WEEK 1
S. Brinkhoff, ‘The Dutch paradox. Over discriminatoir handelen in de Nederlandse strafrechtspleging en
concrete handvatten om dit tegen te gaan’, NJB 2021(25), p. 2047-2053 (Canvas)
The dutch paradox:
→ Hoewel het verbod op discriminatie stevig is verankerd in wet- en regelgeving, kan dit juist afleiden van
daadwerkelijke bestrijding van discriminatoir overheidshandelen, met name binnen de uitvoering van het
strafrecht. De gedachte dat Nederland ‘goed geregeld’ is, kan leiden tot zelfgenoegzaamheid.
Belangrijke bronnen die het verbod op discriminatie uitleggen:
- 1 van de grondwet
- 14 EVRM, Van discriminatie is in de terminologie van het EHRM sprake op het moment dat in
soortgelijke situaties een verschillende behandeling van burgers plaatsvindt zonder dat hiervoor een
objectieve en redelijke rechtvaardiging (‘without an objective and reasonable justification’) bestaat.
Deze rechtvaardigingsgrond kan niet worden opgevoerd als onderscheid tussen burgers is gemaakt
uitsluitend of in overwegend mate ('exclusively or to a decisive extent’) op basis van kenmerken van
etniciteit. Deze kernachtige overwegingen van het EHRM bieden een stevig handvat voor de
beoordeling van discriminatoire handelen binnen de Nederlandse strafrechtspleging. Het is dan
waarschijnlijk ook niet voor niets dat de Hoge Raad een soortgelijk criterium heeft geformuleerd
- artikel 2 van het VN verdrag international convention on the elimination of all forms of racial
discrimination
Brinkhoffs standpunt is helder: het juridische kader is sterk, maar het daadwerkelijke handelen moet daarmee
in de praktijk in lijn worden gebracht. Dat vereist actieve inzet van alle lagen van de overheid. In de volgende
paragraaf richt hij zich op de toepassing van opsporingsbevoegdheden door de politie.
1. Controlebevoegdheid: Controlebevoegdheden, zoals die in art. 160 lid 1 en 4 WVW 1994, vormen een
voedingsbodem voor etnisch profileren, vooral omdat ze ruime discretionaire ruimte bieden en vaak buiten
zicht van de strafrechter plaatsvinden. Brinkhoff noemt het ontbreken van registratie en toezicht een gemiste
kans, en pleit voor instrumenten als stopformulieren.
- Controlebevoegdheden zien in de kern op het uitoefenen van toezicht op naleving van de wet.
Belangrijke kenmerken van controlebevoegdheden zijn dat de burger hieraan medewerking moet
verlenen, dat deze bevoegdheden door de politie kunnen worden ingezet zonder het bestaan van een
verdenking en dat in het verlengde hiervan de wet geen selectie aanbrengt in de te controleren
burger. Controlebevoegdheden geven aldus veel discretionaire ruimte aan de politie. De inzet van
controlebevoegdheden kan op twee manieren een strafrechtelijk vervolg krijgen:
a. zo doet een verdenking ontstaan (sfeerovergang)
b. het kan samenvallen met het bestaan van een verdenking (sfeercumulatie)
Brinkhoff concludeert dat juist het ontbreken van transparantie over de inzet van controlebevoegdheden een
risico op etnisch profileren vergroot. De politie hoeft niet vast te leggen waarom iemand wordt gecontroleerd,
waardoor een verdenking op basis van etniciteit verhuld kan worden als een neutrale controle.
De inzet van controlebevoegdheden door de politie levert geregeld voer op voor discussie over discriminatoir
politieoptreden. Uit hetgeen ik hierboven schreef kunnen drie
relevante situaties worden gedestilleerd:
1) het inzetten van controlebevoegdheden zonder dat dit een strafrechtelijk vervolg krijgt,
2) de overgang van dergelijke bevoegdheden naar de inzet van opsporingsbevoegdheden
3) sfeercumulatie in de kern bestaande uit het samenvallen van controlebevoegdheden met een
strafvorderlijke verdenking.
, Handvatten om discriminatie in de strafrechtspleging tegen te gaan
1. non discriminatoir overheidshandelen als belangrijke pijler van de strafrechtspleging
Brinkhoff pleit voor een expliciete wettelijke verankering binnen de strafrechtspleging. In het kader van de
Modernisering Strafvordering zou een bepaling over non-discriminatoir optreden toegevoegd moeten worden
aan Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, naast bestaande artikelen zoals art. 2.1.3
(proportionaliteit/subsidiariteit) en art. 2.1.4 (instigatieverbod).
Zo’n bepaling zou:
- Een duidelijk signaal van de wetgever geven;
- De verdediging helpen bij discriminatieverweren;
- De rechterlijke toetsing via art. 359a Sv versterken.
