CGO Casus 1.1: Noor (bijeenkomst 1)
Leerdoelen:
• De student legt uit wat zelfmanagement is en is in staat om zich aan te passen aan de mate
van regie van de zorgvrager.
- Zelfmanagement → is het beslissen en handelen van een individu op basis van
persoonlijke keuzes om de gevolgen van een aandoening op het leven te reguleren.
▪ Zelf bepalen en beslissen welke zorg je wilt of wat je met je
leven/gezondheid wilt.
• De student kan uitleggen wat de ICF is;
- ICF-model = “International Classification of Functioning”
▪ Het ICF-model beschrijft hoe mensen
omgaan met hun gezondheidstoestand en hoe
zijn daarbij functioneren.
▪ Daarnaast is het handzaam om de problemen
van een cliënt te structureren.
• De student kan casuïstiek analyseren met gebruikmaking van de ICF online;
• De student kan uitleggen wat de 'Gezonde school - aanpak' inhoudt.
- De Gezonde School-aanpak vraagt om structurele aandacht voor gezondheid en
gezonde leefstijl en richt zich op de vier pijlers Educatie, Schoolomgeving, Signaleren
en Beleid.
- Het doel van de Gezonde School-aanpak is een gezonde leefstijl vanzelfsprekend te
maken voor leerlingen en studenten.
Tijdens de Les:
• TPB-model:
- Attitude (→ wat zijn voor- en nadelen van het gedrag, hoe sta je er zelf in)
(→ voorbeeld waarom vind u dat u iets moet doen aan het gedrag, wat zijn de voor
en nadelen van uw gedrag?)
- Subjectieve normen (→ invloeden van buitenaf/omgeving, sociale normen)
- Self-efficacy (waargenomen gedragscontrole) (→ hoe goed je iets kan, bepaald
vertrouwen wat mensen hebben om iets te kunnen doen).
(Voorbeeld → kunt u een paar manieren noemen waarop je iets effectief kunt
doen?)
, VTV Casus 1.1: Noor (Infusie)
Leerdoelen:
• De student kan indicaties benoemen voor het inbrengen van een perifeer infuus;
- Toediening van vloeistoffen (vocht bijvoorbeeld);
- Toediening van medicijnen (antibiotica, pijnstilling, chemotherapie, noodmedicatie);
- Toediening van voeding (parenterale voeding wanneer oraal of enteraal niet
mogelijk is);
- Bloedtransfusie (toediening van bloed of bloedproducten);
- Diagnostische of therapeutische procedures (bijvoorbeeld voor CT- of MRI-scans);
- Monitoring en diagnostiek (bloedafname, centraal veneuze druk);
- Acute situaties (sepsis, hartstilstand of ernstige allergische reacties).
• De student kan contra indicaties benoemen voor het inbrengen van een perifeer infuus;
- Lokale infectie of ontsteking;
- Lymfadenectomie of lymfoedeem;
- Trombose of flebitis;
- Arterioveneuze fistel;
- Slechte circulatie;
- Verstoorde anatomie of motorische functies;
- Fragiele of beschadigde aders;
- Bepaalde medicatie of therapieën;
- Pacemaker of geïmplanteerde apparaten;
- Bewegingsbeperking of trauma.
• De student kent de mogelijke complicaties en nodige handelingen/interventies bij het
inbrengen van een perifeer infuus;
→ Complicaties:
- Lokale complicaties:
▪ Flebitis → ontsteking van de aderwand door irritatie door de katheter of de
toegediende stoffen;
▪ Tromboflebitis → ontsteking van de ader gepaard met thrombusvorming;
▪ Infiltratie of extravasatie → onbedoelde lekkage van vloeistof uit de ader
inhet omliggende weefsel;
▪ Hematomen → bloeding onder de huid bij of na het inbrengen van het
infuus, zichtbaar als blauwe plek;
▪ Infectie → lokale infectie op de infuusplaats;
- Systeem complicaties → sepsis (ernstige, systemische infectie), embolie
(luchtembolie), trombo-embolie (losraken van een trombus (bloedprop));
- Mechanische complicaties → katheterdislocatie, verstopping;
- Complicaties door toegediende medicatie → irritatie of weefselbeschadiging,
allergische reacties;
- Overige complicaties → overvulling (hypervolemie), hypo- of hyperkaliëmie.
