: (vooral hormonen)
Bij de bevruchting versmelt de kern van de eicel met de kern van een zaadcel.
- Zaadcellen dringen door de follikelcellen zona pellucida eerste zaadcel met het
celmembraan van de eicel versmelt met het celmembraan DNA-zaadcel komt in celkern
eicel zygote (bevruchte eicel)
Een bevruchte eicel deelt door klievingsdelingen (deling waarbij cellen niet groeien).
, Op dag 6/7 na de bevruchting vindt de innesteling plaats (het ingroeien van het embryo in het
baarmoederslijmvlies). Het embryo bestaat uit een blaasje (blastula). De meeste cellen zitten aan de
buitenkant van het blaasje (trofoblast). Binnen de trofoblast vormt zich een kiemschijf, waaruit het
embryo ontstaat. Hieromheen ontstaan de amnionholte en het dooierblaasje. De wand van de
amnionholte vormt samen met de chorion de vruchtvliezen. Na acht weken zijn alle organen
aangelegd en is er sprake van een foetus.
In de eerste weken van de ontwikkeling zijn er uit- en inwendig nog geen verschillen tussen een
jongen en een meisje. Meisjes hebben tweekeer een X-chromosoom. Jongens één keer een X-
chromosoom en één keer een Y-chromosoom, op het Y-chromosoom ligt het SRY-gen dat beïnvloedt
de gebeurtenissen voor een jongen. Bij een meisje wordt deze niet geactiveerd.
Vrouwelijke geslachtsorganen en mannelijke geslachtsorganen in boek en anders samenvatting
Primaire geslachtskenmerken: geslacht van de foetus, balzak, zaadballen, prostaat, schaamlippen
enzovoort
Secundaire geslachtskenmerken: hormonen, beharing, stembanden enzovoort
Tertiaire geslachtskenmerken: geestelijke hormonen (seksuele voorkeur)
4.2: vorming geslachtscellen:
De kern van een lichaamscel bestaat uit 46 chromosomen. Lichaamscellen zijn diploïd (2n), ze hebben
dus 23 chromosomenparen eentje van de vader eentje van de moeder (beide erfelijke
eigenschappen). Geslachtscellen zijn haploïd (n). Ze hebben 23 verschillende chromosomen (bevatten
alle erfelijke eigenschappen maar in enkelvoud).
De geslachtscellen (gameten) ontstaan door meiose. Tijdens meiose I gaan de chromosomen van elk
paar uit elkaar er zijn nu twee haploïde cellen (2 x n). Tijdens meiose II gaan de chromatiden van elk
chromosoom uit elkaar, er zijn nu vier haploïde cellen (4 x n). Door crossing-over tijdens profase I
ontstaan er recombinante chromatiden; dat levert een grotere erfelijke variatie in de geslachtscellen
(bron 7 en binas).
Vrouwelijke geslachtscellen (oögenese):
Meiose begint bij meisjes in het foetale stadium en stopt in de profase I. vanaf de puberteit gaat
onder invloed van FSH de meiose weer door tot aan de overgang. Meiose I eindigt met een ongelijke
verdeling van het grondplasma; 1 cel krijgt vrijwel alles secundaire oöcyt. De andere cel blijft heel
klein poollichaampje. De secundaire oöcyt begint aan meiose II en stopt in metafase II. De oöcyt
komt nu vrij uit de follikel ovulatie.
Mannelijke geslachtscellen (spermatogenese):
Spermatogenese en dus ook meiose begint bij jongens in de puberteit. (bron 8)
4.3: hormonale regeling:
De hypothalamus stimuleert via releasing-hormonen (GnRH) de afgifte van FSH en LH door de
hypofyse, beide zijn voortplantingsorganen. Door het bloed komen ze overal in het lichaam maar de
zaadballen en eierstokken reageren erop.
Bij jongens stimuleert FSH de productie van zaadcellen in de zaadballen. LH stimuleert de vorming
van testosteron door de cellen van Leydig
- Testosteron beperkt de LH-productie (negatieve terugkoppeling) en voorkomt zo
overproductie van testosteron
- Testosteron heeft net als FSH een stimulerende invloed op productie van zaadcellen
Onder invloed van testosteron verandert het lichaam en maakt het secundaire geslachtskenmerken.
