Doelen:
De DIO:
Kan gegevens van de cliënt methodisch registreren.
Kent de methodiek van het ICF en gebruikt deze bij het formuleren van de diëtistische
diagnose en de behandeldoelen.
Kent de NDF voedingsrichtlijn diabetes 2015 en kan deze toepassen op alle fases van het
diëtistisch consult bij een patiënt met diabetes mellitus type 1.
- Diagnose DM:
o bloedglucose ≥ 7,0 mmol/l in nuchtere toestand; of
o bloedglucose ≥ 11,1 mmol/l in niet-nuchtere toestand; of
o bloedglucose ≥ 11,1 mmol/l twee uur na een 75 grams orale glucosetolerantietest; of
o Hba1c ≥ 48 mmol/mol.
- Bij klachten passend bij hyperglykemie: (polydipsie, polyurie, vermagering, terugkerende
infecties, neurogene pijnen en sensibele stoornissen) één enkele meting voldoende.
- Bij mensen zonder klachten moet de afwijkende bloedglucosewaarde op een tweede dag
bevestigd worden voordat de diagnose gesteld kan worden.
- Voor maaltijden ultrakort werkende insuline
Een of twee keer per dag langwerkende insuline
- Streefwaarden voor de behandeling van diabetes mellitus type 1:
o nuchter bepaald bloedglucosegehalte 3,9 – 7,2 mmol/l;
o bloedglucosegehalte 2 uur postprandiaal: < 10 mmol/l;
o HbA1c ≤ 53 mmol/mol;
o LDL-waarde plasma < 2,6 mmol/l, triglyceridenwaarden plasma < 1,7 mmol/l;
o systolische bloeddruk ≤ 140 mmHg.
- Sport en beweging verlagen de bloedglucosewaarden tijdens en na inspanning.
- Diagnose:
o functies/stoornissen: bloedglucosewaarden, HbA1c, BMI, buikomvang,
plasmalipidenwaarden, bloeddruk;
o medische factoren: type diabetes mellitus, medicatie, risicoprofiel, complicaties;
o persoonlijke factoren & activiteiten: hulpvraag, voedingsgewoonten, roken,
alcoholgebruik, beweeggewoonten, dieetgeschiedenis, beroep, emotionele situatie,
kennis, zelfcontrole/zelfmanagement, motivatie/stadium van gedragsverandering;
o externe factoren: houding van de omgeving, financiële middelen, werksituatie.
- Multidisciplinaire doelen:
o uitstellen of voorkomen van diabetes mellitus type 2;
o beperken van acute klachten van hypo- en hyperglykemie;
o uitstellen of voorkomen van aan diabetes gerelateerde complicaties.
- Specifieke doelen diëtist:
o inname of streven naar inname volgens de NDF Voedingsrichtlijn Diabetes 2015;
o aanleren van goede afstemming van voeding, bloedglucoseverlagende medicatie en
lichamelijke activiteiten;
o handhaven of optimaliseren van een gezond lichaamsgewicht met een gezonde
buikomvang (voor volwassenen BMI 18,5 – 25 kg/m2, buikomvang ≤ 94 cm mannen,
≤ 80 cm vrouwen ) (bij BMI ≥ 25 kg/m2 verminderen van het gewicht met 5 – 15
procent of verminderen van de buikomvang met 10 procent. Boven de 70 jaar geldt
, dit voor een BMI van > 30 kg/m2, voor kinderen geldt handhaven of optimaliseren
van een goede groeicurve;
o handhaven of optimaliseren van de systolische bloeddruk en de
plasmalipidenwaarden
DIEETBEHANDELPLAN NOG DOEN VAN RICHTLIJN 5
- http://www.zorgstandaarddiabetes.nl/wp-content/uploads/2015/08/NDF-Zorgstandaard-
diabetes-type-1-Volwassenen-2015.pdf
p3w2: DM type 1.
Doelen:
De dio:
weet wat de insuline-koolhydraat ratio is
weet wat de insulinegevoeligheidsfactor is
kan de insuline-koolhydraat ratio uitrekenen van een (papieren) casus
kan de cliënt leren de insulinedosering op de koolhydraatinname af te stemmen
kan de cliënt adviseren over insulinedosering en koolhydraatinname in bijzonder situaties
- insuline- koolhydraat ratio: hoeveel gram KH je kunt eten met 1 EH insuline
o per hoofdmaaltijd berekenen en gemiddelde nemen van 5 dagen.
o Postprandiale glucosewaarde gebruiken
- insulinegevoeligheidsfactor: mate waarmee 1 EH kortwerkende insuline uw bloedglucose
verlaagt.
o 100 of 80 delen door totaal aantal eenheden insuline
o Uitkomst is aantal mmol/l dat glucosewaarde daalt op 1 eenheid kortwerkende
insuline
- Insulinepomp: geeft regelmatig kleine hoeveelheid (kortwerkende) insuline af.
o Door regelmatige afgifte bloedsuikerspiegel makkelijker stabiel dan bij langwerkende
insuline via injectiepen.
o Zo instellen dat standaard insulineafgifte per uur verschilt (‘s nachts lagere dosis dan
overdag)
o Extra dosering geven voor maaltijd, dus geen pen meer nodig
Als je een hypo hebt (hypoglykemie) moet je snel iets met glucose eten of drinken. Je bloedsuikers
zijn dan te laag.