→ Nodige behandelingen/interventies:
1. Voorbereiding van de patiënt;
2. Hygiënemaatregelen;
3. Materialen en apparatuur;
4. Inbrengen van het infuus;
5. Controle en bevestiging;
6. Nazorg en monitoring;
7. Verwijderen van het infuus indien niet meer nodig.
,• De student kan toelichten welke plaatsen geschikt zijn voor het inbrengen van een perifeer
infuus;
- Handrug → eenvoudig toegankelijk en geschikt voor korte-termijngebruik;
- Onderarm → meestal goed zichtbare en voelbare aderen, relatief minder kans op
complicaties en bewegingsbeperking;
- Elleboogplooi → vaak goed gevulde en gemakkelijk aan te prikken ader;
- Bovenarm → grotere aderen die stabieler zijn voor infusen die langer blijven zitten;
- Voet → alternatieve locatie wanneer andere sites niet geschikt zijn;
- Hoofd of scalp → toegang mogelijk wanneer andere aderen moeilijk te bereiken zijn;
→ Overwegingen bij het kiezen van de locatie → duur van het infuus, toediening van
irriterende medicatie, mobiliteit en conditie van de aderen.
• De student kan aandachts- en kritieke punten bij infuustherapie benoemen en
verduidelijken;
- Voorbereiding → juiste indicatie en keuze van infusietherapie, selectie van
infuuslocatie, gebruik van steriele techniek;
- Inbrengen van het infuus → veilige en aseptische techniek, correcte plaatsing en
fixatie, beoordeling van terugvloei;
- Toediening van vloeistoffen en medicatie → juiste dosering en snelheid,
compatibiliteit van vloeistoffen en medicatie, controle op allergieën;
- Observatie en monitoring → regelmatige controle van de infuusplaats, monitoring
van de patiënt, documentatie;
- Complicatiepreventie → voorkomen van infecties, preventie van flebitis, voorkomen
van luchtembolie;
- Bij complicaties → onmiddellijke actie bij complicaties, verwijderen van het infuus;
- Communicatie en educatie → informatie voor de patiënt, instructies voorverzorgers;
- Documentatie en evaluatie → gedetailleerde registratie, evaluatie van de therapie.
• De student is op de hoogte van de verschillende maten perifeer IV-canule en kan een keuze
maken welke te gebruiken en wanneer;
- Keuze van de juiste maat:
▪ De conditie van de ader;
▪ Het type infuus;
▪ Het comfort van de patiënt.
• De student kan een infuussysteem vullen en aseptisch aansluiten op de IV-canule;
, • De student kan verschillende types shock benoemen en bijpassende verpleegkundige
interventies toepassen.
- Hypovolemische shock (→ verlies van circulerend bloedvolume door bloeding,
uitdroging, brandwonden of ernstige diarree):
▪ Verpleegkundige interventies → vochttoediening, bloedtransfusie,
bloeddruk en hartslagmonitoring, controle van vochtbalans, vermindering
van bloedverlies.
- Cardiogene shock (→ verminderde pompwerking van het hart, vaak door een
myocardinfarct, hartfalen of hartritmestoornissen):
▪ Verpleegkundige interventies → toediening van zuurstof, positionering,
medicatiebeheer, monitoring van vitale functies, ondersteuning bij
diagnostische onderzoeken.
- Distributieve shock
→ Septische shock (→ systemische infectie die leidt tot een ernstige
ontstekingsreactie en vaatverwijding):
▪ Verpleegkundige interventies → antibioticatoediening, vochttoediening,
monitoring van vitale functies, zuurstoftoediening, infectiebron
identificeren.
→ Anafylactische shock (→ ernstige allergische reactie op een stof):
▪ Verpleegkundige interventies → toediening van adrenaline,
zuurstoftoediening, medicatiebeheer, patiëntpositionering, monitoring van
vitale functies.
→ Neurogene shock (→ beschadiging van het zenuwstelsel, vaak door een
ruggenmergletsel, waardoor er verlies van vasculaire tonus en vaatverwijding
optreedt:
▪ Verpleegkundige interventies → vochttoediening, medicatiebeheer,
zorgvuldige positionering, monitoring van vitale functies, warmteverlies
voorkomen.
- Obstructieve shock (→ obstructie in de bloedstroom, zoals door een longembolie,
harttamponnade of spanningspneumothorax):
▪ Verpleegkundige interventies → noodinterventies, zuurstoftoediening,
monitoring vitale functies, ondersteuning bij diagnostische procedures.