Blok 1: Kinder- en
jeugdpsychologie
Taak 1: Verstandelijke beperkingen
1. Wat is een verstandelijke beperking en welke zijn er?
Een verstandelijke beperking (intellectuele ontwikkelingsstoornis) is een aandoening die
begint tijdens de ontwikkelingsperiode die beide intellectuele en adaptieve
functioneringstekorten omvat in verschillende domeinen.
Conceptuele domein: geheugen, taal, lezen, schrijven, rekenkundig redeneren,
probleem oplossen en beoordelen van nieuwe situaties.
Sociale domein: besef van de gedachten, gevoelens en ervaringen van anderen
(empathie), interpersoonlijke communicatieve vaardigheden en sociaal
oordeelsvermogen.
Praktische domein: leervermogen en zelfmanagement in verschillende
levenssituaties, waaronder zelfverzorging, verantwoordelijkheden van een baan,
zelfmanagement van gedrag en plannen van taken.
Een verstandelijke beperking verwijst naar beperkingen in beide intelligentie en adaptief
gedrag. Veel mensen met deze aandoening zijn echter in staat om te leren en een
bevredigend leven te leiden. Verstandelijke beperkingen omvatten de breedste variatie in
cognitieve en gedragsmatige vaardigheden van elke kinderstoornis.
Afwijkingen in het denken:
Kinderen met een verstandelijke beperking kunnen niet discriminerend leren en
kunnen geen aandacht geven aan relevante cues;
Kinderen met een verstandelijke beperking hebben problemen om hun aandacht te
houden op iets en reageren trager;
Kinderen met ID kunnen niet uit zichzelf strategieën uitvoeren zoals herhaling,
mediatie en clusteren.
Er moet aan de volgende 3 diagnostische criteria worden voldaan (DSM):
A) Tekortkomingen in de intellectuele functies, zoals redeneren, probleemoplossing,
plannen, abstract denken, oordelen, academisch leren en leren door ervaring,
bevestigd door zowel klinische beoordeling als een individuele intelligentietest.
B) Deficiënties in adaptief functioneren die ertoe leiden dat de betrokkene niet kan
voldoen aan ontwikkelings- en sociaal-culturele normen voor persoonlijke
zelfstandigheid en sociale verantwoordelijkheid. Zonder voortdurende ondersteuning
beperken de adaptieve tekortkomingen het functioneren in een of meer activiteiten
van het dagelijks leven, zoals communicatie, sociale participatie en onafhankelijk
leven, over meerdere omgevingen, zoals thuis, op school, op het werk en in
gemeenschap.
C) Deficiënties in verstandelijke (intellectuele) functies en het aanpassingsvermogen
beginnen tijdens de ontwikkelingsperiode.
,Fragile-X-syndroom
Fragile-X-syndroom is de meest voorkomende vorm van overgeërfde verstandelijke
beperking (Downsyndroom komt vaker voor maar wordt minder vaak geërfd). Deze stoornis
treft ongeveer 1 op de 4000 mannen, en 1 op de 8000 vrouwen.
Fysieke kenmerken:
Groot voorhoofd
Prominente kaak en lage, uitstekende oren.
Deze intellectuele handicap bevindt zich over het algemeen in het milde tot middelmatige
bereik, hoewel sommige kinderen diep gehandicapt zijn en andere een normale intelligentie
hebben. Hoewel het gen voor het fragile-X-syndroom, bekend als het FMR-1-gen, zich op
het X-chromosoom bevindt, volgt dit syndroom geen traditioneel overervingspatroon.
Ongeveer een derde tot de helft van de vrouwen die deze stoornis dragen en overdragen,
worden zelf getroffen door een lichte mate van cognitieve of emotionele beschadiging. De
gedragskenmerken horende bij dit syndroom zijn subtiel maar onderscheidend. Het kan zich
uiten in ongewone sociale en communicatiepatronen die worden gekenmerkt door
verlegenheid en slecht oogcontact, evenals significante vertragingen in cognitieve- en
communicatieontwikkeling (met name bij mannen).