Je 20 gram glucose in de vorm van glucosetabletten (druivensuiker/dextrose). Een glucosetablet
komt het snelste in het bloed. Hoeveel tabletten je dan moet nemen kan verschillen per soort. Van
dextro heb je bijvoorbeeld 6 tabletten nodig en van glucotabs 5 tabletten. Je kunt dit voor andere
tabletten zelf berekenen door op het etiket te kijken hoeveel suiker er in 1 tablet zit.
Ook een glas high energy sportdrank of 30 milliliter limonadesiroop is geschikt. Neem
limonadesiroop met een hoog glucosegehalte, aangelengd met water. Let erop dat ‘suiker’ vooraan
bij de ingrediënten staat. Als er met name ‘geconcentreerd vruchtensap’ inzit, bevat de limonade
veel fructose en is minder geschikt bij een hypo.
P3w3: ondervoeding bij decubitus.
Doelen:
De dio:
, Kan de dieetbehandelingsrichtlijn decubitus toepassen.
Kan de verschillende screenings- en assessment instrumenten voor ondervoeding vergelijken
en voor- en nadelen benoemen.
Kent referentie methode en verschillende formules om een correcte eiwitbehoefte te
berekenen en verantwoorden in de diëtistische diagnose.
Kan bij een casus de voedingstoestand definiëren aan de hand van de GLIM-criteria
Kan bij een casus beredeneren hoe hij/zij tot keuzes komt voor de diagnose en het
dieetbehandeling op basis van de drie perspectieven van EBP.
Kent de relatie tussen bewegen en ondervoeding en weet welke andere professionals een
bijdrage kunnen leveren aan de behandeling van ondervoeding.
Ondervoeeing criteria ook nog van p2:
- Risicopatiënten voor refeeding syndroom:
o Een of meer van volgende kenmerken:
BMI < 16 kg/m2
> 15% ongewenst gewichtsverlies in laatste 3-6 maanden
> 10 dagen geen voedselinname
, Lage plasmawaarden electrolyten voor start voeding (kalium, fosfaat,
magnesium)
o 2 of meer van volgende kenmerken:
BMI <18,5
> 10% ongewenst gewichtverlies in laatste 3-6 maanden
> 5 dagen geen voedselinname
Chronisch (overmatig) alcoholmisbruik
Sector Naam screeningsinstrument
Ziekenhuis kliniek SNAQ, MUST, Voedingstoestandmeter
Ziekenhuis polikliniek Voedingstoestandmeter, SNAQ + BMI
Geriatrie polikliniek MNA-SF, voedingstoestandmeter
Kinderen 0-18 jaar Groeicurven en STRONG kids
Eerstelijnszorg en thuiszorg SNAQ65+
Verpleeg en verzorgingshuizen SNAQ65+
- Mensen met decubitus hebben hogere energie en eiwitbehoefte
o Ook van belang voor wondgenezing.
- Behandeldoelen:
o Preventie (verminderen van gevoeligheid voor) decubitus door het handhaven/
verbeteren van de voedingstoestand.
o Met dieetbehandeling bijdragen aan optimaal herstel van de wond door te voorzien
in verhoogde behoefte aan voedingsstoffen passend bij de categorie decubitus.
- Dieetkenmerken:
o Voeding bij preventie:
Energie: WHO- formule met toeslag
Eiwit: 1,2-1,5 gram/ kg lichaamsgewicht
Bij BMI > 27, gewicht corrigeren naar BMI = 27
Zakboek diëtetiek zegt bij BMI <20 terugrekenen naar 20 en bij BMI
>30 terugrekenen naar 27,5
Vocht: 1,5-2 liter vocht per dag
o Voeding bij behandeling:
Energie: WHO- formule met toeslag
Eiwit: 1,25-1,5 bij graad I en II/ 1,5-1,7 bij graad III en IV
Vocht: zorgen dat patiënt goed gehydrateerd is. Bij (verhoogd risico op)
dehydratie extra vocht 1,5 tot 2L bij graag I en II, 2 tot 2,5L bij graag III en IV
Vit C: suppletie bij deficiëntie > ADH: 70 mg p/d - 90 mg p/d bij rokers
Zink: suppletie bij deficiëntie > ADH: vrouwen 8 mg p/d- mannen 11 mg p/d
maaltijdfrequentie: meerdere kleine eetmomenten per dag (6-8).
Kleine maaltijd minder klachten > minder snel vol gevoel en minder
snel aversie tegen eten.
- Wanneer normale voeding niet toereikend is > starten met dieetpreparaten
o Alle soorten eiwitverrijkte dieetpreparaten komen in aanmerking
- Wanneer orale inname en dieetpreparaten niet toereikend is > sondevoeding
- Voor behandeling decubitus staat 20 kwartier per jaar
Dieetrichtlijn decubitus
In de gezondheidszorg is decubitus (doorligging) een veelvoorkomend symptoom. Decubitus kan leiden tot
ongemak en veel pijn bij patiënten en ook tot hoge kosten voor de gezondheidszorg. Decubitus doet zich
vooral voor bij patiënten met meerdere ziektebeelden en vooral bij oudere patiënten, wat verklaard kan
worden uit factoren als verminderde mobiliteit, verminderde voedingstoestand en een dunnere huid.
Decubitus komt echter ook bij kinderen voor. Cijfers variëren al naar gelang de wijze van meten en naar