Metabole Systemen
Samenvatting
Slimacadamy literatuur deel 1
SA H.1= Het spijsverteringskanaal
Gastro-interstinale kanaal (GI-kanaal) bestaat uit het verteringskanaal en de bijbehorende
klieren (speekselklieren, lever, pancreas)
Structuur spijsverteringskanaal (van binnen naar buiten)
1- Mucosa= epitheliale bekleding, onderliggende lamina propria, rijk aan bloedvaten,
lymfe, klieren, villi, dunne laag glad spierweefsel (muscularis mucosae)
2- Submucosa= straf bindweefsel, grotere bloedvaten, lymfe, klieren, neuronen, plexus
submucosalis
3- Muscularis externa= dikke laag, meerdere lagen glad spierweefsel (circulaire
spierlaag plexus myentericus, bindweefsel met bloed- en lymfevaten
longitudinale spierlaag), spierlaag soort voor peristaltiek
4- Serosa= dunne laag, losmazig bindweefsel, bedekkende laag mesotheel
SA H.2= Organen van het spijsverteringskanaal
Mondholte= meerlagig plaveiselepitheel, drie grote speekselklieren
Speekselklieren= opgebouwd uit sereus en/of muceus klierweefsel met daaromheen myo-
epitheelcellen (zorgen voor beweging speekselproduct door de buizen)
- Glandula parotis= alleen sereuze cellen, centrale kern, veel ruw ER, produceren
amylase (geven enzymen en proteïnen af)
- Glandula submandibularis= gemengd maar voornamelijk sereuze cellen, heldere
cellen, produceren amylase, lysozymen, secretiegranula
- Glandula sublingualis= gemengd maar voornamelijk muceuze cellen (kern aan
buitenkant van cel, smeereigenschappen)
Primaire speeksel= isotoon, zelfde ionensamenstellingen als bloed
Secundair speeksel= hypotoon, hoger kaliumgehalte, andere pH
Pancreas (alvleesklier)= klier met endocrien en exocrien gedeelte, ventrale en dorsale aanleg
- Endocrien= eilandjes van Langerhans, 1%
- Exocrien= 84%, acinaire klieren (vormen afvoergang), uitscheiding van trypsinogeen
en procarboxypeptidase
Secretie cholecystokinine, secretine (uitscheiding van veel pancreassap)
- Overige 15% bestaat uit bloedvaten, bindweefsel en afvoergangen
Lever= na huid grootste orgaan in lichaam, grote lobben, omgeven door kapsel van Glisson
- Hilus= grote bloedvaten, lymfe, galgangen, tak van nervus vagus
- Vena portae geresorbeerde stoffen in weefsel
- Sinusoïden uitwisseling tussen bloed en weefsel, kupffercellen (macrofagen)
- Bestaat voornamelijk uit parenchymcellen= secerneren galzouten
- Vena centralis= bloed verzamelplaats venae hepaticae vena cava inferior
- Voedselmetabolisme, neutralisatie toxische stoffen en hormonen
,Leverlobus leverlobjes (lobuli)
- Centraal is de centrale vene gelegen, daaromheen parenchymcellen
- Vena portae (zuurstofarm ) 75% van bloedstroom, arteria hepatica (zuurstofrijk) 25%
- Peribillaire plexus= arteriële plexus die galgangen omgeeft van capillairen
- Perifeer= oxidatief energiemetabolisme, afbraak eiwitten en ureum
- Centraal= vorming glutamine, vetten, ketonen
Parenchymcellen= hepatocyten, grote cellen, één of soms 2 ronde celkernen, vaak zijn er
vetdruppels te zien, kunnen allemaal gal produceren
- De vlak verlopende laterale celmembraan tussen twee cellen transport
- De sinusoïde celmembraan (Kupffer cellen) met microvilli (ruimte van Disse)
uitwisseling
- De membraan die de intercellulaire ruimte van het galcapillair vormt en microvilli
