Samenvatting tentamen ontwikkelingspsychologie Sophie van
Laere
H.1 Inleiding ontwikkelings- en levenslooppsychologie
H.1.1 Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie
H.1.1.1
Ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie naar groei, verandering
en stabiliteit van conceptie tot ouderdom. Ook wel levenslooppsychologie
genoemd.
De reikwijdte noemen we aanzienlijk vanwege de veel uiteenlopende
onderwerpen.
Onderzoek naar kinderen; 4 centrale thema’s
1. Fysieke ontwikkeling = betrekking op de fysieke opbouw van het lichaam,
zoals de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de
behoefte aan eten, drinken en slaap.
2. Cognitieve ontwikkeling = betrekking op de manier waarop het gedrag van
mensen wordt beïnvloed door groei en verandering in de eigenschappen
die de ene persoon van de andere onderscheiden.
3. Sociale ontwikkeling = betrekking heeft op de sociale relaties en
interacties met anderen en op duurzame eigenschappen die de ene
persoon van de andere onderscheiden
4. Persoonlijkheidsontwikkeling = “ “
Ontwikkelingspsychologen richten zich (meestal) op een van deze
thema’s en specialiseren zich. Binnen hun specialisatie kijken ze naar
specifieke leeftijden, gecategoriseerd:
1. Prenatale periode conceptie tot geboorte
2. Baby- en peutertijd geboorte tot 3 jaar
3. Kleutertijd 3 tot 6
4. Peutertijd 6 tot 12
5. Adolescentie 12 tot 20
We hebben het over gemiddelden.
Het bereiken van adolescentie heeft bijvoorbeeld te maken met seksuele rijping
en deze vindt per persoon op een verschillend tijdstip plaats.
Prenatale periode en baby-en peutertijd is wel afgebakend.
Tijdstippen waarop gebeurtenissen zich in het leven van mensen voltrekken kan
variëren door:
1. Biologische oorzaken Bijv. een is sneller volgroeid dan een ander.
2. Omgevingsfactoren (cultuurverschillen) bijv. uithuwelijken.
1.1.2 invloed van cohorten op ontwikkeling
Cohort = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek is geboren.
Mensen die tot een cohort behoren zijn onder heven aan een aantal
1
,Normatieve gebeurtenissen = gebeurtenissen die zich voor de meeste leden van
een groep op dezelfde manier voltrekken. Bijv. Bereiken van de puberteit,
beginnen aan verplicht onderwijs
= gericht op omgeving
Normatieve gebeurtenissen kunnen biologisch, sociaal of cultureel bepaald zijn.
Ontwikkeling wordt ook bepaald door: normatieve invloeden = etnische afkomst,
sociale klasse, lidmaatschap, bepaalde subcultuur.
= persoonlijk gericht
Deze leiden tot conformiteit omdat men voor de gevolgen van afwijkend gedrag
vreest.
1.2 kinderen: verleden, heden en toekomst
Middeleeuwen: kinderen werden gezien als imperfecte miniatuurvolwassen. Dit
werd in de kunst zo afgebeeld, vooral gelet op de kleding. Pas rond 1600 kregen
kinderen een eigen status.
Baby biografieën = een van de eerste geschriften waarin kinderen methodisch
werden bestudeerd. Dit werd gedaan door ouders. Ze legden de fysieke en
taalkundige maalpijlen van hun kind(eren) vast.
Charles Darwin: ontwikkelde een evolutietheorie die ervoor zorgde dat de
observatie van kinderen een systematisch karakter kreeg. Het begin van een
nieuwe kijk.
Dankzij nieuwe psychologische inzichten werden mensen zich bewust dat
gebeurtenissen tijdens hun jeugd van invloed zijn op het verdere leven.
Belangrijke sociale veranderingen leidde ertoe dat de ontwikkelingspsychologie
als apart vakgebied werd erkent.
