1.1 Criminaliteitsproblemen, analyse en agendavorming
Criminaliteitsproblemen
Volgens Hoogerwerf is een probleem een verschil/discrepantie tussen:
1) Een maatstaf (norm, beginsel)
2) Een voorstelling van een bestaande of verwachte situatie (subjectieve feiten)
Het gaat dus niet alleen om feiten maar is ook afhankelijk van bijvoorbeeld de normen of
voorstelling die iemand heeft. Daarom ziet niet iedereen hetzelfde als een probleem.
Normen verschillen tussen mensen en bevolkingsgroepen. Ze zijn vaak onderdeel van een
groter geheel en kunnen samenhangen met belangen die mensen hebben.
Deze belangen worden tegen elkaar afgewogen (bv. gezondheid vs. bestrijding criminaliteit
bij accijns op sigaretten) en zo wordt bepaald wat er op de politieke agenda komt. Ook de
media en grote bedrijven hebben hier invloed op. Welk aspect het belangrijkst is, kan van
tijd tot tijd en van land tot land verschillen.
Agendavorming
Het is niet vanzelfsprekend dat een probleem op de politieke agenda komt wanneer er een
verschil is tussen normen en de werkelijkheid. Er zijn verschillende modellen voor de
politieke besluitvorming die bepaalt welke problemen worden behandeld:
1) Kloofmodel: rationeel model. Hierbij is alleen discussie over wat de norm is.
2) Barrière-model: hierbij is aandacht voor bv. de rol van de media en hoe problemen
op de politieke agenda komen. Er zijn te veel problemen om te behandelen en
daarom kan je soms op bepaalde momenten beter aandacht vragen voor bepaalde
problemen dan andere.
Sommige problemen blijven hierdoor lange tijd onder de radar (bv. aardbeving-
probleem in Groningen).
3) Stromenmodel: (Kingdon, 1995). Hierbij is policy window een belangrijk begrip:
Op sommige momenten is het mogelijk om bepaald beleid tot stand te brengen. Op
andere momenten is deze ‘window’ simpelweg gesloten.
Een window kan open komen te staan door het samenvloeien van:
1) Problemen (en aandacht voor problematisch geachte situaties)
2) Oplossingen/beleidsalternatieven
3) Steun
Beleidsvorming is dit model wordt dan ook als een politiek proces omschreven
waarbij deze drie punten met elkaar moeten samenvloeien.
Wanneer het op criminaliteit aankomt, zit er vaak een duidelijk verschil tussen het beeld in
de media en wat blijkt uit onderzoek. In de media zien we wrede daders en hulpeloze
slachtoffers. Maar uit onderzoek kunnen verschillende motieven, gedeelde belangen (tussen
daders en slachtoffers) en soms ook medewerking van slachtoffers blijken (co-productie).
1
,1.2 Fallacies about crime
‘Fallacies about crime’ zijn foute denkbeelden over de criminaliteit. Marcus Felson kwam
met 8 van deze verkeerde denkbeelden.
1. The Dramatic Fallacy
De media verstoort het beeld van criminaliteit voor eigen doeleinden. Hiermee worden
onjuist beelden van criminaliteit gecreëerd.
2. The Cops-and-Courts Fallacy
Het belang en de invloed van politie en justitie in het voorkomen van criminaliteit wordt
overschat.
3. The Not-Me Fallacy
Criminaliteit wordt door iedereen gepleegd en de ‘crimineel’ is niet heel verschillend van
ons zelf (denk aan fraude, kleine diefstal).
4. The Innocent-Youth Fallacy
Kinderen zijn geen onschuldige toeschouwers, maar zijn oververtegenwoordigd als daders.
(LET OP volgens docent: dit gaat alleen over bepaalde vormen van criminaliteit, bij anderen
vormen zijn ouderen wel oververtegenwoordigd. Bv. witteboordencriminaliteit of
georganiseerde misdaad)
5. The Ingenuity Fallacy
Veel criminaliteit is relatief eenvoudig en veel daders hebben niet veel specifieke
vaardigheden. Ofwel, criminaliteit is niet heel moeilijk.
6. The Organized-Crime Fallacy
Aan criminele samenwerkingsverbanden (en in het bijzonder jeugdgangs) wordt een veel
hogere organisatiegraad en professionaliteit toegedicht dan zij in werkelijkheid bezitten.
7. The Big Gang Fallacy
De omvang, macht en rol van jeugdgroepen wordt zwaar overdreven.
8. The Agenda Fallacy
Criminaliteit wordt gebruikt door mensen om steun te verwerven voor hun eigen morele,
religieuze of politieke agenda.
9. The Science-First Fallacy (door docent zelf bedacht)
Wetenschap/analyse vormt maar één van de onderdelen van het proces van
agendavorming, beleidsvorming en beleidsevaluatie.
Wetenschappers zijn onderdeel van een politiek proces en worden soms misbruikt door
opdrachtgevers of bedrijven.
2
, 2.1 Georganiseerde criminaliteit
Agendavorming, definitie en beeldvorming
In de jaren ’70 en ’80 komt de georganiseerde criminaliteit in Nederland op. In andere
landen als Italië kenden we dit al.
Eind jaren ’80 en begin jaren ’90 komt dit op de politieke agenda, tegelijkertijd met wanneer
Italië voor het eerst de maffia begint te bestrijden. Na de moord op twee Italiaanse
onderzoeksrechters, komt er in 1992 een nota waarin wordt gesteld dat de criminaliteit in
Nederland maffia-vormen begint aan te nemen. Het dreigingsbeeld dat in de deze nota
centraal stond was geïnspireerd op de Italiaanse en Amerikaanse maffia, en had twee
kenmerken:
1) Racketeering: de georganiseerde misdaad treedt op als alternatieve overheid. Zij
controleren regio’s en economische sectoren. Ze infiltreren dus vanuit de
onderwereld in de bovenwereld.
2) Bureaucratische organisaties/piramides
Vervolgens werden allerlei wetten ingevoerd die dit tegen zouden moeten gaan, zoals het
melden van ongebruikelijke transacties. Bovendien werden er interregionale
rechercheteams opgericht (IRT’s).
Aard, omvang en schade
Later ontstond discussie over deze IRT’s en hun opsporingsmethodes. Als gevolg hiervan
werd voor een parlementaire enquête, de Commissie-Van Traa aangesteld. Die stelde
vervolgens weer de onafhankelijke onderzoeksgroep Fijnaut aan om de aard, ernst en
omvang van georganiseerde misdaad moest onderzoeken.
Er zijn veel verschillende definities van georganiseerde misdaad. De meeste definities
omvatten kenmerken van groepen en criminele activiteiten. In de ene definitie ligt de
nadruk meer op groepen, en in de ander meer op de activiteiten. Deze definities dienen
georganiseerde criminaliteit af te grenzen van gerelateerde problemen zoals:
1) Terrorisme
2) Organisatiecriminaliteit
3) Witteboordencriminaliteit
4) Professionele criminaliteit
3