H5: Genen, evolutie, erfelijkheid en omgeving
De menselijke genen zijn ontstaan door evolutie (fylogenie) en zijn van
belang bij biologische fundamenten voor de eigen ontwikkeling. Genen
zorgen ervoor dat informatie van de ene generatie op de andere wordt
overgedragen. Gene vormen de basis voor gedeelde menselijke
kenmerken. Spontane mutaties of fouten in de deling van chromosomen
kunnen voorkomen.
Chromosomen en genen:
Chromosomen zijn draadachtige structuren die genen bevatten en zich in
de celkern bevinden. Menselijke sperma en eicellen bevatten elk 23
chromosomen. Tijdens de conceptie vormen ze een cel die bestaat uit 23
paren behalve voortplantingscellen, die bevatten maar 23 chromosomen.
Vrouwen: xx
Mannen: xy
Een genoom vertegenwoordigt alle DNA-sequenties van een enkele soort.
De belangrijkste eigenschap van DNA is dat het een model biedt voor de
productie van RNA, dit heeft verschillende functies in de cel zoals het
vormen van eiwit.
Genetische erfelijkheid:
Kinderen krijgen hun genen van hun ouders. De combinatie van genen die
een kind via het sperma en de eicel van zijn ouders ontvangt wordt het
genotype genoemd. De waarneembare eigenschappen van het kind is het
fenotype. Genetische factoren kunnen de waarschijnlijkheid beïnvloeden
dat een kind zich op een bepaalde manier ontwikkelt.
Dominante en recessieve eigenschappen:
Een dominante eigenschap draagt zich altijd over en een recessief
eigenschap moet via beide ouders worden overgedragen. De verdeling
hiertussen zorgt ervoor dat broer en zus er anders uitzien. Problemem met
genen op het Y-chromosoom hebben alleen invloed op de ontwikkeling van
jongens, daarnaast worden de genen op het x-chromosoom bij de vrouw
onderdrukt.
Mutatie:
Mutatie is een plotselinge verandering van de genetische code. Er is een
positieve correlatie tussen mutaties en de leeftijd van de ouders. Mutaties
kunnen zowel een positieve als negatieve invloed hebben.
1
Ontwikkelingspsychologie | literatuur samenvatting | Delilah Kaya
,Gnomische inprenting:
Volgens het model van Mendel is het niet belangrijk van welke ouder het
gen komt. Inprenting betekent dat een gen wordt uitgeschakeld of
ingeschakeld als het kind een gen erft, maar niet als het wordt
doorgegeven van de andere ouder. Bij genomische inprenting is er
doorgaans geen sprake van een permanente verandering of mutatie in het
DNA, maar gaat het om de functie.
Evolutietheorie:
Volgens de evolutietheorie van Darwin ondergaat een soort in de loop van
de tijd constante veranderingen. Evolutie verklaart niet waar nieuwe
kenmerken en aanpassingen vandaan komen, maar alleen waarom ze zich
voortplanten. Evolutie omvat een proces van interactie tussen genen en
omgevingen. Verschillen zijn een vereiste voor evolutie.
Genregulatie, epigenese en ontwikkeling:
De informatie in de genen van de allereerste cel (zygote) is een
voorwaarde voor het vormen van een kind. Een optimale
ontwikkelingsloop vereist dat omgevingskenmerken en genetische functies
aan elkaar zijn aangepast. Epigenese is een proces waarbij mechanismen
betrokken zijn die de functie van genen reguleren zonder structuur te
veranderen. Genen zijn aangeboren maar het is het epi genetische proces
dat bepaalt hoe ze tot uiting komen.
Het ontwikkelingsmodel bestaat uit vier niveaus die elkaar beïnvloeden:
1. Genetische activiteit
2. Zenuwactiviteit
3. Gedrag
4. Omgeving
Erfelijkheid bij verschillen:
Er zijn twee belangrijke manieren om de invloed van erfelijkheid en de
omgeving op specifieke aspecten van ontwikkeling te bestuderen:
- Familiestudies: de aanname is dat individuen die meer genen delen,
meer op elkaar zullen lijken als een bepaald kenmerk door genen
wordt beïnvloed.
Monozygote en dizygote worden vergeleken.
2
Ontwikkelingspsychologie | literatuur samenvatting | Delilah Kaya
,Wat ontdekten ze?
1. Tweelingenonderzoek
Eeneiige tweelingen (die 100% dezelfde genen delen) lijken veel meer op
elkaar dan twee-eiige tweelingen (die maar 50% van dezelfde genen
delen).