2. verkleinen van de speelruimte bij de inzet van controlebevoegdheden
- Inzicht vergroten: Door het (tijdelijk) invoeren van stopformulieren of verplichte registratie
van de reden voor controles, kan beter worden vastgesteld wanneer etnisch profileren
plaatsvindt. Hij erkent wel dat de effectiviteit hiervan afhangt van de bereidheid om naar
waarheid te registreren. De Nationale ombudsman zou ook actiever kunnen optreden als
meldpunt.
- Doelbinding centraal stellen: De wetgever zou het doelbindingsbeginsel expliciet moeten
toepassen op controlebevoegdheden zoals art. 160 lid 1 en 4 WVW 1994, bijvoorbeeld via
art. 2.1.2 van het concept-WvSv. Dit voorkomt dat controles worden misbruikt voor
opsporing.
- Rol van de strafrechter versterken: De rechter kan, op basis van doelbinding en zuiver
oogmerk, sancties verbinden aan controles die feitelijk zijn gebaseerd op etnische
kenmerken. Dit geldt met name bij sfeerovergang en sfeercumulatie. Brinkhoff ziet hierin al
een verschuiving in de HR-jurisprudentie, die duidelijker grenzen stelt.
Brinkhoff pleit voor versterking van het non-discriminatiebeginsel in de strafrechtspleging. Alleen door
1. extra wetgeving
2. beperking van politiebevoegdheden
3. meer transparantie over etnisch profileren
kan discriminatie effectief worden tegengegaan. Non-discriminatie moet zo een werkelijk dragende pijler van
het strafproces worden.
WEEK 2
J. uit Bijerse & O. Maan, ‘Vast, tenzij’-praktijk dwingt tot aanpassing van de wettelijke
gronden voor voorlopige hechtenis in het nieuwe wetboek’, NJB 2024(40), p. 3303-3309.
In het Nederlandse strafrecht geldt de onschuldspresumptie. De verdachte is onschuldig, tenzij het tegendeel
wordt bewezen. Dit sluit niet aan bij de manier waarop voorlopige hechtenis tegenwoordig wordt toegepast.
De wettelijke kaders voor de voorlopige hechtenis zijn ruim interpreteerbaar. Voorlopige hechtenis wordt in de
praktijk vaak gebruikt om de zaken hoog op de agenda te houden. Hierdoor is eerder sprake van het principe
‘vast-tenzij’.
De praktijk van voorlopige hechtenis is in Nederland verworden tot een systeem waarin verdachten standaard
worden vastgezet zodra aan de wettelijke criteria is voldaan, in plaats van dat er serieus wordt getoetst of
vrijheidsbeneming noodzakelijk is. Dit vraagt om een fundamentele herziening van de wet.
S. Brinkhoff, ‘The Dutch paradox. Over discriminatoir handelen in de Nederlandse strafrechtspleging en
concrete handvatten om dit tegen te gaan’, NJB 2021(25), p. 2047-2053 (Canvas)
The dutch paradox:
→ Hoewel het verbod op discriminatie stevig is verankerd in wet- en regelgeving, kan dit juist afleiden van
daadwerkelijke bestrijding van discriminatoir overheidshandelen, met name binnen de uitvoering van het
strafrecht. De gedachte dat Nederland ‘goed geregeld’ is, kan leiden tot zelfgenoegzaamheid.
Belangrijke bronnen die het verbod op discriminatie uitleggen:
- 1 van de grondwet
- 14 EVRM, Van discriminatie is in de terminologie van het EHRM sprake op het moment dat in
soortgelijke situaties een verschillende behandeling van burgers plaatsvindt zonder dat hiervoor een
objectieve en redelijke rechtvaardiging (‘without an objective and reasonable justification’) bestaat.
Deze rechtvaardigingsgrond kan niet worden opgevoerd als onderscheid tussen burgers is gemaakt
uitsluitend of in overwegend mate ('exclusively or to a decisive extent’) op basis van kenmerken van
etniciteit. Deze kernachtige overwegingen van het EHRM bieden een stevig handvat voor de
beoordeling van discriminatoire handelen binnen de Nederlandse strafrechtspleging. Het is dan
waarschijnlijk ook niet voor niets dat de Hoge Raad een soortgelijk criterium heeft geformuleerd
- artikel 2 van het VN verdrag international convention on the elimination of all forms of racial
discrimination
Brinkhoffs standpunt is helder: het juridische kader is sterk, maar het daadwerkelijke handelen moet daarmee
in de praktijk in lijn worden gebracht. Dat vereist actieve inzet van alle lagen van de overheid. In de volgende
paragraaf richt hij zich op de toepassing van opsporingsbevoegdheden door de politie.
1. Controlebevoegdheid: Controlebevoegdheden, zoals die in art. 160 lid 1 en 4 WVW 1994, vormen een
voedingsbodem voor etnisch profileren, vooral omdat ze ruime discretionaire ruimte bieden en vaak buiten
zicht van de strafrechter plaatsvinden. Brinkhoff noemt het ontbreken van registratie en toezicht een gemiste
kans, en pleit voor instrumenten als stopformulieren.
- Controlebevoegdheden zien in de kern op het uitoefenen van toezicht op naleving van de wet.