1.2.2 ontwikkelingspsychologie als discipline
Wetenschappers die de basis van de ontwikkelingspsychologie legden, hadden
als doel: ze wilden de aard van groei, verandering en stabiliteit tijdens de
kindertijd en adolescentie op een wetenschappelijke manier bestuderen.
1.2.3 vraagstukken bij de thema’s van de ontwikkelingspsychologie
Een van de belangrijkste kwesties binnen de ontwikkelingspsychologie is de
vraag of ontwikkeling zich continue of discontinue voltrekt.
Continue verandering geleidelijke verandering waarin prestaties zich op een
bepaald niveau voortvloeien uit eerdere niveaus
Kwantitatief =De ontwikkeling wordt groter of meer. Onderliggende
ontwikkelingsprocessen die aanzet geven tot verandering blijven gedurende het
hele leven hetzelfde.
Bijv. lichaam groeit geleidelijk. Sterke overeenkomsten met denken, praten en
handelen.
2
,Discontinue verandering verandering vindt plaats in verschillende
stappen/stadia.
Kwalitatief = want ieder stadium levert gedrag op dat anders is dan gedrag in
een eerder stadia (kleutertijd, kindertijd, adolescentie)
De ontwikkeling kan heel abrupt, oftewel discontinue, verlopen.
Maar ook invloed van de omgeving speelt een belangrijke rol.
Kritieke periode een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis de grootste gevolgen heeft.
Bijv. een liefdevolle volwassene naast je hebben in de vroegere kinderjaren is
noodzakelijk voor een veilige hechting.
Plasticiteit = de mate waarin ontwikkelingsgedrag of fysieke structuur kan
worden gewijzigd. Dit spreekt de kritieke periode dus een beetje tegen, want
plasticiteit gaat er vanuit dat ‘schade’ uit de vroege kinderjaren kan worden
hersteld in latere jaren.
Ontwikkelingspsychologen spreken nu liever van een ‘gevoelige periode’ =
hier zijn consequenties niet altijd blijvend. Een afgebakende periode, meestal
vroeg in het leven van een organisme, waarin dat organisme extra
gevoelig is voor bepaalde omgevingsinvloeden die betrekking hebben
op een bepaald facet van de ontwikkeling.
Maar ook: specifieke perioden = vroeger zagen ontwikkelingspsychologen de
babytijd en de adolescentie nadrukkelijk als belangrijkste perioden. Kindertijd
werd nauwelijks aandacht besteed.
Tegenwoordig anders conceptie tot en met adolescentie worden van belang
geacht.
Levensloopmodel = moderne theorieën ligt de nadruk op groei en verandering in
de loop van de levensduur en op verbanden tussen verschillende perioden.
Daarnaast speelt de relatieve invloed van nature en nurture nog een grote rol
Nature gedrag is het gevolg van eigen genetisch bepaalde natuur
Nurture gedrag is het gevolg van de fysieke en sociale omgeving
Maturatie = het proces van geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische
informatie
H.2 Theoretische perspectieven en onderzoek
H.2.1.1 psychodynamisch perspectief
Theorie: Psychodynamisch perspectief
Door: Sigmund Freud
Stelt: gedrag komt voor uit innerlijke krachten, herinneringen en conflicten
waarvan een persoon zich nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle
heeft.
VB: Marije 2 jaar, ouders gaan scheiden. Ze hebben veel ruzie. Nu Marije 28 is,
heeft ze moeite met het aangaan van langdurige relaties.
Ego = realiteitsprincipe. Rationeel en redelijk deel van de persoonlijkheid.
3
, Super ego = iemands geweten. Onderscheid goed/kwaad. Ontwikkeld rond 5/6
jaar.
Volgens Freud voltrekt de psychoseksuele ontwikkeling zich doordat kinderen
een aantal fasen doorlopen waarbij genot of bevrediging telkens met een ander
lichaamsdeel wordt geassocieerd.