Sociale angst en vermijding komen ook veel voor (met name bij vrouwen). Opvallend is dat
de meeste mannen en ongeveer een derde van de vrouwen met het syndroom van fragile-X
een aantal autisme-achtige gedragingen vertonen zoals zichzelf bijten, op de tenen lopen en
het uitvoeren van repetitieve handelingen. Mensen met dit syndroom voldoen vaak aan de
criteria van autisme. Het gaat hier dus om een chromosomale afwijking waarbij een gebied
op het X-chromosoom ‘geknepen’ is. Het verwijst naar een breekbare (fragiele) plaats in het
geslachtschromosoom. Kinderen met dit syndroom lijden doorgaans aan een matige
verstandelijke beperking
Downsyndroom
Heeft duidelijke fysieke kenmerken (kleine schedel, grote tong en kleine mond,
almondvormige ogen, platte neusbrug). Dit ontstaat meestal doordat een extra chromosoom
zich hecht aan het 21ste chromosoom, bijvoorbeeld doordat de twee chromosomen van de
moeder zich niet scheiden
Fetal alcohol spectrum disorder (FASD)
Een verzamelnaam voor stoornissen die ontstaan na blootstelling aan alcohol in de
prenatale periode. De ernstigste vorm, fetal alcohol syndrome (FAS), wordt gekenmerkt door
disfuncties van het centrale zenuwstelsel, abnormale gezichtsvorm en verstoorde groei. Het
IQ van kinderen met FAS is vaak gelijk aan dat van kinderen met een milde verstandelijke
beperking
2. Wat zijn de verschillende mogelijke oorzaken van verstandelijke beperkingen?
Bij verstandelijke beperkingen wordt er onderscheid gemaakt tussen twee groepen, de
organische groep en de culturele familiaire groep. De organische groep heeft een
biologische oorzaak voor de beperking, dit is bij de culturele familiaire groep niet het geval.
Deze laatste groep wordt vaak geassocieerd met milde verstandelijke beperkingen.
Organische oorzaken zijn onder meer genetische en constitutionele factoren, zoals
chromosoomafwijkingen, condities van één gen en neurobiologische invloeden
(nature).
Cultureel-familiaire oorzaken of niet-organische oorzaken van een verstandelijke
beperking zijn onder meer diverse sociale, gedragsmatige en educatieve
risicofactoren (nurture).
, Enkele van de gevestigde risicofactoren voor een verstandelijke beperking zijn onder
meer alcohol, lood en andere gifstoffen of verwondingen die invloed hebben op de
prenatale en postnatale ontwikkeling. Andere risicofactoren beïnvloeden de kwaliteit
van fysieke en emotionele zorg en stimulering van zuigelingen en kleine kinderen,
zoals armoede en onvoldoende gezinsondersteuning.
Tot prenatale oorzaken behoren genetische syndromen, aangeboren fouten in de
stofwisseling, hersenafwijkingen, ziekten van de moeder en omgevingsfactoren. Perinatale
oorzaken betreffen diverse gebeurtenissen rond de bevalling. Tot de postnatale oorzaken
behoren hypoxisch-ischemische schade (zuurstoftekort), traumatisch hersenletsel, infecties
en vergiftigingen. Het Fragile-X syndroom is de meest voorkomende erfelijke oorzaak (het
syndroom van Down komt vaker voor maar is zelden erfelijk).
3. Wat is de prognose/ het verloop van een verstandelijke beperking?
Kinderen met een verstandelijke beperking volgen dezelfde ontwikkelingsfasen als normale
kinderen. Echter, hun doelen en motivatie worden langzaam minder door gevoelens van
frustratie, die leiden tot de verwachting te falen.
Verloop in stadia
1. Zuigeling ontwikkeling: verstandelijke beperkingen kunnen voor problemen zorgen
bij attachment, zelfregulatie, en verkenning van de omgeving. Baby’s met een ID
tonen vertraagd of geen oogcontact, coping, en sociaal lachen, die de ontwikkeling
van een secure attachment zou kunnen storen.
2. Vroege kinderjaren: kinderen met ID lopen het risico op verstoring van de
ontwikkeling van vakkundigheid en relaties met anderen. In deze jaren worden de
ontwikkelingsstoornissen van de meeste kinderen geïdentificeerd. Vroegtijdige
interventie is in dit stadium belangrijk om het kind te helpen met taal en
communicatievaardigheden. Kinderen die niet in staat zijn om hun behoeften en
verlangen te communiceren kunnen agressief, destructief of ingetrokken worden.
