Repetitie AK H2 par. 5-12
- Paragraaf 12
Paragraaf 5:
De zon is de motor van het klimaatsysteem. De kortgolvige zonnestraling
die het aardoppervlak bereikt, wordt door de aarde omgezet in langgolvige
zonnestraling. In de atmosfeer wordt deze warmtestraling grotendeels
geabsorbeerd door gassen als waterdamp, kooldioxide en methaan. Door
deze gassen is er een natuurlijk broeikaseffect wat zorgt voor een leefbare
temperatuur op aarde.
De inkomende straling van de zon en de uitgaande straling van de aarde
zijn belangrijk voor de energiehuishouding van de aarde. Het saldo van de
inkomende en uitgaande straling noem je stralingsbalans. Dit saldo kan
positief (stralingsoverschot) of negatief (stralingstekort) zijn en verschilt
per gebied. Rond de evenaar is er een overschot en op hogere breedten is
er een tekort.
Uitwisseling van energie:
Warmte van tropen gaat naar koudere gebieden op hogere breedten en
kou van hogere breedten wordt getransporteerd naar lagere breedten. Dit
komt door de mondiale windsystemen, de zeestromen en de
waterkringloop.
Hoge-en lage drukgebieden:
Hoog-> droog
Laag -> wordt tijd dat ik een regenpak draag
In het warme gebied zet de lucht door opwarming uit en wordt daardoor
minder dicht. De lucht stijgt op en veroorzaakt hoog in de atmosfeer een
luchtoverschot. Boven het koude gebied is de lucht juist dichter, waardoor
die daalt en er hoog in de lucht een luchttekort ontstaat. Om evenwicht te
bereiken stroomt de lucht van de zone met luchtoverschot naar de zone
met luchttekort. Boven het koude gebied is aan het aardoppervlak nu
meer lucht en daardoor ontstaat daar een hogeluchtdrukgebied of een
hogedrukgebied. Boven het warme gebied is nu juist minder lucht door
daar ontstaat een lageluchtdrukgebied of een lagedrukgebied.
In hogedrukgebieden warmt de lucht tijdens de daling op en ka daardoor
meer waterdamp bevatten. Eventuele waterdruppeltjes in de lucht
verdampen, waardoor het vaak onbewolkt is. In lagedrukgebieden koelt de
stijgende lucht af, waardoor de aanwezige waterdamp condenseert, met
wolken en neerslag tot gevolg.
, Door de draaiing van de aarde waait de wind niet in een rechte lijn maar
krijgt die een afwijking. Volgens de wet van Buys ballot geldt: met de
wind in de rug (vanaf hogedrukgebied) heeft de wind op noordelijk
halfrond een afwijking naar rechts en op zuidelijk halfrond een afwijking
naar links.
Het gebied rondom de evenaar heeft door zeer sterke instraling van de
zon te maken met stijgende lucht en dalende luchtdruk. Er ontstaan daar
dus veel wolken en er valt veel neerslag. Dit lagedrukgebied heet de
intertropische convergentiezone (ITCZ). De ITCZ heeft geen vaste
ligging, maar schuift mee met de loodrechte zonnestand, die zich
verplaatst met de seizoenen. Omdat land sneller opwarmt dan zee, is de
verschuiving van de ITCZ boven land het sterkst. De zon staat ook altijd
loodrecht op de ITCZ.
De passaten waaien van de subtropische hogedrukgebieden naar de ITCZ.
Daar komen de passaten van beide halfronden elkaar tegen.
In sommige gebieden keert de windrichting van de passaten ieder halfjaar
om. Je noemt de passaat dan een moesson. Het omkeren van de
windrichting komt door de ITCZ.
Paragraaf 6:
Op wereldschaal stroomt er vanaf de (sub)tropen opgewarmd zeewater
(warme zeestromen) naar hogere breedten en. Vanaf daar stroomt
afgekoeld zeewater (koude zeestromen) terug. De stromingsrichting van
deze Oceanische circulatie wordt bepaald door mondiale windsystemen,
draaiing van de aarde en de ligging van de continenten. De warme en
koude zeestromen bevinden zich in de overste laag van de oceanen, zijn
oppervlaktestromen. Op grotere diepte zijn er onderstromen, die bestaan
uit water dat grotere dichtheid heeft dan oppervlaktestromen. Dat
dichtheidsverschil kan ontstaan door 2 factoren: temperatuur en
zoutgehalte.
De bovenlaag van de oceaan is warmer dan de onderlagen, verwarmde
water zet uit en heeft dus lagere dichtheid. Hoe hoger het zoutgehalte,
hoe dichter en zwaarder het water is. Zoutgehalte neemt toe door
verdamping en vorming van zee-ijs en neemt af door menging met
zoetwater.
