1.1 Voor niks gaat de zon op:
Bedrijven produceren goederen en diensten.
Een goed =
een tastbaar product (bv een brood)
Een dienst =
een niet tastbaar product (bv een theatervoorstelling)
Goederen kun je verdelen in:
- Schaarse goederen, goederen geproduceerd met productiefactoren (bv bij koffie heb je
nodig: koffiebonen en koffiezetapparaat)
- Vrije goederen, goederen die niet geproduceerd zijn met productiefactoren (bv bij een
regenbui komt de bui zonder dat we er productiefactoren voor nodig hebben)
- Productiefactoren = middelen die je nodig hebt om iets te maken.
Er zijn 4 soorten productiefactoren:
Natuur, die levert bv lucht, aardolie, grondwater. (de locatie van een bedrijf hoort ook bij de
productiefactor natuur)
Arbeid, dat wrod geleverd door werknemers in bedrijven en bij de overheid.
Kapitaalgoederen, goederen die bij de productie nodig zijn zoals machines en gereedschap.
Ondernemerschap, de eigenaar van een bedrijf die de 3 andere productiefactoren
combineert om goederen van te produceren.
Mensen hebben ook behoeften nodig.
1.2: Kiezen is verliezen:
In een budgetlijn kun je laten zien hoe je verschillende productiefactoren op verschillende manieren
wilt inzetten.
(bv als je met $100 12x naar de mac kan maar ook 4 boeken kan kopen, kun je bv ook maar 6x naar
de mac en 2 boeken kopen)
Het is niet zo makkelijk om dat in je hoofd te doen dus we stellen een begroting (budgetplan) op met:
Vaste lasten, die betaal je meestal per maand/jaar. (bv abonnement op tijdschrift)
Incidentele grote uitgaven, die doe je maar zelden (bv auto kopen)
Dagelijkse uitgaven, die komen vaak voor. (bv eten kopen in supermarkt)
Een begroting =
Vergelijkt de toekomstige verwachte inkomsten met de verwachte uitgaven.
Zie bron 5 en 6 blz 15
1.3: Van ruilen komt geen huilen: