Fundamentele boodschap van sociale psychologie is dat bij al het goede én het slechte in ons leven
anderen betrokken zijn.
Het algemene doel van sociale psychologie is het begrijpen van hoe en waarom individuen zich
gedragen, denken en voelen zoals ze doen in sociale situaties. Hoe men zichzelf ziet en de anderen in
een bepaalde situatie kan je gedrag enz beïnvloeden. Dus de definitie van sociale psychologie is het
wetenschappelijke veld dat probeert de nature en oorzaken van individueel gedrag, gevoelens en
gedachten in sociale situaties te begrijpen.
De term wetenschap is niet alleen voor scheikunde enz bedoeld. De term refereert naar 2 dingen: (1)
een set waarden en (2) methoden die kunnen worden gebruikt om een breed spectrum aan
onderwerpen te onderzoeken. Dus iets is wetenschappelijk als het aan 1 en 2 voldoet. Daarnaast zijn
er ook nog 4 kernwaarden voor wetenschappelijk onderzoek:
1. Nauwkeurigheid
a. Het verzamelen van informatie moet zo zorgvuldig, precies en foutloos mogelijk
gebeuren ook beter voor herhaalbaarheid
2. Objectiviteit
a. Het verzamelen van informatie op een manier dat er zo min mogelijk last kan zijn van
bias
3. Scepticisme
a. A commitment to accepting findings as accurate only to the extent they have been
verified over and over again
4. Open-mindedness
a. Ervoor open staan dat de resultaten anders kunnen zijn dan je had verwacht
Sociale context / ervaringen self-identities sociaal gedrag
Vele variabelen kunnen een rol spelen in waarom een persoon zich gedraagt zoals hij zich gedraagt,
maar bijna allemaal vallen ze onder de volgende 5:
1. De acties en eigenschappen van anderen
2. Cognitieve processen
3. Omgevingsfactoren: impact van de fysieke wereld (bv. Weer,
zintuigen)
4. Biologische factoren (aangeboren, innerlijk)
a. Evolutie (niet dat dat de oorzaak is, maar meer dat je
dan aanleg hebt voor bepaalde dingen)
5. Culturele factoren
Vroeger waren er 2 soorten sociale psychologen: degenen die focusten
op gedrag en degenen die focusten op gedachten. Tegenwoordig
combineren de sociale psychologen beide soorten. Ook wordt er tegenwoordig meer onderzoek
gedaan naar de invloed van emoties
Er moet rekening gehouden worden met culturele factoren die van invloed kunnen zijn op gedrag,
gedachten enz. Sociale psychologie heeft daarom een multicultureel perspectief aangenomen. Dit
houdt in dat er rekening gehouden wordt met geslacht, leeftijd, etniciteit, seksuele oriëntatie enz.
,Eén techniek voor het onderzoeken van gedrag is door systematische observatie – het zorgvuldig
observeren van gedrag wanneer het plaatsvindt. De systematische observatie kan in ‘natuurlijke’
setting plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld een winkelcentrum. Dan heet het naturalistische observatie.
Een andere vorm van observatie is de survey methode. Hierbij wordt aan een grote groep mensen
gevraagd om te antwoorden op vragen over hun gedrag en waarom ze zich zo gedragen (attitudes).
Correlatie houdt in dat veranderingen in de ene variabele samengaan met verandering in de andere
variabele. Door een correlatie is het mogelijk om voorspellingen te doen, wat het doel van onderzoek
vaak is. Hoe sterker de correlatie, hoe beter de voorspelling ook is. deze methode (van het zoeken
naar correlaties) heet de correlationele methode. Maar let op! Correlatie is NIET causatie. Je weet
niet of de ene variabele de oorzaak is van de andere variabele en al is dat zo, weet je niet welke
richting op. Je weet alleen of iets wel/niet gerelateerd is aan elkaar.
Wanneer je doel is om iets uit te leggen, wordt de experimentele methode gebruikt. Hierbij wordt
één variabele systematisch gevarieerd en wordt het effect van die veranderingen op andere
variabele(n) gemeten. Hierbij kun je wél zeggen of er sprake is van een causaal verband. De variabele
die veranderd wordt, heet de onafhankelijke variabele. En de variabele die bestudeerd wordt, heet
de afhankelijke variabele. Voor goed experimenteel onderzoek is het van belang dat de
participanten random worden toegewezen aan hun onderzoeksgroep. Daarnaast moeten alle andere
factoren die de afhankelijke variabele kunnen beïnvloeden constant gehouden worden. Anders
kunnen andere factoren het resultaat beïnvloeden (confounding).