, 3. Midden kindertijd: kinderen communiceren met andere kinderen die geen
beperkingen hebben. Ze kunnen vaak geplaagd, gelabeld en buitengesloten worden.
Zelfbewuste kinderen kunnen reageren met een depressie of isolatie.
4. Adolescentie: slechte sociale vaardigheden en gebrek aan naleving van sociale
normen kan bijdragen aan afwijzingen. Seksualiteit is een andere uitdaging. Meisjes
met een matige tot ernstige mate van ID kunnen menstruatie en zelfzorg niet goed
begrijpen. Jongeren die de regels gerelateerd aan seksueel gedrag niet goed
verstaan kunnen ongepaste fysiek gedrag vertonen.
4. Wat is de prevalentie van de verschillende soorten verstandelijke beperkingen in
Nederland?
In het algemeen wordt bij jongens vaker een lichte verstandelijke beperking of ernstige vorm
vastgesteld dan bij meisjes (XY vs. XX-chromosoom). Ook speelt de sociaaleconomische
status een rol.
Gebaseerd op een intelligentie onder de 70IQ wordt het totale aantal kinderen en
volwassenen met een verstandelijke beperking geschat op 1 tot 3% van de populatie (Maulik
et al., 2011; Reichenberg et al., 2016). Echter past iedereen zijn eigen cognitieve
vaardigheden op een unieke manier toe die meer of minder adaptief is bij hun omgeving.
Door verschillende IQ-metingen, verschillende definities van verstandelijke beperking en
verschillende onderzoeksmethodes verschilt het per land.
Kinderen met een milde verstandelijke beperking kennen een ratio van 1.6:1 man-vrouw. Op
andere niveaus wordt het ook vaker bij mannen waargenomen, maar de ratios zijn
inconsitent over verschillende studies en zijn klein.
Het is bevestigd dat verstandelijke beperking vaker voorkomt bij kinderen uit lage socio-
economische gezinnen en kinderen uit een minderheidsgroep (Witwer et al., 2014). Deze
bevestiging wordt vooral gezien in kinderen met een milde verstandelijke beperking.
Mannen hebben een grotere kans op verstandelijke beperkingen omdat ze slechts één X-
chromosoom hebben. Veel genetische aandoeningen die verstandelijke beperkingen
veroorzaken, liggen op het X-chromosoom. Vrouwen hebben twee X-chromosomen,
waardoor ze een tweede (gezond) exemplaar kunnen gebruiken om defecten op te vangen.
Mannen hebben daarentegen maar één X-chromosoom, dus als daar een genetisch
probleem op zit, hebben ze geen reserve, wat het risico op beperkingen vergroot.
5. Hoe werkt de psychomotorische ontwikkeling bij iemand met een verstandelijke
beperking?
De cognitieve ontwikkeling van kinderen met een verstandelijke beperking verschilt met
kinderen zonder een verstandelijke beperking. Kinderen die een verstandelijke beperking
hebben, kunnen bepaalde taken gewoonweg niet uitvoeren ten aanzien van kinderen zonder
een verstandelijke beperking.
Similar sequence hypothese: kinderen met of zonder verstandelijke beperking
passeren dezelfde stadia van cognitieve ontwikkeling in dezelfde volgorde, ze
verschillen alleen in snelheid en de bovengrens van ontwikkeling.
Similar structure hypothese: kinderen met een verstandelijke beperking hebben
hetzelfde gedrag en dezelfde onderliggende processen als kinderen met een gewone
ontwikkeling op hetzelfde niveau, alleen op andere leeftijd. Het gaat dus over
dezelfde mentale leeftijd in plaats van dezelfde fysieke leeftijd.
