integratie en regulatie onder bijzondere
omstandigheden
HC7 Inspanningsfysiologie
Stofwisseling
Bij een toename van de belasting, wordt er meer zuurstof opgenomen. De
maximale zuurstofopname (VO2max) verschilt sterk per individu. Genetische
aanleg, leeftijd en geslacht zijn belangrijke determinatoren voor de VO2max. De
eenheid van de VO2max is ml/kg/min.
De VO2max is dus de maximale hoeveelheid zuurstof dat opgenomen tijdens de
maximale inspanning. Het zuurstof wordt in de spieren gebruikt door de
mitochondriën om koolhydraten en vetten te verbranden. Bij deze verbranding
komt CO2 vrij, dat in de longen via gaswisseling wordt afgegeven.
Er zijn een aantal factoren die voor belang zijn voor de efficiëntie van de
zuurstofopname:
Teugvolume
Ademfrequentie
Hartfrequentie
Slagvolume (wordt gezien als de meest beperkende factor)
Vaatfunctie spieren / vasodilatatie
Het aantal en de kwaliteit van de mitochondriën
Spierfysiologie
Er zijn twee typen spiervezels:
- Type I (langzaam): worden gebruikt voor duursporten,
uithoudingsvermogen.
Verbruiken minder energie, efficiënter.
- Type II (snel): worden gebruikt voor intensieve korte activiteiten,
krachtsport.
Verbruiken meer energie, minder efficiënt.
a. Type IIa: lijken iets meer op type I
b. Type IIb: de klassieke type II
De type II spiervezels hebben veel meer motorneuronen die de spier aansturen.
Dit zorgt ervoor dat deze spieren snel en krachtig kunnen reageren op signalen.
Type I Type IIa Type IIb
, Functie Lange duur Korte duur Kracht/snelheid
ATP-ase activiteit Laag Hoog Hoog
Mitochondriën Hoog Medium Laag
Glycogeengehalt Laag Hoogst Hoog
e
Glycolytisch Laag Hoog Hoog
vermogen
Oxidatieve Hoogst Medium Laag
capaciteit
Lactaatproductie Laag Hoog Hoogst
Er zit ook een verschil in de contractiele
eigenschappen van de spiervezels. De
krachtopbouw van type II vezels is erg snel,
maar ook de vermoeidheid treedt snel op. Zie
de afbeelding hiernaast.
Het duurt even voordat de O2 opname maximaal is, het eerste deel van de
inspanning wordt dus anaeroob gefaciliteerd. Later als de O2 opname
gemaximaliseerd is, kan er aeroob verbrand worden. Na de inspanning is er ook
nog een verhoogde O2 opname, waardoor er (spier)herstel plaatsvindt.
Substraat O2 nodig? Snelheid Capaciteit
ATP-CP CP Nee Snelst Beperkt
Lactaatsystee Glycogeen Nee Snel Medium/
m (glucose) beperkt
Aeroob Glycogeen, Ja Langzaam Groot/
systeem glucose, onbeperkt
vetzuren
Deze energiebronnen werken allemaal samen. Ze lopen tijdens inspanning in
elkaar over, het is dus nooit echt op. Al deze energiesystemen berusten op de
ATP productie. Deze wordt aangezet wanneer:
↓ ATP/ADP ratio
↓ NAD/NADH+H+ ratio
↑ intracellulair Ca2+
↓ pO2
Lactaat kan dus vrijkomen bij het toenemen van de intensiteit, dit is normaal.
Deze toename kan lager worden, als men beter getraind is. Lactaat is echter
geen metabool afvalproduct en is een belangrijk intermediair voor de
stofwisseling; het is de koppeling tussen het anaerobe en het aerobe systeem. De
intracellulaire pH ([H+]) en Pi zorgen voor de spiervermoeidheid.
Koolhydraten Vetten
o Lever en spieren o Spieren en vetweefsel
o Glycogeen en glucose o Vetzuren
o Bevat water o –
o Meet ATP per liter O2 o Minder ATP per liter O2
o Voorraad beperkt o Voorraad onbeperkt
Op = stop Nooit op!