Theorie: Psychosociale ontwikkeling
Door: Erik Erikson
Stelt: Dat mensen zowel gevormd als belemmerd worden door hun samenleving
en cultuur. Benadering van ontwikkeling die de veranderingen omvat in de
manier waarop we aankijken tegen onze interacties met anderen, tegen het
gedrag van anderen en tegen onszelf als leden van een maatschappij.
Volgens Erikson is er in elk stadium sprake van een crisis of conflict dat het
individu moet oplossen. Dit lukt nooit 100%.
H.2.1.3 Het cognitief perspectief
Theorie: het cognitief perspectief
Door: Jean Piaget
Stelt: processen stellen mensen in staat de wereld te leren kennen.
Aanvulling: Alle mensen doorlopen in een vaste volgorde een reeks universele
cognitieve ontwikkelingsstadia. Het denken van mensen is
opgebouwd uit schema’s.
Adaptie:
De manier waarop kinderen reageren en zich aanpassen aan nieuwe informatie.
Onder te verdelen:
Assimilatie
Proces waarbij mensen een ervaring interpreteren binnen hun huidige cognitieve
ontwikkelingsstadium en denkwijze.
Nieuwe ervaringen worden opgenomen in de ervaringen of structuur die een
individu al bezit.
Bijv. even veel knopen in elke rij, een rij verder uit elkaar, kind dat nog niet kan
tellen denkt dat daar meer knopen zijn dan bij de kortere rij.
Accommodatie
Proces waarin een bestaande manier van denken verandert in een reactie op een
nieuwe stimuli of gebeurtenis. Later als het kind ouder is en is blootgesteld aan
nieuwe ervaringen, zal de inhoud van de schema’s veranderen.
Als ze nu de kwantiteit begrijpt is er sprake van accommodatie. Nieuwe info in de
plaats van oude manier van denken/redeneren.
Piaget
Cognitieve fase Globale Voornaamste kenmerken
leeftijdscate
gorie
Sensomotorisch Geboorte – 2 Objectpermanentie = weinig tot geen
e fase jaar vermogen om dingen symbolisch waar te
4
Laere
H.1 Inleiding ontwikkelings- en levenslooppsychologie
H.1.1 Een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie
H.1.1.1
Ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie naar groei, verandering
en stabiliteit van conceptie tot ouderdom. Ook wel levenslooppsychologie
genoemd.
De reikwijdte noemen we aanzienlijk vanwege de veel uiteenlopende
onderwerpen.
Onderzoek naar kinderen; 4 centrale thema’s
1. Fysieke ontwikkeling = betrekking op de fysieke opbouw van het lichaam,
zoals de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de
behoefte aan eten, drinken en slaap.
2. Cognitieve ontwikkeling = betrekking op de manier waarop het gedrag van
mensen wordt beïnvloed door groei en verandering in de eigenschappen
die de ene persoon van de andere onderscheiden.
3. Sociale ontwikkeling = betrekking heeft op de sociale relaties en
interacties met anderen en op duurzame eigenschappen die de ene
persoon van de andere onderscheiden
4. Persoonlijkheidsontwikkeling = “ “
Ontwikkelingspsychologen richten zich (meestal) op een van deze
thema’s en specialiseren zich. Binnen hun specialisatie kijken ze naar
specifieke leeftijden, gecategoriseerd:
1. Prenatale periode conceptie tot geboorte
2. Baby- en peutertijd geboorte tot 3 jaar
3. Kleutertijd 3 tot 6
4. Peutertijd 6 tot 12
5. Adolescentie 12 tot 20
We hebben het over gemiddelden.
Het bereiken van adolescentie heeft bijvoorbeeld te maken met seksuele rijping
en deze vindt per persoon op een verschillend tijdstip plaats.
Prenatale periode en baby-en peutertijd is wel afgebakend.
Tijdstippen waarop gebeurtenissen zich in het leven van mensen voltrekken kan
variëren door:
1. Biologische oorzaken Bijv. een is sneller volgroeid dan een ander.
2. Omgevingsfactoren (cultuurverschillen) bijv. uithuwelijken.
1.1.2 invloed van cohorten op ontwikkeling
Cohort = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek is geboren.
