Hoofdstuk 7
Aangepaste true score schatting, dit houdt rekening met de meetfouten en dus met de
betrouwbaarheid van de toets:
X t^ =X est = X́ + R XX (X o − X́ )
i i
- Wanneer: R XX =0, X t^ =X i
Er zijn geen betrouwbare individuele verschillen in de true score
- Wanneer: R XX =i , X ^t =X o
i i
Geobserveerde score is gelijk aan de true score
Hoe verder je van het gemiddelde zit, hoe meer vertekeningen er aanwezig zijn. Dit is
natuurlijk niet altijd het geval.
Wanneer je kinderen selecteert voor een interventie aan de hand van geobserveerde scores,
is het mogelijk dat er kinderen voor een interventie worden geselecteerd die dit niet nodig
hebben, of andersom. Hierdoor kan het lijken dat en interventie goed heeft gewerkt, omdat
het kind de tweede keer beter scoort, terwijl het kind de eerste keer dezelfde true score zou
hebben.
Confidence interval true score:
Het is belangrijk om een punt score niet te serieus te nemen, dit kan namelijk een vertekend
beeld geven. Er kan beter worden gekeken naar het range true scores. Deze range wordt
bepaald door de betrouwbaarheid van de toets, hoe betrouwbaarder de toets is, hoe kleiner
de range aan mogelijk true scores is.
S X =sem =S X
E o
√1−R XX '
O
95% confidence interval ¿ X O ± 1.96 × sem
(In dit geval is het 1.96, maar dit is afhankelijk van de Z-score die bij het confidence interval
hoort).
Interpreteren interval:
Wanneer je 100 keer een herhaling uitvoert, zal 95 van de herhalingen een score binnen de
range hebben.
Gedragsonderzoek:
De correlatie tussen twee geobserveerde scores van twee metingen r X Y worden bepaald
o o
door:
- De correlatie tussen de true scores: r X Y t t
Hoe hoger de true score correlatie is, hoe hoger de geobserveerde correlatie is.