Rechtsfilosofie
WEEK 1 – WG 1
Welke drie ethische theorieën worden onderscheiden? Vat elk van
de drie theorieën samen en geef daarbij goed de kenmerkende
verschillen aan.
Theorie 1 – gevolgenethiek (utilisme)
- Jeremy Bentham 1748-1832 Engeland
- Het grootste geluk voor de meeste mensen – welke optie levert het grootste geluk op
voor de meeste mensen?
- Het gaat om een optelsom: wat levert het meeste voordeel op
- Kan tot resultaten leiden die wij niet okay vinden mensonterend
- Kijkt enkel naar resultaat, niet naar principes
- Heel lang als argument gebruikt om slavernij in stand te houden
Theorie 2 – plichtethiek - kantiaanse
- Immanuel Kant 1724-1804 Duitsland
- Plichten gelden altijd, geen uitzonderingen mogelijk
- Categorische imperatief; het gaat om dingen die zeker gedaan moeten worden
1) Je moet dat doen waarvan je kunt willen dat iedereen het altijd zo zou doen – het
is te subjectief om te zeggen wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een
ander niet.
Volgens Kant: je moet dat doen wat je kunt willen dat het een algemene wet is,
dat iedereen dat altijd doet. Het gaat niet om persoonlijke dingen, maar
algemeen.
Kanttekening: bij algemene regel, altijd naar handelen
2) Mens is niet een middel, maar als doel op zich
- Liegen mag niet – een plicht om niet te liegen, geen uitzondering ook niet als je eigen
mening anders is.
- Objectiveren
- Absolute regels van plichtethiek kunnen tot problemen leiden.
- Plichtethiek kijkt vooral naar het gedrag zelf, is het onderdeel van je plicht – niet naar
de gevolgen.
Theorie 3 – deugdenethiek
- Aristoteles 384-322 C CHR. Griekenland
- Geen regels op een specifieke situatie
- Je moet jezelf ontwikkelen tot een deugdzaammens
- De middenweg kiezen - deugdzaamkarakter
- Geen duidelijk houvast
- Lastig toe te passen als argument
,Beschrijf in enkele zinnen de drie medisch-ethische casus
Baby Theresa
Baby geboren met aandoening waarbij belangrijke delen van het brein missen. Baby zou wel
zelf kunnen ademen en een hartslag is ook mogelijk. De meeste baby’s met deze aandoening
worden geaborteerd of sterven binnen enkele dagen. De ouders van de baby wilde haar
organen opgeven ter donatie, maar volgens het Amerikaanse recht mocht dit pas wanneer
de baby zou zijn overleden. Tegen de tijd dat ze was overleden werkte de organen niet goed
meer en waren daarom niet meer bruikbaar.
Jodie & Mary – Siamese tweeling
De levensverwachting van deze kinderen was 6 maanden als ze niets zouden doen. Dokters
konden Jodie redden, maar daardoor zou Mary het niet overleven. De ouders weigerden de
operatie i.v.m. geloofsovertuiging. Het ziekenhuis vroeg desondanks aan de rechtbank om
toestemming, waarna alsnog werd geopereerd. Jodie overleefde het, Mary niet.
Belangrijk: door de operatie werd Mary niet vermoord, ze zou het alleen niet lang
volhouden als ze gescheiden werd van haar zus, omdat Jodie bloed gaf aan Mary.
Tracy Latimer
12-jarige die functioneerde als 3 maanden oude baby. Vader van Tracy heeft haar vermoord
door haar te laten zitten in autogassen. De moeder was opgelucht toen haar kind dood werd
aangetroffen en zei dat ze zelf de moed er niet voor had. De vader werd in eerste instantie
veroordeeld tot 1 jaar cel, maar de Supreme Court oordeelde dat de originele straf van 25
jaar moest worden uitgezeten.
Welke ethische theorieën liggen volgens jou ten grondslag aan de
dilemma’s in de casussen?
Baby Theresa
- Gevolgenethiek: voordeel voor grotere groep mensen
- Plichtethiek: een mens in geen middel, maar een doel en je moet doen, waarvan je
kunt willen dat het een algemene wet is.
- Het kan fout zijn om iemand te doden om een ander te redden, de plicht is namelijk
dat je nooit iemand mag doden.
Jodie & Mary
- Gevolgenethiek: voordeel voor grotere groep mensen; als er niets gebeurt gaan ze
beiden dood.
- Plichtethiek: plicht is dat je niemand mag doden, ook al is het voor een goed doel.
- Het is voor Jodie een plicht dat dokters zich inzetten om levens te redden.
- Mary werd niet vermoord, ze werd alleen gescheiden van haar zus waardoor ze stierf.
