1. De student (her)kent ontwikkelingen en trends in het vakgebied
Communicatie.
Data-driven en real-time
emotie en de sociale context
van tekst naar beeld
transparantie en open communiceren
duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen.
2. De student is bekend met de begrippen visie en missie en (de
leiderschapsstijlen en cultuurdragers).
Visie: Toekomstbeeld van de organisatie.
Missie: Omschrijving van de kernwaarden en doelen op lange termijn.
Leiderschapsstijlen:
Autoritaire stijl: Hebben medewerkers weinig tot geen invloed op de
besluitvorming
consultatieve stijl: Vraagt advies aan een aantal medewerkers in de organisatie.
Met name staf- en de beleidsmedewerkers.
managementstijl: Management bemoeit niet met details. Vooraf stellen het
management en medewerkers concrete doelen.
Situationeel stijl: betekent dat leidinggevenden zich aanpassen aan en inspelen op
wat er concreet gebeurt in de organisatie.
3. De student kent de drie lagen en twaalf bouwstenen van het Communicatie
Canvas.
Drie lagen: Analyse, denken en doen
Twaalf bouwstenen
4. De student kan uitleggen wat de termen/modellen positionering,
positioneringsruit, content circle (contentstrategie) en storytelling inhouden.
Positionering: gaat over hoe een merk, product of organisatie zich onderscheidt in de
markt en in de perceptie van de doelgroep. Het draait om de unieke plek die je inneemt
ten opzichte van concurrenten.
Positioneringsruit:
,De stappen van de content circle:
Stap 1: Bepaal de communicatiedoelen
Stap 2: Omschrijf de social persona's.
Stap 3: Formuleer het kernthema en de topics.
Stap 4: Creëer een mediaplatform
Stap 5: Maak een contentkalender.
Stap 6: Stimuleer de interactie.
Storystelling: is een techniek waarbij verhalen worden gebruikt om informatie over te
brengen, mensen te boeien en emoties op te roepen. Het is al eeuwenlang een essentieel
onderdeel van menselijke communicatie.
5. De student heeft kennis van typografie bij het gebruik van beeldtaal
Wat je moet weten over typografie in beeldtaal: Basisprincipes van typografie, Typografie
en beeld en Toepassingen in communicatie.
6. De student heeft kennis van kleur bij het gebruik van beeldtaal.
Primaire kleuren: Rood, geel, blauw (basis voor alle andere kleuren).
Secundaire kleuren: Groen, oranje, paars (ontstaan door primaire kleuren te mengen).
Tertiaire kleuren: Mengvormen van primaire en secundaire kleuren.
Kleurenwiel: Hulpmiddel om kleuren te combineren.
Complementaire kleuren: Kleuren tegenover elkaar op het kleurenwiel zorgen voor
contrast.
Analoge kleuren: Kleuren die naast elkaar liggen (bv. blauw, groen en turquoise)
werken harmonieus samen.
7. De student kent de verschillende fases (SEE, THINK, DO, CARE) en mogelijke
touchpoints van de customer journey.
De customer journey is de klantbelevingsreis.
SEE (Bewustwording): In deze fase komt de doelgroep voor het eerst in aanraking
met het merk. Het doel is zichtbaarheid creëren zonder direct een commerciële
boodschap te pushen.
THINK (Overweging): De doelgroep overweegt actief een oplossing voor hun
behoefte of probleem.
DO (Aankoopbeslissing): In deze fase is de klant klaar om een beslissing te
nemen. Hier draait het om conversiegerichte content, zoals productpagina’s,
demo’s, kortingen en call-to-actions.
CARE (Nazorg en loyaliteit): Na de aankoop is het belangrijk om klanten te
behouden en te binden. Dit gebeurt door middel van after-sales service,
loyaliteitsprogramma’s en gepersonaliseerde follow-ups.
8. De student kent de betekenis, functies en belangrijke stappen van een
debriefing.
Betekenis: een gestructureerd en beknopt overzicht van een bespreking tussen twee
partijen.
Functies: Stappen:
wie is de aanvrager: Bedrijfsnaam, voor- en achternaam contactpersoon, email,
telefoonnummer, afdeling, datum aanvraag, datum terugkoppeling.
uitdaging: in 1 zin→ [bedrijfsnaam] wil [een oplossing] om [het probleem] te
voorkomen.
achtergrond: wie is opdrachtgever? Welke diensten? Geschiedenis, info.
aanleiding: waarom doen we dit?
doelstelling: doelstellingen duidelijk van het bedrijf.
oplevering: precies vertellen wat je gaat doen → product/dienst, welk boodschap,
welke tone-of-voice, moodboard
randvoorwaarden: duidelijk wat minimaal is en wat maximale is wat jullie doen.
effecten: is er een hoger doel? Maatschappelijk onderwerp? Politieke kwestie?
gebruikers van het eindresultaat: wie is je doelgroep? Waren tonen ze bepaald
gedrag? Enz.
wensen: wat de opdrachtgever wil
relatie met andere projecten: waarmee heeft dit project mee te maken?
, 9. De student is op de hoogte van de manieren/methodes waarop je
doelgroepen kan analyseren (onder andere persona en empathie map).
Persona: gedetailleerde schets van (een fictief) iemand uit de doelgroep.
Empathie map:
10. De student kent alle rollen, typen bijeenkomsten en begrippen/lijsten van
agile scrum
Het gebruik van scrum vindt plaats als: Het niet zeker is hoe het project gaat verlopen en
als er veel partijen betrokken zijn
De rollen:
De product owner: verantwoordelijk voor het maximaleren van het product.
De scrum master: verantwoordelijk voor correcte wijze uitvoeren van scrum.
Belemmeringen oplossen en duidelijk maken voor iedereen wat er wordt gedaan in
de sprint.
Sprintplanning: Hele team aanwezig. De scrum master zorgt voor dat de
bijeenkomst plaatsvindt en dat het doel voor iedereen belangrijk is.
Product back log: lijst met ontwikkelwerk.
Sprint back log: de taken die worden uitgevoerd in de sprint weken.
11. De student herkent gedragsmodellen zoals systeem 1 en systeem 2 van
Kahneman
Systeem 1 je automatische systeem: snel, automatisch, emotioneel en onbewust.
Systeem 2 is rationele systeem: langzamer en doelbewuster.
12. De student weet hoe zij communicatiedoelstellingen moet opstellen
3 soorten doelen:
Organisatie doelen: gaan over de plaats en functie van de organisatie in de
maatschappij en haarbijdrage aan de samenleving.
Marketingdoelen: gaan over omzet, wint en marktaandeel en concurrentie.
Communicatiedoelen: afgeleid uit marketing- en organisatie doelen.
Communicatiedoelen beschrijven wat je wilt bereiken met je communicatie. Te
beschrijven in kennis, houding en gedrag. Oftewel: weten, vinden en doen.
SMART-doelen: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Relevant en Tijdgebonden.
13. Student is bekend met de termen big data, data analystics en data mining.
Big data: grote hoeveelheid gegevens online.
Data analystics: het analyseren van data om beter inzicht te krijgen over het
gedrag.
Data mining: Gericht zoeken naar (statistische) verbanden tussen verschillende
gegevensverzamelingen.