Hoofdstuk 1: Inleiding tot anatomie
Plaatsaanduidingen:
(afgeleid van het ) Latijn Nederlands
Craniaal In de richting van de schedel gelegen
Caudaal In de richting van de staart gelegen
Ventraal Aan of naar de buikzijde
Dorsaal Aan of naar de rugzijde
Superior Bovenaan gelegen
Inferior Onderaan gelegen
Drie lichaamsvlakken:
o Het frontaal vlak, evenwijdig aan de lichaamsas; verdeelt het lichaam of
delen daarvan in voor en achter.
o Het sagittaal vlak, loodrecht op een frontaal vlak; verdeelt het lichaam of
delen daarvan in links en rechts.
o Het transversaal vlak, evenwijdig aan het vloeroppervlak; staat loodrecht
op de lichaamsas en verdeelt het lichaam of delen daarvan in boven en
onder.
Lichaamsassen:
o Sagittale as: loopt van voor (buik) naar achter (rug) en maakt zijwaartse
bewegingen mogelijk.
o Transversale as: loopt van links naar rechts (horizontaal) en maakt
bewegingen naar voren mogelijk.
o Longitudinale as: van boven naar beneden en maakt draaibewegingen
mogelijk (pirouette).
Richtingsaanduidingen:
(afgeleid van het) Latijn Nederlands
Anteflexie Voorwaarts bewegen
Retroflexie Rugwaarts bewegen
Abductie Zijwaarts van het lichaam af bewegen
Adductie Zijwaarts naar het lichaam toe
bewegen
Rotatie Draaien
Exorotatie Naar buiten, van het lichaam af
draaien
Endorotatie Naar binnen, naar het lichaam toe
draaien
Laterorotatie Zijwaarts van het lichaam af draaien
Mediorotatie Zijwaarts naar het lichaam toe draaien
Flexie Buigen
Extensie Strekken
Lateroflexie Zijwaarts buigen (van de romp)
Ventraalflexie Voorwaarts (buikwaarts) buigen
dorsaalflexie Achterwaarts (rugwaarts) buigen
Palmairflexie In de richting van de handpalm buigen
,Plantairflexie In de richting van de voetzool buigen
(voet strekken)
Supinatie Binnenste rand optrekken
Pronatie Buitenste rand optrekken
Radiaalabductie Zijwaarts naar het spaakbeen toe
bewegen (van de hand)
Ulnairabductie Zijwaarts naar de ellepijp toe bewegen
(van de hand)
Elevatie Opwaarts
Depressie Neerwaarts
Protractie Voorwaarts strekken
Retractie Terugtrekken
Bewegingen in het frontale vlak: Abductie, Adductie en Lateroflexie
Bewegingen in het sagittale vlak: Flecxie, extensie, anteflexie, retroflexie,
plaintairflexie, palmairflexie en dorsaalflexie
Bewegingen in het transversale vlak: Endorotaie, exorotatie,
Andere bewegingsmogelijkheden: Protractie, retractie, elevatie, depressie,
laterorotatie, mediorotatie, pronatie en supinatie.
Gewrichten Anatomisch Nederlandse Om welke In welk
bewegingsrich vertaling anatomisc anatomisch
ting he as e vlak
Knie + flexie Buiging (buigen) transversale sagittale vlak
elleboog extensie strekking as
Transversale sagittale vlak
Schouder + anteflexie (strekken)
Voorwaarts as
Transversale sagittale vlak
heup bewegen van een as
Retroflexie arm of been
achterwaarts transversale sagittale vlak
bewegen van een as
arm of been
abductie Bewegingen van je sagittale as Frontale vlak
lichaam af.
adductie Bewegingen naar sagittale as frontale vlak
je lichaam toe.
endorotatie naar binnen longitudinal transversale
draaien van een e as vlak
arm of been
exorotatie naar buiten Longitudinal transversale
draaien van een e as vlak
arm of been
onderarm Supinatie naar buiten longitudinal Transversale
draaien van een e as vlak
pronatie onderarm
Naar binnen Longitudinal Transversale
draaien van een e as vlak
onderarm
pols dorsaalflexie hand transversale Sagittale vlak
achterwaarts in as
de richting van de
handrug buigen
palmairflexie De beweging Transversale sagittale vlak
waarbij de hand as
naar de handpalm
toe buigt.