Belangrijke kenmerken van controlebevoegdheden zijn dat de burger hieraan medewerking moet
verlenen, dat deze bevoegdheden door de politie kunnen worden ingezet zonder het bestaan van een
verdenking en dat in het verlengde hiervan de wet geen selectie aanbrengt in de te controleren
burger. Controlebevoegdheden geven aldus veel discretionaire ruimte aan de politie. De inzet van
controlebevoegdheden kan op twee manieren een strafrechtelijk vervolg krijgen:
a. zo doet een verdenking ontstaan (sfeerovergang)
b. het kan samenvallen met het bestaan van een verdenking (sfeercumulatie)
Brinkhoff concludeert dat juist het ontbreken van transparantie over de inzet van controlebevoegdheden een
risico op etnisch profileren vergroot. De politie hoeft niet vast te leggen waarom iemand wordt gecontroleerd,
waardoor een verdenking op basis van etniciteit verhuld kan worden als een neutrale controle.
De inzet van controlebevoegdheden door de politie levert geregeld voer op voor discussie over discriminatoir
politieoptreden. Uit hetgeen ik hierboven schreef kunnen drie
relevante situaties worden gedestilleerd:
1) het inzetten van controlebevoegdheden zonder dat dit een strafrechtelijk vervolg krijgt,
2) de overgang van dergelijke bevoegdheden naar de inzet van opsporingsbevoegdheden
3) sfeercumulatie in de kern bestaande uit het samenvallen van controlebevoegdheden met een
strafvorderlijke verdenking.
, Handvatten om discriminatie in de strafrechtspleging tegen te gaan
1. non discriminatoir overheidshandelen als belangrijke pijler van de strafrechtspleging
Brinkhoff pleit voor een expliciete wettelijke verankering binnen de strafrechtspleging. In het kader van de
Modernisering Strafvordering zou een bepaling over non-discriminatoir optreden toegevoegd moeten worden
aan Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, naast bestaande artikelen zoals art. 2.1.3
(proportionaliteit/subsidiariteit) en art. 2.1.4 (instigatieverbod).
Zo’n bepaling zou:
- Een duidelijk signaal van de wetgever geven;
- De verdediging helpen bij discriminatieverweren;
- De rechterlijke toetsing via art. 359a Sv versterken.
2. verkleinen van de speelruimte bij de inzet van controlebevoegdheden
- Inzicht vergroten: Door het (tijdelijk) invoeren van stopformulieren of verplichte registratie
van de reden voor controles, kan beter worden vastgesteld wanneer etnisch profileren
plaatsvindt. Hij erkent wel dat de effectiviteit hiervan afhangt van de bereidheid om naar
waarheid te registreren. De Nationale ombudsman zou ook actiever kunnen optreden als
meldpunt.
- Doelbinding centraal stellen: De wetgever zou het doelbindingsbeginsel expliciet moeten
toepassen op controlebevoegdheden zoals art. 160 lid 1 en 4 WVW 1994, bijvoorbeeld via
art. 2.1.2 van het concept-WvSv. Dit voorkomt dat controles worden misbruikt voor
opsporing.
- Rol van de strafrechter versterken: De rechter kan, op basis van doelbinding en zuiver
oogmerk, sancties verbinden aan controles die feitelijk zijn gebaseerd op etnische
kenmerken. Dit geldt met name bij sfeerovergang en sfeercumulatie. Brinkhoff ziet hierin al
een verschuiving in de HR-jurisprudentie, die duidelijker grenzen stelt.
Brinkhoff pleit voor versterking van het non-discriminatiebeginsel in de strafrechtspleging. Alleen door
1. extra wetgeving
2. beperking van politiebevoegdheden
3. meer transparantie over etnisch profileren
kan discriminatie effectief worden tegengegaan. Non-discriminatie moet zo een werkelijk dragende pijler van
het strafproces worden.
WEEK 2
J. uit Bijerse & O. Maan, ‘Vast, tenzij’-praktijk dwingt tot aanpassing van de wettelijke
gronden voor voorlopige hechtenis in het nieuwe wetboek’, NJB 2024(40), p. 3303-3309.
In het Nederlandse strafrecht geldt de onschuldspresumptie. De verdachte is onschuldig, tenzij het tegendeel
wordt bewezen. Dit sluit niet aan bij de manier waarop voorlopige hechtenis tegenwoordig wordt toegepast.
De wettelijke kaders voor de voorlopige hechtenis zijn ruim interpreteerbaar. Voorlopige hechtenis wordt in de
praktijk vaak gebruikt om de zaken hoog op de agenda te houden. Hierdoor is eerder sprake van het principe
‘vast-tenzij’.
De praktijk van voorlopige hechtenis is in Nederland verworden tot een systeem waarin verdachten standaard
worden vastgezet zodra aan de wettelijke criteria is voldaan, in plaats van dat er serieus wordt getoetst of
vrijheidsbeneming noodzakelijk is. Dit vraagt om een fundamentele herziening van de wet.