Mensen die tot een cohort behoren zijn onder heven aan een aantal
1
,Normatieve gebeurtenissen = gebeurtenissen die zich voor de meeste leden van
een groep op dezelfde manier voltrekken. Bijv. Bereiken van de puberteit,
beginnen aan verplicht onderwijs
= gericht op omgeving
Normatieve gebeurtenissen kunnen biologisch, sociaal of cultureel bepaald zijn.
Ontwikkeling wordt ook bepaald door: normatieve invloeden = etnische afkomst,
sociale klasse, lidmaatschap, bepaalde subcultuur.
= persoonlijk gericht
Deze leiden tot conformiteit omdat men voor de gevolgen van afwijkend gedrag
vreest.
1.2 kinderen: verleden, heden en toekomst
Middeleeuwen: kinderen werden gezien als imperfecte miniatuurvolwassen. Dit
werd in de kunst zo afgebeeld, vooral gelet op de kleding. Pas rond 1600 kregen
kinderen een eigen status.
Baby biografieën = een van de eerste geschriften waarin kinderen methodisch
werden bestudeerd. Dit werd gedaan door ouders. Ze legden de fysieke en
taalkundige maalpijlen van hun kind(eren) vast.
Charles Darwin: ontwikkelde een evolutietheorie die ervoor zorgde dat de
observatie van kinderen een systematisch karakter kreeg. Het begin van een
nieuwe kijk.
Dankzij nieuwe psychologische inzichten werden mensen zich bewust dat
gebeurtenissen tijdens hun jeugd van invloed zijn op het verdere leven.
Belangrijke sociale veranderingen leidde ertoe dat de ontwikkelingspsychologie
als apart vakgebied werd erkent.
1.2.2 ontwikkelingspsychologie als discipline
Wetenschappers die de basis van de ontwikkelingspsychologie legden, hadden
als doel: ze wilden de aard van groei, verandering en stabiliteit tijdens de
kindertijd en adolescentie op een wetenschappelijke manier bestuderen.
1.2.3 vraagstukken bij de thema’s van de ontwikkelingspsychologie
Een van de belangrijkste kwesties binnen de ontwikkelingspsychologie is de
vraag of ontwikkeling zich continue of discontinue voltrekt.
Continue verandering geleidelijke verandering waarin prestaties zich op een
bepaald niveau voortvloeien uit eerdere niveaus
Kwantitatief =De ontwikkeling wordt groter of meer. Onderliggende
ontwikkelingsprocessen die aanzet geven tot verandering blijven gedurende het
hele leven hetzelfde.
Bijv. lichaam groeit geleidelijk. Sterke overeenkomsten met denken, praten en
handelen.
2
,Discontinue verandering verandering vindt plaats in verschillende
stappen/stadia.
Kwalitatief = want ieder stadium levert gedrag op dat anders is dan gedrag in
een eerder stadia (kleutertijd, kindertijd, adolescentie)
De ontwikkeling kan heel abrupt, oftewel discontinue, verlopen.
Maar ook invloed van de omgeving speelt een belangrijke rol.
Kritieke periode een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis de grootste gevolgen heeft.
Bijv. een liefdevolle volwassene naast je hebben in de vroegere kinderjaren is
noodzakelijk voor een veilige hechting.
Plasticiteit = de mate waarin ontwikkelingsgedrag of fysieke structuur kan
worden gewijzigd. Dit spreekt de kritieke periode dus een beetje tegen, want
plasticiteit gaat er vanuit dat ‘schade’ uit de vroege kinderjaren kan worden
hersteld in latere jaren.
Ontwikkelingspsychologen spreken nu liever van een ‘gevoelige periode’ =
hier zijn consequenties niet altijd blijvend. Een afgebakende periode, meestal
vroeg in het leven van een organisme, waarin dat organisme extra
gevoelig is voor bepaalde omgevingsinvloeden die betrekking hebben
op een bepaald facet van de ontwikkeling.