De slowing and stability hypothesis: Kinderen met het syndroom van Down
kunnen tijdens hun vroege kinderjaren grote vooruitgang boeken in hun adaptieve en
sociale vaardigheden, maar naarmate ze ouder worden vertraagt hun
ontwikkelingssnelheid. Dit kan resulteren in een plateau of zelfs een afname in hun
jeugdpsychologie
Taak 1: Verstandelijke beperkingen
1. Wat is een verstandelijke beperking en welke zijn er?
Een verstandelijke beperking (intellectuele ontwikkelingsstoornis) is een aandoening die
begint tijdens de ontwikkelingsperiode die beide intellectuele en adaptieve
functioneringstekorten omvat in verschillende domeinen.
Conceptuele domein: geheugen, taal, lezen, schrijven, rekenkundig redeneren,
probleem oplossen en beoordelen van nieuwe situaties.
Sociale domein: besef van de gedachten, gevoelens en ervaringen van anderen
(empathie), interpersoonlijke communicatieve vaardigheden en sociaal
oordeelsvermogen.
Praktische domein: leervermogen en zelfmanagement in verschillende
levenssituaties, waaronder zelfverzorging, verantwoordelijkheden van een baan,
zelfmanagement van gedrag en plannen van taken.
Een verstandelijke beperking verwijst naar beperkingen in beide intelligentie en adaptief
gedrag. Veel mensen met deze aandoening zijn echter in staat om te leren en een
bevredigend leven te leiden. Verstandelijke beperkingen omvatten de breedste variatie in
cognitieve en gedragsmatige vaardigheden van elke kinderstoornis.
Afwijkingen in het denken:
Kinderen met een verstandelijke beperking kunnen niet discriminerend leren en
kunnen geen aandacht geven aan relevante cues;
Kinderen met een verstandelijke beperking hebben problemen om hun aandacht te
houden op iets en reageren trager;
Kinderen met ID kunnen niet uit zichzelf strategieën uitvoeren zoals herhaling,
mediatie en clusteren.
Er moet aan de volgende 3 diagnostische criteria worden voldaan (DSM):
A) Tekortkomingen in de intellectuele functies, zoals redeneren, probleemoplossing,
plannen, abstract denken, oordelen, academisch leren en leren door ervaring,
bevestigd door zowel klinische beoordeling als een individuele intelligentietest.
B) Deficiënties in adaptief functioneren die ertoe leiden dat de betrokkene niet kan
voldoen aan ontwikkelings- en sociaal-culturele normen voor persoonlijke
zelfstandigheid en sociale verantwoordelijkheid. Zonder voortdurende ondersteuning
beperken de adaptieve tekortkomingen het functioneren in een of meer activiteiten
van het dagelijks leven, zoals communicatie, sociale participatie en onafhankelijk
leven, over meerdere omgevingen, zoals thuis, op school, op het werk en in
gemeenschap.
C) Deficiënties in verstandelijke (intellectuele) functies en het aanpassingsvermogen
beginnen tijdens de ontwikkelingsperiode.
,Fragile-X-syndroom
Fragile-X-syndroom is de meest voorkomende vorm van overgeërfde verstandelijke
beperking (Downsyndroom komt vaker voor maar wordt minder vaak geërfd). Deze stoornis
treft ongeveer 1 op de 4000 mannen, en 1 op de 8000 vrouwen.
Fysieke kenmerken:
Groot voorhoofd
Prominente kaak en lage, uitstekende oren.
Deze intellectuele handicap bevindt zich over het algemeen in het milde tot middelmatige
bereik, hoewel sommige kinderen diep gehandicapt zijn en andere een normale intelligentie
hebben. Hoewel het gen voor het fragile-X-syndroom, bekend als het FMR-1-gen, zich op
het X-chromosoom bevindt, volgt dit syndroom geen traditioneel overervingspatroon.
Ongeveer een derde tot de helft van de vrouwen die deze stoornis dragen en overdragen,
worden zelf getroffen door een lichte mate van cognitieve of emotionele beschadiging. De
gedragskenmerken horende bij dit syndroom zijn subtiel maar onderscheidend. Het kan zich
uiten in ongewone sociale en communicatiepatronen die worden gekenmerkt door
verlegenheid en slecht oogcontact, evenals significante vertragingen in cognitieve- en
communicatieontwikkeling (met name bij mannen).
