Week 1
Onderwerpen:
1. Het integratieproces
2. Supranationalisme en intergouvernementalisme
3. EU-instellingen
Het integratieproces
De oprichtingsfase begon met de EGKS en het Verdrag van Parijs (1951).
Dit was om de oorlogen te eindigen. Vanuit die gedachte kwam de VN als
eerst (1945). Dit was een soort militaire samenwerking. Toen kwam de
Raad van Europa met het EVRM. Het EHRM hoort bij de Raad van Europa
en beoordeelt klachten over schendingen van het EVRM.
Het begon dus met de EGKS voor de productie van oorlogsmateriaal. Het
bestond uit een supranationale instelling. De samenwerking moest worden
uitgebreid op economisch niveau, dus kwam het Verdrag van Rome
(1957). Hierbij kwam de EEG tot stand. Het ging om de
gemeenschappelijke markt en droeg sterk bij aan de stijging van de
economische groei.
Toen kwam de Euroclerose. Er gebeurde weinig op politiek niveau en er
was weinig enthousiasme door de hoge werkloosheid en de economische
crisis in Europa. De Franse regering wierp zich tegen de supranationale
opstelling van de Commissie, dus kwamen ze niet meer naar
bijeenkomsten in de Raad (lege stoel-crisis, 1965). Ze waren het niet eens
met het supranationale landbouwbeleid en dat ze in de Raad gingen
stemmen met gekwalificeerde meerderheid in plaats van unanimiteit. Door
deze afwezigheid kwam de machinerie tot stilstand maar werd weer
doorbroken met het Akkoord van Luxemburg. In dit akkoord werd
vastgesteld dat er altijd gepoogd moest worden om consensus te
bewerkstelligen. Mocht dat niet lukken, dan dit akkoord de weg open voor
lidstaten om een veto uit te spreken. Dit akkoord zorgde er dus voor dat er
weinig wetgeving tot stand kwam.
Toen kwam de Europese Akte. Hierdoor kwamen er nieuwe landen bij
(1973). Het werd moeilijker om consensus te bereiken. De Akte kwam in
1986 en had plannen voor vrij verkeer en het voltooien van de interne
markt. Het was dus een grote doorbraak.
Toen kwam het Verdrag van Maastricht met het VEU (1992). In 1997 en
2001 kwamen de verdragen van Amsterdam en Nice. Dit zorgde voor een
uitgebreidere samenwerking. Daarna ging het weer slecht en moest de
Commissie aftreden (1999). Het Grondwettelijk Verdrag werd ook
afgewezen waarna het Verdrag van Lissabon tot stand kwam (2007).
Supranationalisme en intergouvernementalisme
Supranationalisme verwijst naar een situatie waarin meerdere landen
gezamenlijk beslissingen nemen en bevoegdheden overdragen aan een
1
, bovenliggende, vaak internationale instantie. Supranationale organisaties
hebben de macht om besluiten te nemen die boven de nationale wetten
en soevereiniteit van lidstaten staan. Lidstaten kunnen vrijwillig besluiten
hun soevereiniteit in bepaalde zaken te delen of te beperken.
Intergouvernementalisme verwijst naar samenwerking tussen landen,
waarbij elk land zijn eigen soevereiniteit behoudt. Beslissingen worden
genomen door de regeringen van de betrokken landen, meestal op basis
van unanieme of meerderheidsbeslissingen. Elke lidstaat behoudt controle
over zijn eigen beleid en wordt niet gebonden door een bovenliggende
autoriteit.
EU-instellingen
De Europese Raad
Wordt behandeld in artikel 15 VEU. De Europese Raad bestaat uit de
staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de
voorzitter van de Commissie. Er is een vaste voorzitter die de
vergaderingen leidt en voorbereidt. Deze voorzitter wordt voor
tweeëneenhalf jaar gekozen en kan eenmaal herkozen worden, maar heeft
geen stemrecht. Er vindt een vergadering plaats twee keer per half jaar.
Het oefent GEEN wetgevingstaak uit.
De Raad van Ministers (ook wel: de Raad)
Wordt behandeld in artikel 16 VEU. De Raad bestaat uit een
vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau. De Raad van
Ministers komt maandelijks bijeen, meestal in Brussel, en het
voorzitterschap rouleert elke zes maanden. De Raad wordt ondersteund
door een secretariaat en het invloedrijke Comité van Permanente
Vertegenwoordigers (COREPER), dat vaak al overeenstemming bereikt
voordat de Raad bijeenkomt. Het oefent samen met het Europees
Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit.
De Europese Commissie
Wordt behandeld in artikel 17 VEU. De Europese Commissie bestaat uit
één lid per lidstaat, die onafhankelijk opereert en niet als
vertegenwoordiger van hun nationale regering fungeert. De Commissie
heeft een voorzitter en vicevoorzitters. De voorzitter van de Commissie is
ook lid van de Europese Raad, wat zorgt voor nauwe communicatie en
afstemming. De benoemingsprocedure van de Commissie is complex; de
Europese Raad nomineert de voorzitter op basis van de uitkomsten van de
Europese verkiezingen, maar is niet verplicht de lijsttrekker van de
grootste fractie te kiezen.
Het Europees Parlement
Wordt behandeld in artikel 14 VEU. Het Europees Parlement, vaak gezien
als het hart van de Europese democratie, bestaat uit vertegenwoordigers
van de burgers van de EU, die om de vijf jaar via rechtstreekse
verkiezingen hun stem uitbrengen. De verkiezingen zijn echter
gefragmenteerd door de afwezigheid van transnationale kieslijsten en
variatie in verkiezingsdata. Het parlement telt maximaal 751 leden,
verdeeld op basis van evenredige vertegenwoordiging, maar in
2