Maar ook: specifieke perioden = vroeger zagen ontwikkelingspsychologen de
babytijd en de adolescentie nadrukkelijk als belangrijkste perioden. Kindertijd
werd nauwelijks aandacht besteed.
Tegenwoordig anders conceptie tot en met adolescentie worden van belang
geacht.
Levensloopmodel = moderne theorieën ligt de nadruk op groei en verandering in
de loop van de levensduur en op verbanden tussen verschillende perioden.
Daarnaast speelt de relatieve invloed van nature en nurture nog een grote rol
Nature gedrag is het gevolg van eigen genetisch bepaalde natuur
Nurture gedrag is het gevolg van de fysieke en sociale omgeving
Maturatie = het proces van geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische
informatie
H.2 Theoretische perspectieven en onderzoek
H.2.1.1 psychodynamisch perspectief
Theorie: Psychodynamisch perspectief
Door: Sigmund Freud
Stelt: gedrag komt voor uit innerlijke krachten, herinneringen en conflicten
waarvan een persoon zich nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle
heeft.
VB: Marije 2 jaar, ouders gaan scheiden. Ze hebben veel ruzie. Nu Marije 28 is,
heeft ze moeite met het aangaan van langdurige relaties.
Ego = realiteitsprincipe. Rationeel en redelijk deel van de persoonlijkheid.
3
, Super ego = iemands geweten. Onderscheid goed/kwaad. Ontwikkeld rond 5/6
jaar.
Volgens Freud voltrekt de psychoseksuele ontwikkeling zich doordat kinderen
een aantal fasen doorlopen waarbij genot of bevrediging telkens met een ander
lichaamsdeel wordt geassocieerd.
Theorie: Psychosociale ontwikkeling
Door: Erik Erikson
Stelt: Dat mensen zowel gevormd als belemmerd worden door hun samenleving
en cultuur. Benadering van ontwikkeling die de veranderingen omvat in de
manier waarop we aankijken tegen onze interacties met anderen, tegen het
gedrag van anderen en tegen onszelf als leden van een maatschappij.
Volgens Erikson is er in elk stadium sprake van een crisis of conflict dat het
individu moet oplossen. Dit lukt nooit 100%.
H.2.1.3 Het cognitief perspectief
Theorie: het cognitief perspectief
Door: Jean Piaget
Stelt: processen stellen mensen in staat de wereld te leren kennen.
Aanvulling: Alle mensen doorlopen in een vaste volgorde een reeks universele
cognitieve ontwikkelingsstadia. Het denken van mensen is
opgebouwd uit schema’s.
Adaptie:
De manier waarop kinderen reageren en zich aanpassen aan nieuwe informatie.
Onder te verdelen:
Assimilatie
Proces waarbij mensen een ervaring interpreteren binnen hun huidige cognitieve
ontwikkelingsstadium en denkwijze.
Nieuwe ervaringen worden opgenomen in de ervaringen of structuur die een
individu al bezit.
Bijv. even veel knopen in elke rij, een rij verder uit elkaar, kind dat nog niet kan
tellen denkt dat daar meer knopen zijn dan bij de kortere rij.
Accommodatie
Proces waarin een bestaande manier van denken verandert in een reactie op een
nieuwe stimuli of gebeurtenis. Later als het kind ouder is en is blootgesteld aan
nieuwe ervaringen, zal de inhoud van de schema’s veranderen.
Als ze nu de kwantiteit begrijpt is er sprake van accommodatie. Nieuwe info in de
plaats van oude manier van denken/redeneren.
Piaget
Cognitieve fase Globale Voornaamste kenmerken
leeftijdscate
gorie
Sensomotorisch Geboorte – 2 Objectpermanentie = weinig tot geen
e fase jaar vermogen om dingen symbolisch waar te
4