Bedrijfseconomie in balans samenvatting hoofdstuk 18
18.1 t/m 18.4
18.1, Cashflow
Als onderneming heb je kapitaalgoederen nodig om te ondernemen, als de
onderneming de voorraad van de vaste kapitaalgoederen uitbreid. Zijn dat
uitbreidingsinvesteringen.
Door uitbreidingsinvesteringen neemt de productiecapaciteit toe. Soms
moet een vast kapitaalgoed zoals een machine vervangen worden, dit
noem je een vervangingsinvestering, hierdoor blijft de
productiecapaciteit hetzelfde.
Een onderneming probeert vaan de onzekerheden zo klein mogelijk te
maken, risicoreductie. Het verschil tussen de geldstroom die de
onderneming door de investering ontvangt en de geldstroom die zij
uitgeeft, noem je de cashflow. De cashflow van een investeringsproject
bestaat uit alle ontvangsten en uitgaven die voortkomen uit dat project.
Je kan een cashflow op drie momenten bepalen:
Aan het begin:
- De onderneming koopt dan zijn nodige vaste en vlottende activa
- Er is dan een negatieve cashflow
Tijdens de looptijd:
- De cashflow is gelijk aan de verwachtte ontvangsten uit het
investeringsproject, verminderd met de verwachte uitgaven.
- Cashflow tijdens de looptijd = nettoresultaat + afschrijvingskosten
Aan het eind van de looptijd:
- De onderneming heeft de activa voor het project niet meer nodig,
hierdoor zijn er deinvesteringen.
18.2, terugverdientijd
De terugverdientijd is de periode waarom de investering zichzelf
terugverdient met behulp van de cashflows.
Voorbeeld:
Arkanska NV investeert in een leerplatform van €3.000.000, de verwachte
cashflows zijn:
Eerste jaar: €1.400.000
Tweede jaar: €1.000.000
Derde jaar: €800.000
Vierde jaar: €600.000
De maximale toegestane terugverdientijd is drie jaar (36 maanden).
18.1 t/m 18.4
18.1, Cashflow
Als onderneming heb je kapitaalgoederen nodig om te ondernemen, als de
onderneming de voorraad van de vaste kapitaalgoederen uitbreid. Zijn dat
uitbreidingsinvesteringen.
Door uitbreidingsinvesteringen neemt de productiecapaciteit toe. Soms
moet een vast kapitaalgoed zoals een machine vervangen worden, dit
noem je een vervangingsinvestering, hierdoor blijft de
productiecapaciteit hetzelfde.
Een onderneming probeert vaan de onzekerheden zo klein mogelijk te
maken, risicoreductie. Het verschil tussen de geldstroom die de
onderneming door de investering ontvangt en de geldstroom die zij
uitgeeft, noem je de cashflow. De cashflow van een investeringsproject
bestaat uit alle ontvangsten en uitgaven die voortkomen uit dat project.
Je kan een cashflow op drie momenten bepalen:
Aan het begin:
- De onderneming koopt dan zijn nodige vaste en vlottende activa
- Er is dan een negatieve cashflow
Tijdens de looptijd:
- De cashflow is gelijk aan de verwachtte ontvangsten uit het
investeringsproject, verminderd met de verwachte uitgaven.
- Cashflow tijdens de looptijd = nettoresultaat + afschrijvingskosten
Aan het eind van de looptijd:
- De onderneming heeft de activa voor het project niet meer nodig,
hierdoor zijn er deinvesteringen.
18.2, terugverdientijd
De terugverdientijd is de periode waarom de investering zichzelf
terugverdient met behulp van de cashflows.
Voorbeeld:
Arkanska NV investeert in een leerplatform van €3.000.000, de verwachte
cashflows zijn:
Eerste jaar: €1.400.000
Tweede jaar: €1.000.000
Derde jaar: €800.000
Vierde jaar: €600.000
De maximale toegestane terugverdientijd is drie jaar (36 maanden).