draagt tegen lekker van gal
- Regeneratiecapacitiet= weefsel wordt opnieuw aangemaakt
Vetsynthese= lipoproteïnepartikels
- VLDL= verlaten cel via golgi door exocytose, lichaamseigen vettransport tussen
parenchymcellen en andere weefsels
- LDL= ontstaat door onttrekking triglyceride van VLDL
- HDL= halen cholesterolesters op uit weefsels en vervoeren naar lever waar het wordt
omgezet tot galzouten
Gal= galzuren, water, IgA, afvalstoffen, ionen, bilirubine (gevormd in lever, transport in bloed
door koppeling aan albumine)
Gluconeogenese= omzetting van aminozuren in koolhydraten door lever, bijproduct ureum
wat wordt uitgescheiden door lever
Galblaas= hol orgaan aangesloten op de lever dat geconcentreerde gal opslaat
- Hoe meer de galgangen samenkomen richting de hilus, hoe groter het lumen en hoe
meer cilindrisch epitheel
- Verenigen van galgangen tot ductus hepaticus communis, ductus cysticus (afvoer gal
vanuit galblaas) mondt daar ook uit verder ductus choledochus en voegt samen
met afvoergang van pancreas uit duodenum
- Sfincter van Oddi= doorstroom van gal naar duodenum
- In de wand mist de muscularis mucosae
- Functies: opslag gal, onttrekken van water aan gal
SA H.3= Het ademhalingssysteem
Neusholte pharynx larynx trachea bronchi bronchioli terminalis bronchioli
respiratorius (eerste uitwisseling vindt hier al plaats) ductus alveolaris alveoli
Long en luchtwegen= opname zuurstof, afgifte CO2, regulatie zuur-base evenwicht
- Geleidende deel= neusholte tot bronchioli terminalis (bevochtiging, verwarmen en
reinigen lucht)
- Respiratoire deel= bronchioli respiratorius tot alveoli (O2/CO2 uitwisseling)
, Neusholte= bestaat uit interne fossae nasales (neusholten) en het vestibulum nasi (voorhof
van de neus) gescheiden door septum nasi (neustussenschot)
Hoe weet je waar je in het buizenstelsel zit?
- Kraakbeen= alleen aanwezig in trachea en bronchiën
- Epitheel= cilindrisch (hoog), kubisch (wat lager), afgeplat (alveoli)
- Kliercellen= hoger in luchtwegen
Respiratoir epitheel:
- Cilindrisch/kubisch epitheel met trilharen (cilia)
- Slijmbekercellen (goblet cell)= veel in bovenkant
luchtwegen (trachea), produceren slijm, sereus
(eiwitrijk, centrale kern), musceus (slijm,
koolhydraten, celkern weggedrukt)
- Basale cellen= stamcel van het epitheel, kan
epitheelcel of slijmbekercel worden, regulatie van
secretieprocessen in het slijmvlies
- Borstelcellen= bevatten microvilli (geen cilia)
- Kleine korrelcellen= endocriene functie
Reuk epitheel= chemoreceptoren zorgen voor reukzin
- Reukneuronen= reageren op geuren
- Ondersteunde-cellen= behouden van micro-omgeving
- Basale cellen= stamcellen, vervangen reuk-neuronen
Epitheel bij rokers= meerrijig gaat over naar meerlagig niet verhoornend plaveiselepitheel
- Relatieve toename slijmbekercellen meer slijm omdat er veel giftige stoffen zijn
die het lichaam weg wil hebben
- Afname van trilhaarepitheel
- Ontstaan van carcinomen
Algemene opbouw van binnen (lumen) naar buiten
1. Respiratoir epitheel
2. Dun laagje bindweefsel
3. Muscularis mucosa
4. Submucosa
5. Kraakbeen en perichondrium
Bronchus= kraakbeenringen gaan over in onregelmatige kraakbeenplaaten en in de kleinste
vertakkingen (5 mm) verdwijnt het kraakbeen geleidelijk.
