,samenvatting contextuele hulpverlening 3e herziene druk Karlan van Ieperen-Schelhaas 9789036825467
, samenvatting contextuele hulpverlening 3e herziene druk Karlan van Ieperen-Schelhaas 9789036825467
Super compacte tentamen samenvatting HST 1 – 7 + oefentoets
Hoofdstuk 1: het begrip context
Context
ieder mens is verweven met mensen om hem heen. Dus geen losstaand opzichzelfstaand
individu. Context verwijst naar netwerk van betekenisvolle relaties. In eerste plaats zijn het
directe familierelaties. Gezin waarbinnen degene opgroeit. Maar ook grotere,
intergenerationele, familiebanden behoren tot context. Ook samenhang tussen verschillende
generaties waaruit iemand is voortgekomen. Verbondenheid in vier generaties: grootouders,
ouders, kinderen en kleinkinderen. Familierelaties worden gegeven relaties genoemd ( in dit
gezin/familie geboren/kan niet verbroken worden). Ex-ouders bestaan niet ook al zie je ze jaren
niet.
Verworven relaties= relaties die iemand in de loop van zijn leven opdoet, die je verwerft.
(klasgenoten/buren /partner), deze relaties kunnen verbroken worden. Het begrip context
verwijst naar het hele netwerk van gegeven en betekenisvolle verworven relaties.
Overdracht binnen relaties tentamen!!
Groot deel van pijn en vreugde wordt in het persoonlijke leven en in de levensgeschiedenis van
een persoon bepaald door de context waarbinnen hij geboren is. En problemen die iemand
ervaart in verworven relaties samenhangen met relatiepatronen zoals zich in het gezin van
herkomst, in gegeven relaties, hebben ontwikkeld. Dus beeld krijgen van datgene wat in context
speelt of wordt overgedragen. Vier aspecten onderscheiden: erfelijke aanleg, sociale omgeving,
gebruik en gewoonten, normen en waarden.
1. Erfelijke aanleg; erfelijkheid (nature). Eigenschappen die door genetische aanleg zijn
bepaald: blonde haren. Soms slaat het generatie over. Opeens is het er weer.
Kleinkind zelfde flaporen als grootvader.
2. Sociale omgevingsfactoren; opvoeding en leefomstandigheden (nurture). Wat in aanleg wel
gegeven is, komt mogelijk niet of nauwelijks tot uiting in een omgeving waarin dit
nauwelijks aangemoedigd wordt. Of wat je in aanleg minder hebt meegekregen, zou in
stimulerende omgeving tot bloei kunnen komen dan in andere omstandigheden. Dus
karaktereigenschappen/talenten niet alleen nature, genetisch, maar ook sociale omgang.
3. Gewoonten en gebruiken; wat binnen de persoonlijke omgang tussen ouders en kinderen
worden overgedragen. Iets unieks, dat zich onderscheidt van andere gezinnen. Sommige
gewoonten als waardevol en anderen als knellend ervaren. Wanneer iemand
geconfronteerd wordt met heel andere gewoonten in het eigen gezin of binnen de eigen
familie gelden, worden die niet zelfden als raar of vreemd beleefd.
4. Normen en waarden; veel gewoonten en gebruiken vinden hun oorsprong in opvattingen
over wat hoort en wat niet hoort. Niet alleen gewend om op deze manier te doen, maar
dat het ook hoort te doen. Deze normen, waarden en omgangsregels worden als