College 1
Tentamen: 70% feiten
Spiervezelmembraam heeft een positief geladen buitenkant door Na+
Relaties bij spierfunctie
• Hoekmoment-relatie ~ lengte-krachtrelatie
• Stimulatiefrequentie-momentrelatie ~ stimulatiefrequentie-krachtrelatie
• Moment-snelheidsrelatie ~ kracht-snelheidsrelatie
Pees
• Spierbuik → pezen→ botten
• Zet zich voort in de spier als peesplaat: aponeurose
• Pennatiehoek = hoek die de spiervezels maken
o Bij vezelverkorting is er verandering in deze hoek
o Training leidt ook al tot verandering hoek
• Spier in bovenbeen kan 10 cm lang zijn
• PCSA: dwarsdoorsnede op spierbuik met alle spiervezels te zien (dat zwarte rondje)
• Anatomische dwars doorsnede ACSA = horizontale lijn
• Pezen geven kracht via bindweefsel over op de botten
• Bij spierverkorting neemt PCSA toe
,Bedrust
• Gevolgen:
o Atrofie → (ACSA) Dwarsdoorsnede spieren is kleiner geworden
o Vetlaag neemt toe
Spierkracht
• Spier levert kracht in lengte richting spier
• Afstand tot draaipunt = momentsarm a
• Moment = kracht * momentsarm
•
• MomentF1 = MomentFspier = F1 * c = Fspier * a
Explosief vermogen
= anaeroob vermogen
→ Wat is hiervoor gunstig:
- Vezeltype II zijn goed voor het explosief vermogen
- Lange spiervezel zal sneller samentrekken omdat er meer sarcomen in serie staan
(meer verkorting)
- Stijfheid van pezen, meer stijve pees
o Bij een stij pees kan je meer energie opslaan
o Slappe pezen zijn niet zo handig (mensen met diabetes bijv. hebben dit meer)
- Meer massa → Grotere pennatiehoek → meer kracht
- Krachtsnelheidsrelatie (Vermogen = kracht + snelheid)
- Dieet
- Aansturing, rekrutering van motorunits: in korte tijd veel motorunits aansturen
Atrofie = spieren die dunner worden
,3 fundamentele relaties
• Hoek-momentrelatie
• Stimulatiefrequentie-momentrelatie
• Moment-snelheidsrelatie
Cel
• Kern met chromatine/ erfelijk materiaal (code voor eiwitten)
• Via transcriptie word code overgenomen naar mRNA
• Dit gaat uit de kern
• Code op mRNA wordt getransleerd op de ribosomen (grote eiwitcomplexen waar
translatie plaatsvindt → liggen los of aan het ER)
• Daar wordt a.d.h.v. van mRNA de aminozuren aan elkaar gekoppeld
• Lysosomen voor slopen cellen
• Membraan: omgeeft cellen en organellen
• Chromatine: bevat het erfelijke materiaal
• Cytoplasma/ cytosol: celvloeistof
• Mitochondria: betrokken bij ATP-productie
• Lysosomen: afbraak/ opruimen van kapotte structuren
• Ribosomen: eiwitcomplexen, hier vindt eiwitsynthese plaats (op endoplasmatisch
reticulum of los in cytosol)
• Endoplasmatisch reticulum (ER): aanmaak van eiwitten, hormonen, vetten, etc.
• Golgi-apparaat: afwerking producten uit ER en transport naar plaats van bestemming
Post-translationele modificaties
Spiervezel
➢ Spiercellen zijn heel lang (10 cm bijvoorbeeld)
o Spiercel is hetzelfde als spiervezel
➢ Ze hebben heel veel kernen (paar honderd kernen per mm)
o Elke kern onderhoudt een stukje van de cel, vandaar dat je er zoveel nodig
hebt
o Kernen liggen net onder sarcolemma
, ➢ In spiercellen zit naast ER ook SR: sarcoplastisch reticulum
➢ Het cytosol van spiercellen is voor 80% opgevuld met contractiele eiwitten actine en
myosine
➢ Spiercellen bevatten speciale stamcellen (satellietcellen)
o Zitten net aan de buitenkant van sarcolemma (van spiervezel)
o Bevat 1-5 5 van kernen
o Deze kunnen zich delen
▪ Satellietcel blijven of
▪ Migreren in de cel en ontwikkelen tot kernen
o → bij groei of beschadiging komen deze te pas
Spiervezel
• Spiervezel is ongeveer 8–10 cm bij spier in bovenbeen (vastus lateralis), komt door
pennatiehoeken
• 1 spiervezel = 1 spiercel
• Kunnen makkelijk adapteren
o Omdat ze speciale stamcellen bevatten: satellietcellen
o Satellietcellen zitten net buiten sarcolemma, in bindweefsellaagje
• Paar 100 kernen per mm spiervezel
o Heeft te maken met eiwitsynthese: continu opbouw en afbouw eiwitten
• Stamcellen hebben het vermogen om te delen voor groei, zodat als de spier langer
wordt er meer kernen bij komen
o Stamcellen blijven (zelfs op hoge leeftijd) het vermogen hebben om te delen
(dus je kan altijd krachttraining blijven doen)
• Her trainen verloopt sneller dan in eerste instantie (dus dat je hebt getraind dan een
tijdje stopt en dan weer opnieuw traint)
o Hoe lang je dan kan stoppen is nog de vraag
• T-tubulli is een instulping naar sarcolemma, hier kan Ca naar binnen
Myofibril
• Een spiervezel is opgebouwd uit enkele duizenden (2000) myofibrillen → die zijn
weer opgebouwd uit actine en myosine
• T_tubuli is een soort voortzetting van sarcolemma
• Actiepotentiaal gaat via T-tubuli binnen en kan zo elke myofibril bereiken
• Elke myofibril is omgeven met SR en daar zit het calcium in
• Mitochondriën zitten tussen actine en myosine fillamenten in