Tracy Latimer
- Gevolgenethiek: voordeel voor grotere groep mensen; meer voordeel voor Tracy om
dood te zijn dan te leven, omdat ze aan het lijden was; ook levert haar dood een
, voordeel op voor haar familie (ondanks dat ze wel moeten leven met dat ze hun
dochter hebben vermoord) dit is waarom deze moeilijker is, omdat er geen
makkelijke afweging te maken is tussen voordeel voor een partij.
- Plichtethiek: plicht is dat je niemand mag doden en niet mag discrimineren, ook niet
bij gehandicapten. Je kan niet oordelen dat het leven van een gehandicapten minder
waard is.
Maakt Rachels een keuze voor een van de ethische theorieën?
In alle drie de casussen komt de gevolgenethiek veel naar voren. Hij kijkt veel naar het
voordeel voor een grotere groep. Ook kijkt hij naar de plichtethiek, door te zeggen dat baby
Theresa bijvoorbeeld niet misbruikt of gebruikt werd, omdat daarvoor sprake zou moeten
zijn van misleiding en dat was niet het geval.
Hij stelt dat een nemen van de organen van de baby een uitzondering maken op de plicht dat
je niemand mag doden.
Bij Jodie & Mary stelt hij dat het niet verkeerd is om een onschuldige te doden, als die
persoon geen toekomst heeft en daarmee een ander gered kan worden. Waarbij niet
vergeten moet worden dat Mary zelf is gestorven en niet is vermoord.
Bij Tracy zegt Rachels dat het soms kan worden toegestaan om te discrimineren tegen
gehandicapten, maar wel tot op een zekere hoogte. Het mag geen inbreuk vormen op hun
recht.
Welke ethische theorie(ën) acht je het meest overtuigend in de
drie besproken casussen en waarom? Is dit steeds dezelfde
ethische theorie?
Baby Theresa
- De gevolgenethiek: de baby komt sowieso snel te overlijden en als haar organen
worden gebruikt levert dit een voordeel op voor een grotere groep mensen. Maar
kan nog steeds als mensonterend worden geacht.
- Maar een mens is geen middel
Jodie & Mary
- De gevolgenethiek: als de operatie niet zou plaatsvinden dan zouden beide kinderen
sterven, nu wordt er alsnog een gered. Maar kan nog steeds als mensonterend
worden geacht.
Tracy Latimer
- Slippery slope argument/glijdende schaal argument: potentiële
toekomstverwachtingen. GEBRUIK DEZE NIET, te zwak.
, WEEK 1 – WG 2
Paradigma: denkkader, een samenhangend geheel van theoretische vooronderstellingen en
methoden waarmee de werkelijkheid wordt benaderd.
Het verschil tussen twee paradigma’s + drie kenmerken van deze
paradigma’s en vat elke ervan samen in een stelling.
Statelijke paradigma
- De staat, staat centraal in ons denken over samenleving en recht.
- De bron van macht
- Vanaf 1500 werd denken in termen van soevereine staten steeds invloedrijker, maar
in de 19e eeuw echt dominant in de 21e eeuw steeds minder adequaat.
- Door vast te houden aan de associatie van recht met het hoogste gezag binnen een
soevereine staat kijken we met een heel beperkte bril naar recht en maatschappij.
- De staat kan nog steeds als centrum van de wereld worden gezien en daarmee
kunnen we een groot deel van de werkelijkheid begrijpen. Maar door alle ogen op de
staat te richten, kunnen we een ander deel van de werkelijkheid onvoldoende zien,
laat staan verklaren.
1) Staatssoevereiniteit: de staat is het hoogste gezag over de bevolking op een
bepaald grondgebied. Wereld is geografisch opgedeeld in staten met elk een
eigen grondgebied. Ordening van de politieke macht.
Art. 91 lid 1 GW
2) Juridisch centralisme: alle recht kan direct of indirect worden herleid tot het
hoogste gezag in die staat, in een top-down benadering. Ordening van het
recht.
Art. 81 GW
3) De natiestaat: de staat is niet alleen verbonden met een bepaald grondgebied,
maar ook met een natie, een volk met een eigen identiteit. Ordening van de
samenleving.
Art. 50 GW
Dit paradigma kan de wereld van de 21e eeuw niet adequaat beschrijven en begrijpen.
Theorieën versimpelen de werkelijkheid altijd.
Pluralistisch paradigma
- De staat is niet meer het centrum van recht en politieke macht, verbonden met een
nationale eenheidscultuur, maar er is verscheidenheid.
- De wereld.
- Meerdere bronnen, het sluit andere staten niet uit, het zijn overlappende
rechtsordes. Europees en Nederlands recht kunnen bijvoorbeeld allemaal aanwezig
zijn, maar ook onderling botsen.
- Een overlap tussen verschillende bronnen, actoren en groepen is de kern.
