Hoofdstuk 1 – Algemene inleiding
Aanbodelasticiteit %-verandering van het aanbod als gevolg van een %-
prijsverandering van dat goed. Uitkomst = altijd positief.
Administratieve Organisatie Het functioneren van organisatie coördineren en afstemmen.
Algemene economie Economie in samenhang met de maatschappij.
Bedrijfseconomie Bestudeert bedrijfshouding en de relaties tussen bedrijven.
Bedrijfskolom Fasen die een product doorloopt.
Cash management Proces van kasstroombeheer.
Centraal geleide/planeconomie Alleen overheid verstrekt goederen en diensten.
Collectieve sector Organisaties zonder winstoogmerk. Quartaire sector.
Complementaire goederen Goederen die elkaar in gebruik aanvullen.
Economische kringloop Beschrijft economisch gedrag van organisaties en mensen op
nationaal niveau.
Elastische vraag Kleine prijsverandering leidt tot grote vraagverandering.
Differentiatie Afstoten van taken naar een andere schakel in bedrijfskolom.
Gemengde economie Combinatie van vrije markt en planeconomie.
Heterogene producten Producten tonen onderling grote verschillen van elkaar.
Homogene producten Consument ziet geen verschil tussen producten.
Industriële revolutie Mechanisatie: producten in grote hoeveelheden produceren.
Inelastische vraag Prijsverandering leidt tot een kleine vraagverandering.
Inkomenselasticiteit De koopverandering t.o.v. inkomensverandering.
Integratie Het verkorten van de lengte van een bedrijfskolom.
Int. economische betrekkingen Reële sfeer en monetaire sfeer.
Kruislingse elasticiteit Invloed van prijsverandering van 1 product op de
vraagverandering van een ander product.
Macro-economie Geaggregeerde grootheden in volkshuishouding volgen.
Management control Ondernemers beïnvloeden om de ondernemingsstrategie uit
te voeren.
Marktequilibrium/ De prijs en de hoeveelheid van een goed ontmoeten elkaar.
marktevenwicht
Marktsector Ondernemingen met winstoogmerk.
Micro-economie Gedrag van individuele economische agenten.
Monetaire sfeer Bestudering van geldstromen tussen landen.
Monopolie 1 aanbieder van een product.
Monopolistische concurrentie Veel aanbieders met heterogene producten.
Oligopolie Weinig aanbieders met homogene producten.
Openbare financiën Gericht op inkomsten en uitgaven van de overheid.
Parallellisatie In de breedte uitbreiden van het productassortiment.
Prijselasticiteit Verhouding tussen vraag- en prijsverandering.
Primaire sector Bedrijven die grondstoffen voortbrengen.
Reële sfeer Bestudering van int. goederen- en dienstenstromen.
Secundaire sector Grondstoffen uit primaire sector worden verwerkt.
Specialisatie Het beperkt houden van het productassortiment.
Staathuishoudkunde Economie.
Substitutiegoederen Goederen die elkaar in het gebruik kunnen vervangen.
Tertiaire sector Distributie en handel van producten uit eerdere sectoren.
Volledige vrije mededinging Veel aanbieders met homogene producten.
Vrijemarkteconomie/kapitalisme Private ondernemingen bepalen het mechanisme van vraag
en aanbod.
, Begrippenlijst