Bronchioli= kraakbeen en klierweefsel afwezig, relatief veel gladde spiercellen
- Aggregaten van lymfocyten= BALT (in de longen), kleine lymfoide orgaanstructuren,
belangrijke rol bij immuunrespons
- Terminalis= kubisch epitheel met cilia, geen slijmbekercellen, clara-cellen (=productie
van vloeistoffen met anti-inflammatoire componenten, beschermen bronchioli
- Terminalis respiratoires= kubisch epitheel zonder cilia
Samenvatting
Slimacadamy literatuur deel 1
SA H.1= Het spijsverteringskanaal
Gastro-interstinale kanaal (GI-kanaal) bestaat uit het verteringskanaal en de bijbehorende
klieren (speekselklieren, lever, pancreas)
Structuur spijsverteringskanaal (van binnen naar buiten)
1- Mucosa= epitheliale bekleding, onderliggende lamina propria, rijk aan bloedvaten,
lymfe, klieren, villi, dunne laag glad spierweefsel (muscularis mucosae)
2- Submucosa= straf bindweefsel, grotere bloedvaten, lymfe, klieren, neuronen, plexus
submucosalis
3- Muscularis externa= dikke laag, meerdere lagen glad spierweefsel (circulaire
spierlaag plexus myentericus, bindweefsel met bloed- en lymfevaten
longitudinale spierlaag), spierlaag soort voor peristaltiek
4- Serosa= dunne laag, losmazig bindweefsel, bedekkende laag mesotheel
SA H.2= Organen van het spijsverteringskanaal
Mondholte= meerlagig plaveiselepitheel, drie grote speekselklieren
Speekselklieren= opgebouwd uit sereus en/of muceus klierweefsel met daaromheen myo-
epitheelcellen (zorgen voor beweging speekselproduct door de buizen)
- Glandula parotis= alleen sereuze cellen, centrale kern, veel ruw ER, produceren
amylase (geven enzymen en proteïnen af)
- Glandula submandibularis= gemengd maar voornamelijk sereuze cellen, heldere
cellen, produceren amylase, lysozymen, secretiegranula
- Glandula sublingualis= gemengd maar voornamelijk muceuze cellen (kern aan
buitenkant van cel, smeereigenschappen)
Primaire speeksel= isotoon, zelfde ionensamenstellingen als bloed
Secundair speeksel= hypotoon, hoger kaliumgehalte, andere pH
Pancreas (alvleesklier)= klier met endocrien en exocrien gedeelte, ventrale en dorsale aanleg
- Endocrien= eilandjes van Langerhans, 1%
- Exocrien= 84%, acinaire klieren (vormen afvoergang), uitscheiding van trypsinogeen
en procarboxypeptidase
Secretie cholecystokinine, secretine (uitscheiding van veel pancreassap)
- Overige 15% bestaat uit bloedvaten, bindweefsel en afvoergangen
Lever= na huid grootste orgaan in lichaam, grote lobben, omgeven door kapsel van Glisson
- Hilus= grote bloedvaten, lymfe, galgangen, tak van nervus vagus
- Vena portae geresorbeerde stoffen in weefsel
- Sinusoïden uitwisseling tussen bloed en weefsel, kupffercellen (macrofagen)
- Bestaat voornamelijk uit parenchymcellen= secerneren galzouten
- Vena centralis= bloed verzamelplaats venae hepaticae vena cava inferior
- Voedselmetabolisme, neutralisatie toxische stoffen en hormonen
,Leverlobus leverlobjes (lobuli)
- Centraal is de centrale vene gelegen, daaromheen parenchymcellen
- Vena portae (zuurstofarm ) 75% van bloedstroom, arteria hepatica (zuurstofrijk) 25%
- Peribillaire plexus= arteriële plexus die galgangen omgeeft van capillairen
- Perifeer= oxidatief energiemetabolisme, afbraak eiwitten en ureum
- Centraal= vorming glutamine, vetten, ketonen
Parenchymcellen= hepatocyten, grote cellen, één of soms 2 ronde celkernen, vaak zijn er
vetdruppels te zien, kunnen allemaal gal produceren
- De vlak verlopende laterale celmembraan tussen twee cellen transport
- De sinusoïde celmembraan (Kupffer cellen) met microvilli (ruimte van Disse)
uitwisseling
- De membraan die de intercellulaire ruimte van het galcapillair vormt en microvilli
