LUK de student kan de aard van de veranderingen tijdens de ontwikkeling
onderscheiden en kan deze herkennen in een korte casus..........................7
LUK de student begrijpt wat de relatieve invloed van nature en nurture op
de ontwikkeling is........................................................................................9
LUK de student kan de verschillende perspectieven op ontwikkeling
onderscheiden..............................................................................................9
Psychodynamisch perspectief.................................................................10
Behavioristisch perspectief.....................................................................12
Cognitieve perspectief............................................................................13
Systemisch perspectief...........................................................................14
Evolutionair perspectief..........................................................................14
LUK de student kent het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner en kan
dit herkennen in een korte casus...............................................................14
LUK de student weet wat klassieke conditionering is, kent de bijhorende
begrippen en mechanismes en begrijpt hoe dit gedrag beïnvloedt...........16
LUK de student weet wat operante conditionering is, kent de bijhorende
begrippen en mechanismes en begrijpt hoe dit gedrag beïnvloedt...........18
LUK de student begrijpt hoe vanuit de cognitieve psychologie leren op
verschillende wijzen verklaard kan worden................................................20
LUK de student begrijpt wat sociaal leren is en hoe dit gedrag kan
beïnvloeden...............................................................................................20
LUK de student weet wat de drie functies van het geheugen zijn en kan
deze herkennen in een korte casus............................................................21
LUK de student heeft kennis van de drie stadia van geheugen en de
kenmerken van de verschillende stadia (functie, wijze van codering,
opslagcapaciteit, de duur).........................................................................22
LUK de student kent de begrippen infantiele amnesie, prospectief
geheugen, retrograde amnesie en anterograde amnesie en kan deze
herkennen in een korte casus....................................................................24
LUK de student weet wat impliciete en expliciete herinneringen zijn........24
LUK de student heeft kennis van hoe informatie uit het geheugen kan
worden opgehaald en kan dit herkennen in een korte casus.....................25
LUK de student begrijpt de zeven manieren van falen van het geheugen en
kan deze herkennen in een korte casus.....................................................26
,LUK de student weet wat mnemonische technieken zijn (methode van loci,
kapstokwoorden) en weet op welke andere manieren leren bevorderd kan
worden.......................................................................................................28
LUK de student heeft kennis van de prenatale bedreigingen voor de
ontwikkeling...............................................................................................29
LUK de student weet wat teratogene effecten zijn....................................29
LUK de student weet wat de fysieke vaardigheden zijn van een pasgeboren
baby en hoe de zintuigen zich ontwikkelen. ............................................30
LUK de student weet hoe de motorische ontwikkeling in de babytijd
verloopt en kan de mijlpalen onderscheiden.............................................31
LUK de student kent de cognitieve ontwikkeling in de babytijd volgens de
theorie van Piaget, kan deze herkennen in een korte casus en begrijpt de
steun en kritiek op deze theorie................................................................33
LUK de student begrijpt hoe de taalontwikkeling verloopt. .......................34
LUK de student herkent hoe de ontwikkeling van emoties en de
ontwikkeling van het ik in de babytijd verloopt. ........................................36
LUK de student kan de verschillende hechtingsstijlen herkennen in een
korte casus en begrijpt de rol van hechting binnen de sociaal-emotionele
ontwikkeling. .............................................................................................37
LUK de student begrijpt de persoonlijkheidsontwikkeling volgens Erikson in
de babytijd.................................................................................................39
LUK de student kan het type temperament bij baby’s herkennen in een
korte casus en kent de rol van temperament in de
persoonlijkheidsontwikkeling.....................................................................40
LUK de student kent de cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
volgens de theorie van Piaget, kan deze herkennen in een korte casus en
begrijpt de steun en kritiek op deze theorie..............................................41
LUK de student kent de visie van Vygotsky op de cognitieve ontwikkeling in
de peuter en kleutertijd en kan deze herkennen in een korte casus.........42
LUK de student begrijpt hoe de taalontwikkeling bij peuters en kleuters
verloopt......................................................................................................43
LUK de student begrijpt hoe genderidentiteit zich ontwikkelt en welke
factoren deze ontwikkeling kunnen beïnvloeden. ....................................43
LUK de student weet wat genderdiversiteit inhoudt..................................44
LUK de student kan de verschillende perspectieven over genderverschillen
onderscheiden. ..........................................................................................45
LUK de student kan de persoonlijkheidsontwikkeling in de peuter- en
kleutertijd volgens Erikson herkennen in een korte casus. .......................46
,LUK de student begrijpt hoe het zelfbeeld zich in de peuter- en kleutertijd
ontwikkelt. .................................................................................................47
LUK: de student weet hoe vriendschappen ontstaan in de peuter- en
kleutertijd. ................................................................................................48
LUK: De student weet wat de theory of mind inhoudt................................48
LUK de student heeft kennis van de verschillende opvoedingsstijlen en de
effectiviteit ervan en kan deze herkennen in een korte casus...................49
LUK de student kent de morele ontwikkeling (volgens Piaget en Kohlberg)
en kan deze herkennen in een korte casus. ..............................................50
LUK de student heeft kennis van de cognitieve ontwikkeling tijdens de
schooltijd (volgens Piaget en Vygotsky) en kan deze theorieën herkennen
in een korte casus......................................................................................50
LUK de student weet wat de hoofdkenmerken van faalangst zijn en kan
verschillende soorten faalangst onderscheiden.........................................51
LUK de student heeft kennis van de psychosociale ontwikkeling
volgens Erikson tijdens de schooltijd en kan deze theorie herkennen in een
korte casus.................................................................................................52
LUK de student begrijpt hoe eigenwaarde ontwikkelt tijdens de schooltijd.