Als eeneiige tweelingen apart opgroeien, lijken ze nog steeds erg op
elkaar, vooral in intelligentie. Dit laat zien dat genen heel belangrijk zijn.
Maar… sommige eigenschappen worden beïnvloed door hoe je opgroeit.
Bijvoorbeeld:
De taal van eeneiige tweelingen wordt verschillender als ze ouder worden
(omdat ze in andere omgevingen terechtkomen).
Voor persoonlijkheid kunnen sommige tweelingen juist meer op elkaar
gaan lijken als ze dezelfde dingen blijven doen.
2. Adoptiestudies
Kinderen die zijn geadopteerd lijken qua persoonlijkheid nauwelijks op hun
adoptieouders of biologische ouders. Dit suggereert dat persoonlijkheid
minder afhankelijk is van de opvoeding.
IQ (intelligentie), daarentegen, is anders. Als een kind in een gezin met
een betere opleiding of meer geld opgroeit, heeft dat een positief effect op
hun IQ. Dit betekent dat de omgeving veel kan bijdragen aan hoe slim
iemand wordt.
3. Psychiatrische stoornissen en talenten
Ziekten zoals depressie of stoornissen zoals autisme komen vaker voor in
families. Als je bijvoorbeeld een eeneiige tweeling hebt met depressie, heb
je zelf 40% kans op depressie. Dit wijst op een sterke genetische
component.
Speciale talenten, zoals muzikaliteit, kunnen ook genetisch zijn. Maar als je
in een muzikale familie opgroeit, speelt opvoeding en omgeving een grote
rol.
Wat zijn erfelijkheidsschattingen?
Erfelijkheidsschattingen meten in welke mate verschillen tussen mensen in
een bepaalde eigenschap, zoals intelligentie of gedrag, door genen
worden bepaald in plaats van door omgevingsinvloeden. Dit wordt vaak
3
Ontwikkelingspsychologie | literatuur samenvatting | Delilah Kaya
, berekend aan de hand van tweelingenstudies: Eeneiige tweelingen (100%
dezelfde genen) en twee-eiige tweelingen (50% dezelfde genen) groeien
vaak in dezelfde omgeving op. Als een eigenschap sterk genetisch bepaald
is, zou de correlatie in die eigenschap hoger moeten zijn bij eeneiige
tweelingen dan bij twee-eiige tweelingen.
Voorbeeld:
Intelligentie heeft een correlatie van 0,86 bij eeneiige tweelingen en 0,60
bij twee-eiige tweelingen. Het verschil is 0,26. Omdat twee-eiige
tweelingen slechts de helft van de genen delen die eeneiige tweelingen
delen, wordt dit verschil vermenigvuldigd met 2. De erfelijkheidsschatting
voor intelligentie is dan 0,52 (ofwel 52%).
Beperkingen van erfelijkheidsschattingen:
Interactie tussen genen en omgeving: Erfelijkheid en omgeving werken
niet onafhankelijk. Bijvoorbeeld, genen kunnen het effect van een
omgeving versterken, en omgekeerd. Dit betekent dat
erfelijkheidsschattingen variëren afhankelijk van de omgeving: In een
uniforme (gelijke) omgeving lijken genetische verschillen belangrijker. In
een diverse omgeving speelt de omgeving een grotere rol.
Misinterpretaties: Mensen denken soms dat erfelijkheidsschattingen
betekenen dat een eigenschap puur genetisch is. Dit klopt niet: een hoge
erfelijkheidsschatting betekent niet dat de omgeving geen invloed heeft.
Voorbeeld:
Als eeneiige tweelingen opgroeien in exact dezelfde omgeving, zijn
verschillen tussen hen volledig te wijten aan niet-gedeelde
omgevingsinvloeden.
Genen en hun invloed op eigenschappen:
Veel eigenschappen en stoornissen, zoals intelligentie, taalstoornissen en
autismespectrumstoornissen (ASS), worden beïnvloed door meerdere
genen en omgevingsfactoren.
Voorbeeld: Het FOXP2-gen werd ontdekt bij een Engels gezin met
taalstoornissen, maar bleek niet de enige factor te zijn. Het gen beïnvloedt
ook bredere processen zoals de organisatie van sequentiële acties.
Bij ASS zijn honderden genen betrokken, wat het moeilijk maakt om één
directe oorzaak te vinden.
Genetische vatbaarheid versus veerkracht
4
Ontwikkelingspsychologie | literatuur samenvatting | Delilah Kaya