Sociale psychologen gaan vaak nog een stapje verder in de experimentele methode. Ze willen vaak
weten waarom het gedrag plaatsvindt. Wat de onderliggende gedachten, gevoelens e.d. zijn. Ze
willen achter de mediating variabelen komen, dat wat tussen de afhankelijke en onafhankelijke
variabele inligt, wat het gedrag doet veroorzaken wat de persoon uitvoert.
Meta-analyse wordt uitgevoerd om
te kijken hoe gelijk de resultaten
van gerepliceerde onderzoeken
zijn. Dus of de verkregen resultaten
van verschillende onderzoeken
gelijk zijn. Het kan ook ‘gaten’
aanwijzen in onderzoek wat is
uitgevoerd of dat bepaalde
onderzoeksettings beter zijn ofzo.
Dat laatste zou dan een moderator
zijn. Een factor die het effect van de
onafhankelijke variabele op de
afhankelijke variabele doet
versterken.
Er is één techniek die vrij uniek is in
sociale psychologie: misleiding. Dit
houdt eigenlijk in dat de onderzoekers informatie voor de participanten achterhouden over de reden
waarom het onderzoek wordt uitgevoerd.
,B&B H2: Social Cognition
2.1 Heuristics
Sociale cognitie is hoe we denken over de sociale wereld, onze pogingen om complexe problemen te
begrijpen en waarom we soms minder rationeel zijn. Sociale cognitie gaat vaak automatisch.
Je kan op 1 tijdstip maar een beperkte hoeveelheid aan informatie verwerken. Op het moment dat je
over je limiet gaat, kom je in een staat van informatie overload. Je vraagt dan meer van je
cognitiesysteem dan je aankan. Je limiet kan ook beïnvloed worden door factoren als stress of wat
anderen van je vragen. Om met zulke situaties van informatie overload te dealen, zetten mensen
strategiën in om hun cognitiesysteem te rekken, door meer te doen met minder inspanning. Dat is
een van de redenen waarom sociale cognitie vaak automatisch gaat. Een van de meest nuttige
strategieën is het gebruik van heuristics – simpele regels voor het maken van complexe beslissingen
of het trekken van conclusies op een snelle en effectieve manier.
Bij een eerste indruk vergelijken mensen anderen vaak met een prototype – een lijst van
veelvoorkomende attributies bij personen binnen een bepaalde categorie. Als je op deze manier
conclusies trekt, maak je gebruik van de representativeness heuristic.
Een andere heuristiek is de availability heuristic – een strategie voor het trekken van conclusies op
basis van hoe makkelijk je specifieke informatie kunt ophalen. Hoe makkelijker je het op kan halen,
hoe groter de impact is op je beslissing/conclusie. Dit beïnvloeden kan d.m.v. de media of bijv. hoe
vaak je iets hebt meegemaakt. Maar het is ook zo dat wanneer je meer informatie kunt ophalen, dat
dat dan invloed heeft op je beslissing. Wanneer je beslissing gebaseerd is op gevoelens/emoties, is er
meer sprake van hoe makkelijk je iets kunt ophalen. Wanneer je beslissing gebaseerd is op feiten, is
er meer sprake van de hoeveelheid informatie.
Een andere heuristiek is anchoring and adjustment – een heuristiek die betrekking heeft op het
hebben van een bepaalde ‘startwaarde’ waarna die aangepast kan worden. Dit kan bijvoorbeeld op
marktplaats, wanneer je boven je prijs gaat zitten die je wil en dan gaan er mensen bieden en kom je
uiteindelijk nog op een prijs die je prima vindt. Maar het gaat ook met porties eten. ook wel bekend
als het portie size effect – de neiging om meer te eten wanneer je een grotere portie krijgt.
De laatste heuristiek die genoemd wordt is de status quo heuristiek – mensen houden iets liever hoe
het op dat moment is, dan dat ze het veranderen.
2.2: Schema’s
Een schema is een verzameling van kennis over een stimulus. Schema’s beïnvloeden 3 basic
processen van sociale cognitie: aandacht – de informatie die ons opvalt, opslaan – de processen die
we gebruiken bij het opslaan van die informatie en ophalen – hoe we de informatie ophalen uit het
geheugen om te gebruiken. Wanneer er sprake is van informatie overload, ga je gebruik maken van
schema’s. Door wat we weten uit vorige ervaringen en waardoor je die schema’s hebt ontwikkeld, ga
je kijken naar wat belangrijk is. Het helpt je dus om informatie efficiënt te verwerken. Informatie die
niet samengaat met je schema, wordt opgeslagen op een andere plek, die ook nog terug te roepen is.