VWO 4: H2 t/m H8
2.1: cellen leven samen:
Cellen zijn de basiseenheden van je lichaam. Moleculen, cellen en Organisatieniveaus (KG):
organismen zijn van een verschillend organisatieniveau. o Molecuul
Organisatieniveaus zijn de begrensde biologische structuren, met een o Organel
duidelijke samenhang tussen de onderdelen. Op elk organisatieniveau is er o Cel
samenwerking met de onderdelen. o Weefsel
Emergente eigenschap = een nieuwe eigenschap op een hoger o Orgaan
organisatieniveau die ontstaat door interactie van delen op een lager o Orgaanstelsel
organisatieniveau. De onderdelen apart hebben de eigenschap niet o Organisme
o Populatie
Levenskenmerken: o Levensgemeenschap
Cellen en organismen hebben
-Opgebouwd uit 1 of meer cellen o Ecosysteem
alle kenmerken, eigenschappen
-Groei o Systeem Aarde
-Voortplanting en processen die typisch zijn
-Stofwisseling (opnemen, voor het leven zoals wij op aarde kennen.
omzetten en afgeven van
stoffen) Stamcellen = cellen die het vermogen hebben zich te blijven
-Waarnemen van en reageren delen en kunnen differentiëren in gespecialiseerde celtypen
op veranderingen in de Celdifferentiatie onderscheiden zich door de verschillende
omgeving eiwitten die ze maken
-Organisatie van erfelijk
materiaal De verhouding oppervlak/inhoud beperkt de maximale
grootte die cellen kunnen hebben. Kleine cellen hebben
relatief gezien een groot oppervlak en een klein volume kunnen snel voldoende stoffen opnemen
of afstaan. Grote cellen hebben een kleiner oppervlak en een groter volume.
2.2: cellen:
Elke cel is omgeven door een celmembraan. Tussen het celmembraan en de kern bevindt zich het
cytoplasma met grondplasma en organellen. Menselijke en dierlijke cellen zijn heteroroof.
Dierlijke/menselijke cellen kunnen de volgende onderdelen bevatten:
Organel/onderdeel Wat is het? Functie
Celkern Ruimte omgeven door kernmembraan Bevat DNA met
met poriën bouwinstructies voor het
maken van eiwitten
Ribosomen Kleine losliggende korreltjes/of op ruw Vormen eiwitten
ER
ER (ruw/glad) Netwerk van twee membranen die dicht Ruw = transportstelsel
tegen elkaar aanliggen met ribosomen Glad = productie vetachtige
stoffen
Transportblaasje Blaasje met verpakte eiwitten Transport van eiwitten
Golgi-systeem Stapel platte membraanzakken 1) transportsysteem
2) bewerkt eiwitten
3) snoert blaasjes af
Mitochondrium Staafvormig organel met buiten- en Energiecentrale van de cel
binnenmembraan
Lysosoom Blaasje met enzymen Breekt versleten organellen af
Celskelet Netwerk van eiwitdraden Geeft stevigheid/vorm
Centrosoom Speelt een rol bij de celdeling Rol celdeling
,Een plantencel bevat dezelfde organellen als een dierlijke cel behalve een centrosoom, die ontbreekt.
Meer verschillen zijn:
- Een plantencel heeft een celwand met cellulose en soms lignine = geen organel
- Ze hebben een grote vacuole = met vocht gevulde blaas. Het bevat opgeloste stoffen en geeft
stevigheid
- De cellen in de groene delen hebben bladgroenkorrels (chloroplasten), hierin vindt
fotosynthese plaats. Ze hebben ook plastiden (chromoplasten, amyloplasten chloroplasten)
Bacteriën zijn prokaryoten (geen celkern). Ze hebben een groot cirkelvormig DNA-molecuul en kleine
DNA-moleculen (plasmiden). Het is omgeven door een celwand, buiten het celmembraan soms nog
een kapsel. Soms een flagel. Meestal heterotroof soms autotroof.
Schimmels zijn eukaryoten (wel celkern). Schimmels zijn omgeven door een celwand, buiten het
celmembraan, van chitine. Ze zijn heterotroof. Gist is een eencellige schimmel.
2.3 celmembranen en transport:
Celmembraan bestaat uit een dubbele laag vetachtige moleculen, fosfolipiden. Celmembraan bestaat
ook uit cholesterol, dat de fosfolipiden sterk in hun bewegingen afremt en zo het celmembraan
stabiliseert.
Diffusie = transport wat vanzelf gaat door de celmembraan heen (kleine moleculen en vet oplosbare
moleculen). Hoe hoger de temperatuur, des te sneller de verplaatsing.