Sociale angst en vermijding komen ook veel voor (met name bij vrouwen). Opvallend is dat
de meeste mannen en ongeveer een derde van de vrouwen met het syndroom van fragile-X
een aantal autisme-achtige gedragingen vertonen zoals zichzelf bijten, op de tenen lopen en
het uitvoeren van repetitieve handelingen. Mensen met dit syndroom voldoen vaak aan de
criteria van autisme. Het gaat hier dus om een chromosomale afwijking waarbij een gebied
op het X-chromosoom ‘geknepen’ is. Het verwijst naar een breekbare (fragiele) plaats in het
geslachtschromosoom. Kinderen met dit syndroom lijden doorgaans aan een matige
verstandelijke beperking
Downsyndroom
Heeft duidelijke fysieke kenmerken (kleine schedel, grote tong en kleine mond,
almondvormige ogen, platte neusbrug). Dit ontstaat meestal doordat een extra chromosoom
zich hecht aan het 21ste chromosoom, bijvoorbeeld doordat de twee chromosomen van de
moeder zich niet scheiden
Fetal alcohol spectrum disorder (FASD)
Een verzamelnaam voor stoornissen die ontstaan na blootstelling aan alcohol in de
prenatale periode. De ernstigste vorm, fetal alcohol syndrome (FAS), wordt gekenmerkt door
disfuncties van het centrale zenuwstelsel, abnormale gezichtsvorm en verstoorde groei. Het
IQ van kinderen met FAS is vaak gelijk aan dat van kinderen met een milde verstandelijke
beperking
2. Wat zijn de verschillende mogelijke oorzaken van verstandelijke beperkingen?
Bij verstandelijke beperkingen wordt er onderscheid gemaakt tussen twee groepen, de
organische groep en de culturele familiaire groep. De organische groep heeft een
biologische oorzaak voor de beperking, dit is bij de culturele familiaire groep niet het geval.
Deze laatste groep wordt vaak geassocieerd met milde verstandelijke beperkingen.
Organische oorzaken zijn onder meer genetische en constitutionele factoren, zoals
chromosoomafwijkingen, condities van één gen en neurobiologische invloeden
(nature).
Cultureel-familiaire oorzaken of niet-organische oorzaken van een verstandelijke
beperking zijn onder meer diverse sociale, gedragsmatige en educatieve
risicofactoren (nurture).
, Enkele van de gevestigde risicofactoren voor een verstandelijke beperking zijn onder
meer alcohol, lood en andere gifstoffen of verwondingen die invloed hebben op de
prenatale en postnatale ontwikkeling. Andere risicofactoren beïnvloeden de kwaliteit
van fysieke en emotionele zorg en stimulering van zuigelingen en kleine kinderen,
zoals armoede en onvoldoende gezinsondersteuning.
Tot prenatale oorzaken behoren genetische syndromen, aangeboren fouten in de
stofwisseling, hersenafwijkingen, ziekten van de moeder en omgevingsfactoren. Perinatale
oorzaken betreffen diverse gebeurtenissen rond de bevalling. Tot de postnatale oorzaken
behoren hypoxisch-ischemische schade (zuurstoftekort), traumatisch hersenletsel, infecties
en vergiftigingen. Het Fragile-X syndroom is de meest voorkomende erfelijke oorzaak (het
syndroom van Down komt vaker voor maar is zelden erfelijk).
3. Wat is de prognose/ het verloop van een verstandelijke beperking?
Kinderen met een verstandelijke beperking volgen dezelfde ontwikkelingsfasen als normale
kinderen. Echter, hun doelen en motivatie worden langzaam minder door gevoelens van
frustratie, die leiden tot de verwachting te falen.
Verloop in stadia
1. Zuigeling ontwikkeling: verstandelijke beperkingen kunnen voor problemen zorgen
bij attachment, zelfregulatie, en verkenning van de omgeving. Baby’s met een ID
tonen vertraagd of geen oogcontact, coping, en sociaal lachen, die de ontwikkeling
van een secure attachment zou kunnen storen.
2. Vroege kinderjaren: kinderen met ID lopen het risico op verstoring van de
ontwikkeling van vakkundigheid en relaties met anderen. In deze jaren worden de
ontwikkelingsstoornissen van de meeste kinderen geïdentificeerd. Vroegtijdige
interventie is in dit stadium belangrijk om het kind te helpen met taal en
communicatievaardigheden. Kinderen die niet in staat zijn om hun behoeften en
verlangen te communiceren kunnen agressief, destructief of ingetrokken worden.
