Samenvatting Biologie
Leven en organismen
• Kenmerken van het leven: Groei, voortplanting, stofwisseling,
reageren op prikkels.
• Cellen: Bouw van dierlijke en plantaardige cellen (celkern,
celmembraan, cytoplasma, bladgroenkorrels bij planten).
• Organen en orgaanstelsels: Spijsvertering, ademhaling,
bloedsomloop, uitscheiding.
Voeding en vertering
• Voedingsstoffen: Eiwitten, vetten, koolhydraten, vitaminen,
mineralen en water.
• Spijsverteringsorganen: Mond, slokdarm, maag, dunne darm,
dikke darm.
• Enzymen: Versnellen de afbraak van voedingsstoffen.
• Voedingsmiddelen: Verschil tussen bouwstoffen, brandstoffen en
beschermende stoffen.
Ademhaling, bloedsomloop en uitscheiding
• Ademhaling: Gaswisseling in de longen, zuurstofopname en
koolstofdioxide-afgifte.
• Bloedsomloop: Hart, bloedvaten, rode en witte bloedcellen,
bloedplaatjes.
• Uitscheiding: Functie van nieren en longen bij het verwijderen van
afvalstoffen.
Beweging en regeling VMBO BASIS HOEFT DIT NIET TE LEREN.
• Spieren en skelet: Functie van botten, gewrichten en spieren.
• Zenuwstelsel: Functie van de hersenen, zenuwen en reflexen.
• Hormonen: Belangrijke hormonen zoals insuline en adrenaline.
Waarneming en gedragVMBO BASIS HOEFT DIT NIET TE LEREN.
• Zintuigen: Ogen, oren, neus, tong en huid.
• Prikkels en reacties: Reacties op warmte, kou, geluid, licht.
• Gedrag: Aangeboren en aangeleerd gedrag, reflexen, gewenning.
Voortplanting en erfelijkheid
1
, • Voortplanting: Mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen,
bevruchting, zwangerschap.
• Erfelijkheid: Chromosomen, genen, dominant en recessief. VMBO
BASIS HOEFT DIT NIET TE LEREN.
Ecologie en milieu
• Voedselkringloop: Producenten, consumenten, reducenten.
• Ecosystemen: Biotische en abiotische factoren.
• Milieuvervuiling: Effecten van afvalstoffen, broeikaseffect,
duurzaamheid. VMBO BASIS HOEFT DIT NIET TE LEREN.
Evolutie en biodiversiteit VMBO BASIS HOEFT DIT NIET TE
LEREN
• Natuurlijke selectie: Hoe soorten zich aanpassen aan hun omgeving.
• Biodiversiteit: Het belang van verschillende soorten in de natuur.
Een organisme is een levend wezen. Dit kan een mens, dier, plant,
schimmel of bacterie zijn. Organismen vertonen de levenskenmerken,
zoals:
• Ademhalen
• Voeden
• Groeien
• Voortplanten
• Uitscheiden
• Reageren op prikkels
Alles wat leeft, is een organisme. Dingen die niet leven, zoals stenen of
water, zijn geen organismen.
Film: VMBO 3 | Organen en cellen | Basisstof 1 Organismen
De zeven levenskenmerken van organismen zijn:
1. Ademhalen – Opnemen van zuurstof en afgeven van
koolstofdioxide (of een andere vorm van gasuitwisseling).
2. Voeden – Opnemen van voedingsstoffen voor energie en groei.
3. Uitscheiden – Afvalstoffen verwijderen uit het lichaam (bijvoorbeeld
urine, ontlasting, zweet).
2
, 4. Groeien – Groter of zwaarder worden door celdeling en celgroei.
5. Voortplanten – Nieuwe organismen maken (geslachtelijk of
ongeslachtelijk).
6. Reageren op prikkels – Waarnemen van de omgeving en daarop
reageren (bijvoorbeeld een plant die naar het licht groeit).
7. Bewegen – Actief veranderen van plaats of houding (bij dieren
zichtbaar bewegen, bij planten bijvoorbeeld groeien richting het
licht).
Elk organisme heeft al deze levenskenmerken. Als iets deze kenmerken
niet vertoont, is het geen organisme!
Hier zijn enkele meerkeuzevragen over de zeven levenskenmerken:
Vraag 1
Welk van de volgende opties is geen levenskenmerk?
A) Voeden
B) Uitscheiden
C) Verdampen
D) Ademhalen
Vraag 2
Waarom is een steen geen organisme?
A) Omdat hij niet kan bewegen
B) Omdat hij geen levenskenmerken heeft
C) Omdat hij geen zuurstof nodig heeft
D) Omdat hij niet groeit
Vraag 3
Welke van de volgende organismen beweegt, maar niet zichtbaar?
A) Een hond
B) Een vis
C) Een boom
D) Een vogel
Vraag 4
Welke van de volgende levenskenmerken zorgt ervoor dat een soort kan
blijven bestaan?
A) Ademhalen
B) Groeien
C) Voortplanten
D) Uitscheiden
3
, Vraag 5
Wat is een voorbeeld van reageren op prikkels?
A) Een kat die schrikt van een harde knal
B) Een kind dat groeit
C) Een mens die plast na het drinken van water
D) Een boom die zuurstof maakt
Hier zijn een paar meerkeuzevragen over levend, dood en levenloos:
Vraag 1
Welke van de volgende dingen is levend?
A) Een vogel
B) Een plank hout
C) Een steen
D) Een schelp
Vraag 2
Een omgekapte boomstam wordt gebruikt om meubels van te maken. Wat
is de juiste categorie?
A) Levend
B) Dood
C) Levenloos
D) Geen van bovenstaande
Vraag 3
Welke van de volgende dingen is levenloos?
A) Een skelet van een vis
B) Een baksteen
C) Een uitgedroogde bloem
D) Een appelpit
Vraag 4
Wat is het verschil tussen iets dat dood is en iets dat levenloos is?
A) Dode dingen hebben ooit geleefd, levenloze dingen nooit
B) Levenloze dingen worden later weer levend
C) Dode dingen hebben nooit geleefd, levenloze dingen wel
D) Er is geen verschil
4