Diffusie is passief transport (kost geen energie). Transport via transporteiwitten heet gefaciliteerd
transport. Daar heb je actief transport voor nodig (kost wel energie)
Niet alle stoffen kunnen door het celmembraan selectief
permeabel. Veel eiwitten binden een deeltje en het celmembraan Isotonisch = oplossingen met
stulpt eromheen. Daarna snoert een celmembraan het blaasje af, de een gelijke concentratie
cel in, met het deeltje erin = endocytose. Witte bloedcellen nemen
op deze manier bacteriën of grotere deeltjes op = fagocytose. Cellen Hypertonisch = oplossing met
een hogere concentratie
geven ook stoffen af = excoytose.
opgeloste stoffen
Osmose is de diffusie van water door een semipermeabel membraan Hypotonisch = oplossing met
van een lage osmotische waarde naar een hoge osmotische waarde een lagere concentratie
zodat de concentratie opgeloste stoffen (osmotische waarde) aan opgeloste stoffen
beiden kanten gelijk is.
In een hypotonisch milieu nemen plantencellen water op in hun
vacuole; de cel drukt tegen de celwand; turgor. In een hypertonisch milieu verliezen cellen hun
turgor; plasmolyse. Watertransport tussen oplossingen door een celmembraan heet osmose.
2.4: DNA: het besturingssysteem van de cel:
DNA ligt opgerold in chromosomen in de celkern. Het DNA ziet eruit als een dubbele helix. Het DNA
bestaat uit vier nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, de suiker deoxyribose en
een organische stikstofbase.
De stikstofbasen A,C,G,T leveren de letters voor een DNA codetaal. Met behulp van de codetaal
maken je cellen eiwitten van de aminozuren. Eiwitten bepalen via hun bouw en vorm de
eigenschappen. Drie opeenvolgende stikstofbasen vormen een DNA-triplet, de code voor één
aminozuur van het te vormen eiwit.
Gen = een stukje DNA in een cel dat de informatie voor het maken van een eiwit bevat
,Om de genetische code te lezen moeten we kijken naar de
Vier stikstofbasen:
volgorde van de stikstofbasen in het DNA en dit omzetten in
- Adenine (A)
mRNA. = transscriptie
- Cytosine (C)
Planten:
- Guanine (G)
- Heeft in plaats van thymine (T), de stikstofbase uracil
- Thymine (T)
(U). De suiker is ook anders: ribose in plaats van
deoxyribose. Altijd A tegen over T (U) C
Met behulp van enzymen groeit de mRNA-streng aan de tegenover G
matrijsstreng van het DNA. Dit vervoert de informatie van een
gen naar de ribosomen in het grondplasma
Drie basen achter elkaar in het mRNA noemen we een codon.
Ribosoom koppelt met behulp van het mRNA aminozuren achter elkaar vanaf het startcodon tot het
stopcodon tot een polypetideketen. = translatie
Het ER en het Golgi-systeem verwerken, labelen en sorteren beide eiwitten. De vorm van een eiwit
bepaalt hoe goed een eiwit werkt niet in orde = stop transport. Eiwitten voor gebruik gaan via de
transportblaasjes naar het celmembraan voor excoytose. Andere eiwitten komen als enzym in de
lysosomen terecht. De derde groep eiwitten gaat dienstdoen als membraaneiwitten.
Eiwitsynthese = het hele proces, van overschrijven van het DNA naar het mRNA (transscriptie) tot en
met het vormen van het uiteindelijke functionele eiwit (translatie)
2.5: DNA en de celcyclus:
Celcyclus = de periode waarin een cel ontstaat, groeit actief en opnieuw deelt (afbeelding blz. 69)
G1-, S-, G2-, M-
- Tijdens de S-fase verdubbelt het DNA waardoor er per chromosoom twee chromatiden
ontstaan
- In de G1-fase groeit de cel. In de G2-fase groeit de cel ook en maakt organellen bij
M-fase = mitose fase heeft verschillende stappen
- Profase begin, chromosomen spiraliseren. Spoelfiguur ontstaat
- Profase eind, het kernmembraan valt uiteen. De chromosomen gaan op weg naar het
equatoriale vlak.
- Metafase, gespiraliseerde chromosomen liggen in het midden van de cel. Trekdraden lopen
van centromeer naar pool.
- Anafase, trekdraden trekken de chromatiden uit elkaar. De chromatiden zijn nu de nieuwe
chromosomen.
- Telofase, chromosomen despiraliseren. Vorming nieuwe kernen en celdeling
Bij planten ontstaat na een celdeling een middenlamel van pectine, waartegen de nieuwe cellen
cellulose afzetten. Via differentiatie specialiseren cellen zich in een bepaalde taak. Elke
gedifferentieerde cel heeft een eigen eiwitsamenstelling. Door ongecontroleerde celdeling ontstaat
een tumor. Kanker is een kwaadaardige tumor, met uitzaaiingen.