...................................................................................................................52
LUK de student kent het belang van vriendschappen in de schooltijd,
begrijpt hoe vriendschappen zich ontvouwen............................................53
LUK de student heeft kennis van theorieën rondom pesten en populariteit
tijdens de schooltijd...................................................................................53
LUK de student weet wat ASS inhoudt, hoe vaak het voorkomt en hoe het
zich kan uiten.............................................................................................55
LUK de studenten weet wat ADHD inhoudt en hoe het zich kan uiten.......55
LUK de student heeft kennis van internaliserende problematiek tijdens de
schooltijd en heeft kennis van externaliserende problematiek en hoe deze
zich kunnen uiten.......................................................................................57
LUK de student weet wat fysieke rijping betekent en kan de gevolgen van
vroege en late rijping onderscheiden. .......................................................58
LUK de student heeft kennis van de puberteit en kan daarin belangrijke
mijlpalen onderscheiden. .........................................................................59
LUK de student heeft kennis van de hersenontwikkeling en het denken
binnen de adolescentie. ...........................................................................60
LUK de student heeft kennis van de cognitieve ontwikkeling tijdens de
adolescentie volgens Piaget en kan deze herkennen in een korte casus...60
, LUK de student heeft kennis van de informatieverwerkingstheorie tijdens
de adolescentie..........................................................................................61
LUK de student heeft kennis van de ontwikkeling van egocentrisme en kan
gerelateerde begrippen herkennen in een korte casus. ............................61
LUK de student weet hoe de ontwikkeling van het zelfbeeld en
eigenwaarde van de adolescent verloopt. ................................................62
LUK de student begrijpt de psychosociale ontwikkeling volgens Erikson
tijdens de adolescentie. ...........................................................................62
LUK de student weet hoe de identiteit tijdens de adolescentie ontwikkelt
volgens Marcia en kan dit herkennen in een korte casus...........................63
LUK de student heeft kennis van de rol van cultuur in de
identiteitsontwikkeling...............................................................................64
LUK de student weet op welke manier familieleden een rol spelen tijdens
de adolescentie. .......................................................................................64
LUK de student kent de rol van relaties met leeftijdgenoten en kan
verschillende type adolescenten hierin onderscheiden.............................65
LUK de student heeft kennis over de ontwikkeling van seksuele oriëntatie
en kan gerelateerde begrippen onderscheiden..........................................66
LUK de student heeft kennis over de ontwikkeling van genderidentiteit en
kan gerelateerde begrippen onderscheiden..............................................66
LUK de student weet wat de verschillende benaderingen van postformeel
denken (van Labouvie-Vief en Schaie) inhouden en kan dit herkennen in
een korte casus..........................................................................................67
LUK de student kent de rol van werk tijdens de jongvolwassenheid op het
gebied van identiteit en (geslacht en) beroepskeuze................................68
LUK de student weet welke rol de sociale klok speelt in de
jongvolwassenheid.....................................................................................68
LUK de student heeft kennis van de psychosociale ontwikkeling volgens
Erikson tijdens de jongvolwassenheid........................................................69
LUK de student kent de rol van vriendschap in de jongvolwassenheid en
weet hoe vriendschappen zich ontvouwen................................................69
LUK de student kent theorieën rondom verliefd worden............................70
LUK de student kent de begrippen gepassioneerde en
kameraadschappelijke liefde en kan verschillende soorten relaties
onderscheiden aan de hand van Sternbergs driedimensionale theorie en
kan deze herkennen in een korte casus.....................................................71
LUK de student heeft kennis van de ontwikkeling van zintuigen tijdens de
middelbare leeftijd.....................................................................................72