, 3. Midden kindertijd: kinderen communiceren met andere kinderen die geen
beperkingen hebben. Ze kunnen vaak geplaagd, gelabeld en buitengesloten worden.
Zelfbewuste kinderen kunnen reageren met een depressie of isolatie.
4. Adolescentie: slechte sociale vaardigheden en gebrek aan naleving van sociale
normen kan bijdragen aan afwijzingen. Seksualiteit is een andere uitdaging. Meisjes
met een matige tot ernstige mate van ID kunnen menstruatie en zelfzorg niet goed
begrijpen. Jongeren die de regels gerelateerd aan seksueel gedrag niet goed
verstaan kunnen ongepaste fysiek gedrag vertonen.
4. Wat is de prevalentie van de verschillende soorten verstandelijke beperkingen in
Nederland?
In het algemeen wordt bij jongens vaker een lichte verstandelijke beperking of ernstige vorm
vastgesteld dan bij meisjes (XY vs. XX-chromosoom). Ook speelt de sociaaleconomische
status een rol.
Gebaseerd op een intelligentie onder de 70IQ wordt het totale aantal kinderen en
volwassenen met een verstandelijke beperking geschat op 1 tot 3% van de populatie (Maulik
et al., 2011; Reichenberg et al., 2016). Echter past iedereen zijn eigen cognitieve
vaardigheden op een unieke manier toe die meer of minder adaptief is bij hun omgeving.
Door verschillende IQ-metingen, verschillende definities van verstandelijke beperking en
verschillende onderzoeksmethodes verschilt het per land.
Kinderen met een milde verstandelijke beperking kennen een ratio van 1.6:1 man-vrouw. Op
andere niveaus wordt het ook vaker bij mannen waargenomen, maar de ratios zijn
inconsitent over verschillende studies en zijn klein.
Het is bevestigd dat verstandelijke beperking vaker voorkomt bij kinderen uit lage socio-
economische gezinnen en kinderen uit een minderheidsgroep (Witwer et al., 2014). Deze
bevestiging wordt vooral gezien in kinderen met een milde verstandelijke beperking.
Mannen hebben een grotere kans op verstandelijke beperkingen omdat ze slechts één X-
chromosoom hebben. Veel genetische aandoeningen die verstandelijke beperkingen
veroorzaken, liggen op het X-chromosoom. Vrouwen hebben twee X-chromosomen,
waardoor ze een tweede (gezond) exemplaar kunnen gebruiken om defecten op te vangen.
Mannen hebben daarentegen maar één X-chromosoom, dus als daar een genetisch
probleem op zit, hebben ze geen reserve, wat het risico op beperkingen vergroot.
5. Hoe werkt de psychomotorische ontwikkeling bij iemand met een verstandelijke
beperking?
De cognitieve ontwikkeling van kinderen met een verstandelijke beperking verschilt met
kinderen zonder een verstandelijke beperking. Kinderen die een verstandelijke beperking
hebben, kunnen bepaalde taken gewoonweg niet uitvoeren ten aanzien van kinderen zonder
een verstandelijke beperking.
Similar sequence hypothese: kinderen met of zonder verstandelijke beperking
passeren dezelfde stadia van cognitieve ontwikkeling in dezelfde volgorde, ze
verschillen alleen in snelheid en de bovengrens van ontwikkeling.
Similar structure hypothese: kinderen met een verstandelijke beperking hebben
hetzelfde gedrag en dezelfde onderliggende processen als kinderen met een gewone
ontwikkeling op hetzelfde niveau, alleen op andere leeftijd. Het gaat dus over
dezelfde mentale leeftijd in plaats van dezelfde fysieke leeftijd.
De slowing and stability hypothesis: Kinderen met het syndroom van Down
kunnen tijdens hun vroege kinderjaren grote vooruitgang boeken in hun adaptieve en
sociale vaardigheden, maar naarmate ze ouder worden vertraagt hun
ontwikkelingssnelheid. Dit kan resulteren in een plateau of zelfs een afname in hun