4.1: nieuw leven: (vooral hormonen)
Bij de bevruchting versmelt de kern van de eicel met de kern van een zaadcel.
- Zaadcellen dringen door de follikelcellen zona pellucida eerste zaadcel met het
celmembraan van de eicel versmelt met het celmembraan DNA-zaadcel komt in celkern
eicel zygote (bevruchte eicel)
Een bevruchte eicel deelt door klievingsdelingen (deling waarbij cellen niet groeien).
, Op dag 6/7 na de bevruchting vindt de innesteling plaats (het ingroeien van het embryo in het
baarmoederslijmvlies). Het embryo bestaat uit een blaasje (blastula). De meeste cellen zitten aan de
buitenkant van het blaasje (trofoblast). Binnen de trofoblast vormt zich een kiemschijf, waaruit het
embryo ontstaat. Hieromheen ontstaan de amnionholte en het dooierblaasje. De wand van de
amnionholte vormt samen met de chorion de vruchtvliezen. Na acht weken zijn alle organen
aangelegd en is er sprake van een foetus.
In de eerste weken van de ontwikkeling zijn er uit- en inwendig nog geen verschillen tussen een
jongen en een meisje. Meisjes hebben tweekeer een X-chromosoom. Jongens één keer een X-
chromosoom en één keer een Y-chromosoom, op het Y-chromosoom ligt het SRY-gen dat beïnvloedt
de gebeurtenissen voor een jongen. Bij een meisje wordt deze niet geactiveerd.
Vrouwelijke geslachtsorganen en mannelijke geslachtsorganen in boek en anders samenvatting
Primaire geslachtskenmerken: geslacht van de foetus, balzak, zaadballen, prostaat, schaamlippen
enzovoort
Secundaire geslachtskenmerken: hormonen, beharing, stembanden enzovoort
Tertiaire geslachtskenmerken: geestelijke hormonen (seksuele voorkeur)
4.2: vorming geslachtscellen:
De kern van een lichaamscel bestaat uit 46 chromosomen. Lichaamscellen zijn diploïd (2n), ze hebben
dus 23 chromosomenparen eentje van de vader eentje van de moeder (beide erfelijke
eigenschappen). Geslachtscellen zijn haploïd (n). Ze hebben 23 verschillende chromosomen (bevatten
alle erfelijke eigenschappen maar in enkelvoud).
De geslachtscellen (gameten) ontstaan door meiose. Tijdens meiose I gaan de chromosomen van elk
paar uit elkaar er zijn nu twee haploïde cellen (2 x n). Tijdens meiose II gaan de chromatiden van elk
chromosoom uit elkaar, er zijn nu vier haploïde cellen (4 x n). Door crossing-over tijdens profase I
ontstaan er recombinante chromatiden; dat levert een grotere erfelijke variatie in de geslachtscellen
(bron 7 en binas).
Vrouwelijke geslachtscellen (oögenese):
Meiose begint bij meisjes in het foetale stadium en stopt in de profase I. vanaf de puberteit gaat
onder invloed van FSH de meiose weer door tot aan de overgang. Meiose I eindigt met een ongelijke
verdeling van het grondplasma; 1 cel krijgt vrijwel alles secundaire oöcyt. De andere cel blijft heel
klein poollichaampje. De secundaire oöcyt begint aan meiose II en stopt in metafase II. De oöcyt
komt nu vrij uit de follikel ovulatie.
Mannelijke geslachtscellen (spermatogenese):
Spermatogenese en dus ook meiose begint bij jongens in de puberteit. (bron 8)
4.3: hormonale regeling:
De hypothalamus stimuleert via releasing-hormonen (GnRH) de afgifte van FSH en LH door de
hypofyse, beide zijn voortplantingsorganen. Door het bloed komen ze overal in het lichaam maar de
zaadballen en eierstokken reageren erop.
Bij jongens stimuleert FSH de productie van zaadcellen in de zaadballen. LH stimuleert de vorming
van testosteron door de cellen van Leydig
- Testosteron beperkt de LH-productie (negatieve terugkoppeling) en voorkomt zo
overproductie van testosteron
- Testosteron heeft net als FSH een stimulerende invloed op productie van zaadcellen
Onder invloed van testosteron verandert het lichaam en maakt het secundaire geslachtskenmerken.