WEEK 1 – WG 1
Welke drie ethische theorieën worden onderscheiden? Vat elk van
de drie theorieën samen en geef daarbij goed de kenmerkende
verschillen aan.
Theorie 1 – gevolgenethiek (utilisme)
- Jeremy Bentham 1748-1832 Engeland
- Het grootste geluk voor de meeste mensen – welke optie levert het grootste geluk op
voor de meeste mensen?
- Het gaat om een optelsom: wat levert het meeste voordeel op
- Kan tot resultaten leiden die wij niet okay vinden mensonterend
- Kijkt enkel naar resultaat, niet naar principes
- Heel lang als argument gebruikt om slavernij in stand te houden
Theorie 2 – plichtethiek - kantiaanse
- Immanuel Kant 1724-1804 Duitsland
- Plichten gelden altijd, geen uitzonderingen mogelijk
- Categorische imperatief; het gaat om dingen die zeker gedaan moeten worden
1) Je moet dat doen waarvan je kunt willen dat iedereen het altijd zo zou doen – het
is te subjectief om te zeggen wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een
ander niet.
Volgens Kant: je moet dat doen wat je kunt willen dat het een algemene wet is,
dat iedereen dat altijd doet. Het gaat niet om persoonlijke dingen, maar
algemeen.
Kanttekening: bij algemene regel, altijd naar handelen
2) Mens is niet een middel, maar als doel op zich
- Liegen mag niet – een plicht om niet te liegen, geen uitzondering ook niet als je eigen
mening anders is.
- Objectiveren
- Absolute regels van plichtethiek kunnen tot problemen leiden.
- Plichtethiek kijkt vooral naar het gedrag zelf, is het onderdeel van je plicht – niet naar
de gevolgen.
Theorie 3 – deugdenethiek
- Aristoteles 384-322 C CHR. Griekenland
- Geen regels op een specifieke situatie
- Je moet jezelf ontwikkelen tot een deugdzaammens
- De middenweg kiezen - deugdzaamkarakter
- Geen duidelijk houvast
- Lastig toe te passen als argument
,Beschrijf in enkele zinnen de drie medisch-ethische casus
Baby Theresa
Baby geboren met aandoening waarbij belangrijke delen van het brein missen. Baby zou wel
zelf kunnen ademen en een hartslag is ook mogelijk. De meeste baby’s met deze aandoening
worden geaborteerd of sterven binnen enkele dagen. De ouders van de baby wilde haar
organen opgeven ter donatie, maar volgens het Amerikaanse recht mocht dit pas wanneer
de baby zou zijn overleden. Tegen de tijd dat ze was overleden werkte de organen niet goed
meer en waren daarom niet meer bruikbaar.
Jodie & Mary – Siamese tweeling
De levensverwachting van deze kinderen was 6 maanden als ze niets zouden doen. Dokters
konden Jodie redden, maar daardoor zou Mary het niet overleven. De ouders weigerden de
operatie i.v.m. geloofsovertuiging. Het ziekenhuis vroeg desondanks aan de rechtbank om
toestemming, waarna alsnog werd geopereerd. Jodie overleefde het, Mary niet.
Belangrijk: door de operatie werd Mary niet vermoord, ze zou het alleen niet lang
volhouden als ze gescheiden werd van haar zus, omdat Jodie bloed gaf aan Mary.
Tracy Latimer
12-jarige die functioneerde als 3 maanden oude baby. Vader van Tracy heeft haar vermoord
door haar te laten zitten in autogassen. De moeder was opgelucht toen haar kind dood werd
aangetroffen en zei dat ze zelf de moed er niet voor had. De vader werd in eerste instantie
veroordeeld tot 1 jaar cel, maar de Supreme Court oordeelde dat de originele straf van 25
jaar moest worden uitgezeten.
Welke ethische theorieën liggen volgens jou ten grondslag aan de
dilemma’s in de casussen?
Baby Theresa
- Gevolgenethiek: voordeel voor grotere groep mensen
- Plichtethiek: een mens in geen middel, maar een doel en je moet doen, waarvan je
kunt willen dat het een algemene wet is.
- Het kan fout zijn om iemand te doden om een ander te redden, de plicht is namelijk
dat je nooit iemand mag doden.
Jodie & Mary
- Gevolgenethiek: voordeel voor grotere groep mensen; als er niets gebeurt gaan ze
beiden dood.
- Plichtethiek: plicht is dat je niemand mag doden, ook al is het voor een goed doel.
- Het is voor Jodie een plicht dat dokters zich inzetten om levens te redden.
- Mary werd niet vermoord, ze werd alleen gescheiden van haar zus waardoor ze stierf.