, radiaaldeviatie hand bewegen in sagittale as Frontale vlak
(radiaalabductie de richting van
) het spaakbeen
ulnairdeviatie De beweging sagittale as frontale vlak
(ulnairabductie) waarbij de hand
naar de pinkzijde
van de hand
enkel (BSG) Plantairflexie beweegt.
neerwaarts transversale Sagittale vlak
strekken van de as
voet
dorsaalflexie opwaarts trekken transversale sagittale vlak
van de voet as
enkel (OSG) Supinatie naar buiten sagittale as frontale vlak
draaien van een
onderarm of voet
pronatie Naar binnen Sagittale as frontale vlak
draaien van een
onderarm of voet
romp ventraalflexie De beweging Transversale sagittale vlak
waarbij de romp as
naar voren buigt.
dorsaalflexie naar achteren transversale sagittale vlak
buigen van de as
romp
Lateroflexie Beweging waarbij sagittale as frontale vlak
de romp naar één
kant buigt
(zijwaarts)
rotatie (links en de romp naar links Longitudinal transversale
rechts) of rechts draaien e as vlak
Schoudergorde elevatie Het optrekken n.v.t. n.v.t.
l van de
(schouderblad schoudergordel,
en) waarbij het
schouderblad
Depressie omhoog beweegt.
schouderblad n.v.t n.v.t
langs de borstkas
Protractie omlaag bewegen
schouderblad n.v.t. n.v.t.
langs de borstkas
naar voren
bewegen
retractie schouderblad n.v.t. n.v.t.
langs de borstkas
naar de
wervelkolom
Laterorotatie bewegen
onderste punt van n.v.t. n.v.t.
het schouderblad
naar buiten
draaien
Mediorotatie De beweging n.v.t. n.v.t.
waarbij de
schouderbladeren
naar de
middenlijn van
het lichaam
, Hoofdstuk 2: Anatomie en fysiologie van het
bewegingsapparaat.
Het bewegingsstelsel bestaat uit het skelet, de gewrichten en de spieren.
Het skelet is het geraamte waarrond ons lichaam is opgebouwd. De beenderen
van het skelet worden samengehouden ter hoogte van de gewrichten en het
geheel wordt in beweging gebracht door de spieren.
Het skelet heeft de volgende functies:
Het geeft vorm aan het lichaam
Het geeft steun aan het lichaam
Het is de aanhechting voor spieren, pezen en banden
Het biedt de mogelijkheid tot bewegen binnen de gewrichten
Het biedt bescherming aan de inwendige organen (hersenen, hart en
longen)
Het zorgt voor vorming van bloedcellen.
Een bindweefselverbinding is een verbinding tussen beenderen die geen of
slechts een minimale beweging tussen beenderen toelaat.
Een gewricht wordt gevormd door twee stukken bot waarvan de uiteinden met
kraakbeen zijn bekleed. Dit is een glad en elastisch weefsel.
Soorten gewrichten:
Scharniergewricht (vingerkootjes)
Rolgewricht (in de onderarm, waar het spaakbeen om de ellepijp draait)
Zadelgewricht (middenhandjes van de duim)
Ei- of ellipsvormig gewricht (het polsgewricht)
Kogelgewricht (heupgewricht)
Draaigewricht (twee bovenste nekwervels)
Taken van het spierstelsel:
Het tot stand brengen van bewegingen. Hierbij zijn de beenderen van het
skelet de aangrijpingspunten.
Het handhaven van de normale houding van het lichaam. Samen met het
skelet.
Het beschermen van zwakke delen
Het produceren van warmte (rillen bij kou)
In het sarcoplasma vinden we:
De celkernen en mitochondriën
Vetten, glycogeen (opgeslagen glucose), creatinefosfaat (CP) en
adenosinetrifosfaat (ATP)
Myoglobine: Deze stof lijkt op hemoglobine in de rode bloedlichaampjes,
bindt de zuurstof in de spier en zorgt op die manier voor een kleine
zuurstofvoorraad.
Myofibrillen: bestaan uit twee soorten eiwitten, myosine en actine, die
samen het sarcomeer vormen.