Week 4: Energiemetabolisme
Hoorcollege energiemetabolisme (fysiologie)
Stofwisseling: som van alle catabole (afbraak van stoffen) en anabole (aanmaak van stoffen) reacties
binnen een cel.
Metabolisme: Is een mechanisme om energie uit voedsel vrij te maken om lichaamsfuncties uit te
kunnen oefenen
Patronen zijn verschillend
Pieken inname > pieken van energie verbruik
Energie verbruik is altijd meer dan 0 (nutrient storage is required: glycogeen (suiker) en vet)
Er zijn verschillende soorten stofwisseling omdat je verschillende soorten voedingsstoffen hebt, maar
je komt uit op één gemeenschappelijke energievorm (ATP)
Glucose en lipide metabolisme na het eten:
eten -> suiker en vet via darmen in onze bloedbaan -> glucose wordt opgenomen in onze
hersenen/spieren voor activiteit (consumenten) -> glucose wat over is komt in onze lever en dit wordt
opgenomen als vet (lipogenese kan vet uit suiker maken)
Grootste glycogeen voorraad zit in spieren (vooral voor zichzelf) terwijl lever het opslaat voor alle
andere organen.
Glycolyse: maken van pyrodruivenzuur uit glucose om zo energie te krijgen. Opslag van ATP -> vet
(kan dus energie opslaan in vet en glucose opslaan als glycogeen)
Anaeroob: glucose wordt afgebroken tot melkzuur (je kunt hier heel snel energie uit halen dus
bijvoorbeeld met sprinten)
Geen eten meer binnen dan worden vetreserves en glycogeen reserves aangebroken. Vetzuren zijn
de belangrijkste energieleverancier.
Vetoxidatie vindt plaats in mitochondriën die ook weer tot acetyl-Coa gemaakt en dus ATP. Het wordt
ook gebruikt voor het maken van keton lichamen.
Glucagon en adrenaline zijn belangrijke factoren voor de aansturing van vetverbranding
Brein is erg afhankelijk van verbranding van glucose en niet echt van vet.
Wanneer je niet eet zijn de lever en vetweefsel de grote leverancier van energie.
Glucogenolyse: glycogeen -> bloed in glucose. Aanmaak van glucose door je eigen lichaam, voor je
bloedsuikerspiegel op het moment dat er geen glucose binnen komt uit voeding.
Gluconeogenese: wanneer glycogeen voorraad op is. Glycerol/alanine/melkzuur worden gebruikt.
Stofwisseling is heel dynamisch.
krijgt veel glycogeen en veel vetzuren en cholesterol (hoge opslag), veel melkzuur (op een gegeven
moment zoveel verzuring dat het giftig wordt). Hierdoor wordt de lever ook heel groot omdat al die
glycogeen/vet die niet naar de bloedbaan kan moet worden opgeslagen in de lever (melkzuur zit in
het bloed).
Energiemetabolisme
Sommige metabole reacties zorgen direct voor atp, maar ook heel veel metabole reacties waarbij
energie wordt overgedragen aan redoxreacties (nadh en fadh2). Deze energie (redox energie) wordt
via oxidatieve fosforylering omgezet in atp.
Glucose-6-fosfaat is glycogeen.
Hoorcollege energiemetabolisme (fysiologie)
Stofwisseling: som van alle catabole (afbraak van stoffen) en anabole (aanmaak van stoffen) reacties
binnen een cel.
Metabolisme: Is een mechanisme om energie uit voedsel vrij te maken om lichaamsfuncties uit te
kunnen oefenen
Patronen zijn verschillend
Pieken inname > pieken van energie verbruik
Energie verbruik is altijd meer dan 0 (nutrient storage is required: glycogeen (suiker) en vet)
Er zijn verschillende soorten stofwisseling omdat je verschillende soorten voedingsstoffen hebt, maar
je komt uit op één gemeenschappelijke energievorm (ATP)
Glucose en lipide metabolisme na het eten:
eten -> suiker en vet via darmen in onze bloedbaan -> glucose wordt opgenomen in onze
hersenen/spieren voor activiteit (consumenten) -> glucose wat over is komt in onze lever en dit wordt
opgenomen als vet (lipogenese kan vet uit suiker maken)
Grootste glycogeen voorraad zit in spieren (vooral voor zichzelf) terwijl lever het opslaat voor alle
andere organen.
Glycolyse: maken van pyrodruivenzuur uit glucose om zo energie te krijgen. Opslag van ATP -> vet
(kan dus energie opslaan in vet en glucose opslaan als glycogeen)
Anaeroob: glucose wordt afgebroken tot melkzuur (je kunt hier heel snel energie uit halen dus
bijvoorbeeld met sprinten)
Geen eten meer binnen dan worden vetreserves en glycogeen reserves aangebroken. Vetzuren zijn
de belangrijkste energieleverancier.
Vetoxidatie vindt plaats in mitochondriën die ook weer tot acetyl-Coa gemaakt en dus ATP. Het wordt
ook gebruikt voor het maken van keton lichamen.
Glucagon en adrenaline zijn belangrijke factoren voor de aansturing van vetverbranding
Brein is erg afhankelijk van verbranding van glucose en niet echt van vet.
Wanneer je niet eet zijn de lever en vetweefsel de grote leverancier van energie.
Glucogenolyse: glycogeen -> bloed in glucose. Aanmaak van glucose door je eigen lichaam, voor je
bloedsuikerspiegel op het moment dat er geen glucose binnen komt uit voeding.
Gluconeogenese: wanneer glycogeen voorraad op is. Glycerol/alanine/melkzuur worden gebruikt.
Stofwisseling is heel dynamisch.
krijgt veel glycogeen en veel vetzuren en cholesterol (hoge opslag), veel melkzuur (op een gegeven
moment zoveel verzuring dat het giftig wordt). Hierdoor wordt de lever ook heel groot omdat al die
glycogeen/vet die niet naar de bloedbaan kan moet worden opgeslagen in de lever (melkzuur zit in
het bloed).
Energiemetabolisme
Sommige metabole reacties zorgen direct voor atp, maar ook heel veel metabole reacties waarbij
energie wordt overgedragen aan redoxreacties (nadh en fadh2). Deze energie (redox energie) wordt
via oxidatieve fosforylering omgezet in atp.
Glucose-6-fosfaat is glycogeen.