Tracy Latimer
- Gevolgenethiek: voordeel voor grotere groep mensen; meer voordeel voor Tracy om
dood te zijn dan te leven, omdat ze aan het lijden was; ook levert haar dood een
, voordeel op voor haar familie (ondanks dat ze wel moeten leven met dat ze hun
dochter hebben vermoord) dit is waarom deze moeilijker is, omdat er geen
makkelijke afweging te maken is tussen voordeel voor een partij.
- Plichtethiek: plicht is dat je niemand mag doden en niet mag discrimineren, ook niet
bij gehandicapten. Je kan niet oordelen dat het leven van een gehandicapten minder
waard is.
Maakt Rachels een keuze voor een van de ethische theorieën?
In alle drie de casussen komt de gevolgenethiek veel naar voren. Hij kijkt veel naar het
voordeel voor een grotere groep. Ook kijkt hij naar de plichtethiek, door te zeggen dat baby
Theresa bijvoorbeeld niet misbruikt of gebruikt werd, omdat daarvoor sprake zou moeten
zijn van misleiding en dat was niet het geval.
Hij stelt dat een nemen van de organen van de baby een uitzondering maken op de plicht dat
je niemand mag doden.
Bij Jodie & Mary stelt hij dat het niet verkeerd is om een onschuldige te doden, als die
persoon geen toekomst heeft en daarmee een ander gered kan worden. Waarbij niet
vergeten moet worden dat Mary zelf is gestorven en niet is vermoord.
Bij Tracy zegt Rachels dat het soms kan worden toegestaan om te discrimineren tegen
gehandicapten, maar wel tot op een zekere hoogte. Het mag geen inbreuk vormen op hun
recht.
Welke ethische theorie(ën) acht je het meest overtuigend in de
drie besproken casussen en waarom? Is dit steeds dezelfde
ethische theorie?
Baby Theresa
- De gevolgenethiek: de baby komt sowieso snel te overlijden en als haar organen
worden gebruikt levert dit een voordeel op voor een grotere groep mensen. Maar
kan nog steeds als mensonterend worden geacht.
- Maar een mens is geen middel
Jodie & Mary
- De gevolgenethiek: als de operatie niet zou plaatsvinden dan zouden beide kinderen
sterven, nu wordt er alsnog een gered. Maar kan nog steeds als mensonterend
worden geacht.
Tracy Latimer
- Slippery slope argument/glijdende schaal argument: potentiële
toekomstverwachtingen. GEBRUIK DEZE NIET, te zwak.
, WEEK 1 – WG 2
Paradigma: denkkader, een samenhangend geheel van theoretische vooronderstellingen en
methoden waarmee de werkelijkheid wordt benaderd.
Het verschil tussen twee paradigma’s + drie kenmerken van deze
paradigma’s en vat elke ervan samen in een stelling.
Statelijke paradigma
- De staat, staat centraal in ons denken over samenleving en recht.
- De bron van macht
- Vanaf 1500 werd denken in termen van soevereine staten steeds invloedrijker, maar
in de 19e eeuw echt dominant in de 21e eeuw steeds minder adequaat.
- Door vast te houden aan de associatie van recht met het hoogste gezag binnen een
soevereine staat kijken we met een heel beperkte bril naar recht en maatschappij.
- De staat kan nog steeds als centrum van de wereld worden gezien en daarmee
kunnen we een groot deel van de werkelijkheid begrijpen. Maar door alle ogen op de
staat te richten, kunnen we een ander deel van de werkelijkheid onvoldoende zien,
laat staan verklaren.
1) Staatssoevereiniteit: de staat is het hoogste gezag over de bevolking op een
bepaald grondgebied. Wereld is geografisch opgedeeld in staten met elk een
eigen grondgebied. Ordening van de politieke macht.
Art. 91 lid 1 GW
2) Juridisch centralisme: alle recht kan direct of indirect worden herleid tot het
hoogste gezag in die staat, in een top-down benadering. Ordening van het
recht.
Art. 81 GW
3) De natiestaat: de staat is niet alleen verbonden met een bepaald grondgebied,
maar ook met een natie, een volk met een eigen identiteit. Ordening van de
samenleving.
Art. 50 GW
Dit paradigma kan de wereld van de 21e eeuw niet adequaat beschrijven en begrijpen.
Theorieën versimpelen de werkelijkheid altijd.
Pluralistisch paradigma
- De staat is niet meer het centrum van recht en politieke macht, verbonden met een
nationale eenheidscultuur, maar er is verscheidenheid.
- De wereld.
- Meerdere bronnen, het sluit andere staten niet uit, het zijn overlappende
rechtsordes. Europees en Nederlands recht kunnen bijvoorbeeld allemaal aanwezig
zijn, maar ook onderling botsen.
- Een overlap tussen verschillende bronnen, actoren en groepen is de kern.