draagt tegen lekker van gal
- Regeneratiecapacitiet= weefsel wordt opnieuw aangemaakt
Vetsynthese= lipoproteïnepartikels
- VLDL= verlaten cel via golgi door exocytose, lichaamseigen vettransport tussen
parenchymcellen en andere weefsels
- LDL= ontstaat door onttrekking triglyceride van VLDL
- HDL= halen cholesterolesters op uit weefsels en vervoeren naar lever waar het wordt
omgezet tot galzouten
Gal= galzuren, water, IgA, afvalstoffen, ionen, bilirubine (gevormd in lever, transport in bloed
door koppeling aan albumine)
Gluconeogenese= omzetting van aminozuren in koolhydraten door lever, bijproduct ureum
wat wordt uitgescheiden door lever
Galblaas= hol orgaan aangesloten op de lever dat geconcentreerde gal opslaat
- Hoe meer de galgangen samenkomen richting de hilus, hoe groter het lumen en hoe
meer cilindrisch epitheel
- Verenigen van galgangen tot ductus hepaticus communis, ductus cysticus (afvoer gal
vanuit galblaas) mondt daar ook uit verder ductus choledochus en voegt samen
met afvoergang van pancreas uit duodenum
- Sfincter van Oddi= doorstroom van gal naar duodenum
- In de wand mist de muscularis mucosae
- Functies: opslag gal, onttrekken van water aan gal
SA H.3= Het ademhalingssysteem
Neusholte pharynx larynx trachea bronchi bronchioli terminalis bronchioli
respiratorius (eerste uitwisseling vindt hier al plaats) ductus alveolaris alveoli
Long en luchtwegen= opname zuurstof, afgifte CO2, regulatie zuur-base evenwicht
- Geleidende deel= neusholte tot bronchioli terminalis (bevochtiging, verwarmen en
reinigen lucht)
- Respiratoire deel= bronchioli respiratorius tot alveoli (O2/CO2 uitwisseling)
, Neusholte= bestaat uit interne fossae nasales (neusholten) en het vestibulum nasi (voorhof
van de neus) gescheiden door septum nasi (neustussenschot)
Hoe weet je waar je in het buizenstelsel zit?
- Kraakbeen= alleen aanwezig in trachea en bronchiën
- Epitheel= cilindrisch (hoog), kubisch (wat lager), afgeplat (alveoli)
- Kliercellen= hoger in luchtwegen
Respiratoir epitheel:
- Cilindrisch/kubisch epitheel met trilharen (cilia)
- Slijmbekercellen (goblet cell)= veel in bovenkant
luchtwegen (trachea), produceren slijm, sereus
(eiwitrijk, centrale kern), musceus (slijm,
koolhydraten, celkern weggedrukt)
- Basale cellen= stamcel van het epitheel, kan
epitheelcel of slijmbekercel worden, regulatie van
secretieprocessen in het slijmvlies
- Borstelcellen= bevatten microvilli (geen cilia)
- Kleine korrelcellen= endocriene functie
Reuk epitheel= chemoreceptoren zorgen voor reukzin
- Reukneuronen= reageren op geuren
- Ondersteunde-cellen= behouden van micro-omgeving
- Basale cellen= stamcellen, vervangen reuk-neuronen
Epitheel bij rokers= meerrijig gaat over naar meerlagig niet verhoornend plaveiselepitheel
- Relatieve toename slijmbekercellen meer slijm omdat er veel giftige stoffen zijn
die het lichaam weg wil hebben
- Afname van trilhaarepitheel
- Ontstaan van carcinomen
Algemene opbouw van binnen (lumen) naar buiten
1. Respiratoir epitheel
2. Dun laagje bindweefsel
3. Muscularis mucosa
4. Submucosa
5. Kraakbeen en perichondrium
Bronchus= kraakbeenringen gaan over in onregelmatige kraakbeenplaaten en in de kleinste
vertakkingen (5 mm) verdwijnt het kraakbeen geleidelijk.
Bronchioli= kraakbeen en klierweefsel afwezig, relatief veel gladde spiercellen
- Aggregaten van lymfocyten= BALT (in de longen), kleine lymfoide orgaanstructuren,
belangrijke rol bij immuunrespons
- Terminalis= kubisch epitheel met cilia, geen slijmbekercellen, clara-cellen (=productie
van vloeistoffen met anti-inflammatoire componenten, beschermen bronchioli
- Terminalis respiratoires= kubisch epitheel zonder cilia