Op weg naar de polen koelen de warme zeestromen af en verliezen ze
water door verdamping. Het water wordt dus steeds kouder en zouter,
waardoor de dichtheid toeneemt en het water dicht bij de polen zinkt. Via
de onderstromen wordt dat water naar andere delen van de wereld
getransporteerd. Door het afzinken wordt het water dat aan het oppervlak
stroomt extra aangetrokken. De afzinkgebieden werken zo als een
- Paragraaf 12
Paragraaf 5:
De zon is de motor van het klimaatsysteem. De kortgolvige zonnestraling
die het aardoppervlak bereikt, wordt door de aarde omgezet in langgolvige
zonnestraling. In de atmosfeer wordt deze warmtestraling grotendeels
geabsorbeerd door gassen als waterdamp, kooldioxide en methaan. Door
deze gassen is er een natuurlijk broeikaseffect wat zorgt voor een leefbare
temperatuur op aarde.
De inkomende straling van de zon en de uitgaande straling van de aarde
zijn belangrijk voor de energiehuishouding van de aarde. Het saldo van de
inkomende en uitgaande straling noem je stralingsbalans. Dit saldo kan
positief (stralingsoverschot) of negatief (stralingstekort) zijn en verschilt
per gebied. Rond de evenaar is er een overschot en op hogere breedten is
er een tekort.
Uitwisseling van energie:
Warmte van tropen gaat naar koudere gebieden op hogere breedten en
kou van hogere breedten wordt getransporteerd naar lagere breedten. Dit
komt door de mondiale windsystemen, de zeestromen en de
waterkringloop.
Hoge-en lage drukgebieden:
Hoog-> droog
Laag -> wordt tijd dat ik een regenpak draag
In het warme gebied zet de lucht door opwarming uit en wordt daardoor
minder dicht. De lucht stijgt op en veroorzaakt hoog in de atmosfeer een
luchtoverschot. Boven het koude gebied is de lucht juist dichter, waardoor
die daalt en er hoog in de lucht een luchttekort ontstaat. Om evenwicht te
bereiken stroomt de lucht van de zone met luchtoverschot naar de zone
met luchttekort. Boven het koude gebied is aan het aardoppervlak nu
meer lucht en daardoor ontstaat daar een hogeluchtdrukgebied of een
hogedrukgebied. Boven het warme gebied is nu juist minder lucht door
daar ontstaat een lageluchtdrukgebied of een lagedrukgebied.
In hogedrukgebieden warmt de lucht tijdens de daling op en ka daardoor
meer waterdamp bevatten. Eventuele waterdruppeltjes in de lucht
verdampen, waardoor het vaak onbewolkt is. In lagedrukgebieden koelt de
stijgende lucht af, waardoor de aanwezige waterdamp condenseert, met
wolken en neerslag tot gevolg.
, Door de draaiing van de aarde waait de wind niet in een rechte lijn maar
krijgt die een afwijking. Volgens de wet van Buys ballot geldt: met de
wind in de rug (vanaf hogedrukgebied) heeft de wind op noordelijk
halfrond een afwijking naar rechts en op zuidelijk halfrond een afwijking
naar links.
Het gebied rondom de evenaar heeft door zeer sterke instraling van de
zon te maken met stijgende lucht en dalende luchtdruk. Er ontstaan daar
dus veel wolken en er valt veel neerslag. Dit lagedrukgebied heet de
intertropische convergentiezone (ITCZ). De ITCZ heeft geen vaste
ligging, maar schuift mee met de loodrechte zonnestand, die zich
verplaatst met de seizoenen. Omdat land sneller opwarmt dan zee, is de
verschuiving van de ITCZ boven land het sterkst. De zon staat ook altijd
loodrecht op de ITCZ.
De passaten waaien van de subtropische hogedrukgebieden naar de ITCZ.
Daar komen de passaten van beide halfronden elkaar tegen.
In sommige gebieden keert de windrichting van de passaten ieder halfjaar
om. Je noemt de passaat dan een moesson. Het omkeren van de
windrichting komt door de ITCZ.
Paragraaf 6:
Op wereldschaal stroomt er vanaf de (sub)tropen opgewarmd zeewater
(warme zeestromen) naar hogere breedten en. Vanaf daar stroomt
afgekoeld zeewater (koude zeestromen) terug. De stromingsrichting van
deze Oceanische circulatie wordt bepaald door mondiale windsystemen,
draaiing van de aarde en de ligging van de continenten. De warme en
koude zeestromen bevinden zich in de overste laag van de oceanen, zijn
oppervlaktestromen. Op grotere diepte zijn er onderstromen, die bestaan
uit water dat grotere dichtheid heeft dan oppervlaktestromen. Dat
dichtheidsverschil kan ontstaan door 2 factoren: temperatuur en
zoutgehalte.
De bovenlaag van de oceaan is warmer dan de onderlagen, verwarmde
water zet uit en heeft dus lagere dichtheid. Hoe hoger het zoutgehalte,
hoe dichter en zwaarder het water is. Zoutgehalte neemt toe door
verdamping en vorming van zee-ijs en neemt af door menging met
zoetwater.
Op weg naar de polen koelen de warme zeestromen af en verliezen ze
water door verdamping. Het water wordt dus steeds kouder en zouter,
waardoor de dichtheid toeneemt en het water dicht bij de polen zinkt. Via
de onderstromen wordt dat water naar andere delen van de wereld
getransporteerd. Door het afzinken wordt het water dat aan het oppervlak
stroomt extra aangetrokken. De afzinkgebieden werken zo als een