Hoe sterker en beter de schema’s ontwikkeld zijn, hoe meer ze invloed lijken te hebben op ons
geheugen/denken.
Schema’s kunnen ook tijdelijk geactiveerd worden,
ook wel priming genoemd. Dit houdt in dat een
bepaalde ervaring een bepaald schema activeert,
welke dan weer effect heeft op ons denken bij een
volgende gebeurtenis.
, Het is vaak moeilijk om schema’s te veranderen. Ze laten een sterk perseverance effect zien –
hetzelfde blijven ook al krijg je tegenstrijdige informatie.
Ook metaforen kunnen onze interpretatie van gebeurtenissen beïnvloeden.
2.3: Automatische en gecontroleerde processen
Automatische processen zijn processen waar je niet echt bij stilstaat, wat gemakkelijk gaat en weinig
energie kost. Gecontroleerde processen zijn het tegenovergestelde daarvan
2.4: Mogelijke bronnen van error
Veel mensen zien de wereld door een roze bril, ook wel de optimistic bias – en sterke neiging om
over risico’s heen te kijken en te verwachten dat alles goed zal aflopen – genoemd. Mensen
verwachten vaak dat ze meer positieve en minder negatieve dingen meemaken dan anderen.
We vertrouwen vaak ook meer in onze eigen oordelen dan redelijk is, ook wel de overconfidence
bias genoemd. Vaak is dit zo omdat we een tekort hebben aan essentiële informatie.
Een ander voorbeeld van optimisme is de planning fallacy – de neiging om te geloven dat we meer
kunnen doen in een bepaalde tijd dan dat we eigenlijk kunnen. Wanneer we gemotiveerd zijn,
verwachten we ook vaak dat we ergens sneller mee klaar zijn dan in werkelijkheid zo is. Je kunt een
meer realistische planning maken wanneer je bedenkt hoe je bij het doel komt, welke stappen je
daarvoor moet zetten.
Counterfactual thinking is een andere benaming voor ‘wat als …’. Bijvoorbeeld wanneer je een lager
cijfer haalt dan je had gehoopt ‘wat als ik meer had geleerd?’ Dit kan je wel helpen voor in de
toekomst. Je leert van je fouten. Als je je vergelijkt met iets dat het beter had gekund, ga je je vaak
slechter voelen. Maar als je je vergelijkt met dat het ook slechter had gekund, ervaar je eerder
positieve gevoelens.
Spijt is afhankelijk van het tijdsperspectief. Op korte termijn heb je vaak meer spijt van iets wat je bijv
hebt veranderd (de actie). Maar op langere termijn heb je vaak meer spijt van iets wat je niet hebt
gedaan (inactie).
Magical thinking houdt in dat je dingen denkt die als je logisch nadenkt helemaal niet kunnen
kloppen, maar wat je toch doet.
2.5: Affect en cognitie
Wanneer we ons goed voelen, zien we de wereld vaak als positiever. En als we ons slecht voelen, zien
we de wereld vaak als negatiever. Maar het is ook zo dat als je je positiever voelt, dat je de wereld
om je heen wat beter begrijpt.
Een andere manier waarop je affect je cognitie beïnvloedt is door het mood congruence effect – dat
je stemming sterk bepaald welke informatie in een bepaalde situatie je opvalt en dan naar het
geheugen gaat. Een ander effect, het mood dependent memory effect zegt dat de informatie die je
ophaalt uit je geheugen afhankelijk is van je stemming. Je haalt vaker informatie op van momenten
dat je een vergelijkbare stemming hebt.
Cognities kunnen ook invloed hebben op je affect. Eén aspect wordt beschreven door de two-factor
theorie of emotion – gebaseerd op dat we onze emoties niet altijd weten, maar dat we die gokken
door wat er gebeurd is of wat je denkt. Bijv. dat je net bent gesneden door een taxichauffeur, dan zal
je wel boos zijn. Een andere manier waarop cognities effect hebben op je affect is d.m.v. schema’s.
Factoren die onze cognities beïnvloeden verschillen van de factoren die onze affect beïnvloeden.