Universiteit Utrecht
In de vragen is zowel stof uit de hoorcolleges als uit het boek verwerkt. LET OP HET BEVAT
NIET ALLE STOF! Ik heb dit tentamen puur gemaakt voor mezelf om te oefenen met de stof.
1. Wat zegt het diathese-stressmodel?
A. Psychopathologie ontstaat uitsluitend door genetische aanleg
B. Psychopathologie ontstaat alleen door stressoren in de omgeving
C. Biologische kwetsbaarheid en stressoren in de omgeving kunnen gezamenlijk leiden
tot psychopathologie
D. Alleen ernstige trauma’s kunnen psychopathologie veroorzaken
2. Wat is geen kenmerk van de humanistische benadering?
A. Focus op leven in het hier en nu
B. De mens is van nature goed en autonoom
C. De mens is gericht op zelfactualisatie
D. Objectieve beleving staat centraal
Casus: De ouders van Maaike (10) liggen in scheiding. Maaike huilt dagelijks en slaapt slecht
door het geruzie van haar ouders. Daarnaast kan ze zich niet meer concentreren op haar
schoolwerk. Op school merkt de juf dat het slecht gaat met Maaike en zij schakelt de ouders
in. Wanneer de ouders op gesprek komen, vormen zij samen met de juf een plan van aanpak
om de situatie te verbeteren. De ouders van Maaike maken hierdoor minder ruzie, omdat ze
zich nu focussen op het welzijn van hun dochter. Na enkele weken gaat het weer beter met
Maaike, ze slaapt beter en heeft meer energie voor haar schoolwerk.
3. Waarvan is hier sprake?
A. Er is sprake van een kluwengezin
B. De juf is bliksemafleider omdat zij met de ouders praat over Maaike haar gedrag
C. Maaike dient als bliksemafleider omdat zij onbewust de aandacht vraagt en de
spanningen tussen haar ouders wegneemt
D. Geen van bovenstaande
Casus: Studenten van de Universiteit Utrecht werken samen aan een onderzoeksverslag over
politiegeweld in Nederland en de VS. Ze gaan op onderzoek uit om statistieken over
politiegeweld te vinden. Student 1 zegt dat het in de VS veel vaker voorkomt, omdat hij laatst
nog in het nieuws heeft gezien dat agenten tijdens een demonstratie gebruikmaken van
traangas en pepperspray. Welke bias past bij de uitspraak van student 1?
A. Beschikbaarheids/availability bias
B. Geheugenbias
C. Aandachtsbias
D. Confirmation bias
, 5. Welke hulpvraag past bij de onderkennende fase van de diagnostische cyclus?
A. Waarom is dit aan de hand?
B. Wat is er aan de hand?
C. Wie kan mij helpen?
D. Hoe moet ik verwoorden wat ik ervaar?
6. Wat is de juiste combinatie?
A. Verhelderende fase en klachtenanalyse, onderkennende fase en probleemanalyse,
verklarende fase en verklaringsanalyse, indicerende fase en indicatieanalyse.
B. Verklarende fase en klachtenanalyse, onderkennende fase en probleemanalyse,
verhelderende fase en verklaringsanalyse, indicerende fase en indicatieanalyse.
C. Hulpvragen en klachtenanalyse, intakegesprek en probleemanalyse, vervolggesprek
en verklaringsanalyse, voorlopige classificatie en indicatieanalyse.
D. Geen van bovenstaande.
7. Wat is een voorbeeld van een verhelderende diagnose?
A. De cliënt heeft een gegeneraliseerde angststoornis volgens DSM-5
B. De cliënt vermijdt steeds meer sociale situaties
C. CGT lijkt de geschikte behandeling voor deze cliënt
D. De cliënt heeft een uiterlijk conform leeftijd en een BMI van 20
8. Welke van de onderstaande uitspraken is geen (veelbesproken) kritiekpunt op de DSM-5?
A. Er is geen oog voor gradaties
B. Het is pseudo-wetenschappelijk
C. De criteria is gebaseerd op consensus en te weinig op empirische gegevens
D. De grens tussen normaal en abnormaal is onduidelijk
9. Wat is kenmerkend voor Alzheimer?
A. Het begint plots, meestal als gevolg van een hersenbloeding
B. Het begint altijd met motorische achteruitgang
C. Alzheimer komt alleen voor bij mensen onder de 65 jaar
D. Het begint sluipend met een geleidelijke cognitieve achteruitgang
10. Wat is een verschil tussen een beperkte en uitgebreide neurocognitieve stoornis?
A. Alleen bij een uitgebreide stoornis wordt het geheugen aangetast