Leerdoelen
Na het bestuderen van dit thema kun je
• de begrippen ‘management’, ‘organisatie’ en ‘manager’ definiëren en een
onderscheid maken tussen verschillende vormen van organisaties
• de verschillende benaderingen van strategie en de fases van strategisch
management in de belangrijkste modellen van strategieontwikkeling
beschrijven
• de missie en visie van organisaties beschrijven en herkennen
• een interne en externe analyse beschrijven en toepassen bij het bepalen
van een strategie.
Week 1. Taak 1.1.
Hoofdstuk 1 Inleiding in Management en Organisatie
• Strategie: De strategie en de doelen van een organisatie vormen het uitgangspunt voor de
invulling van de overige aandachtsgebieden.
• Management: Het management is verantwoordelijk voor de strategie van de organisatie, het
uitvoeren daarvan en het behalen van de doelen.
• Structuur: Gaat over de manier om organisaties vorm te geven en de wijze waarop het
management de organisatie wil besturen.
• Cultuur: De cultuur van een organisatie is de wijze waarop medewerkers in een organisatie
met elkaar omgaan. Dat is nauw verbonden met de wijze van leidinggeven en de structuur.
• Processen: Processen zijn primair bedoeld om de producten en/of diensten te realiseren.
Processen zijn erg belangrijk om de afnemer tevreden te stellen.
• Medewerkers: Het doelmatig samenwerken van mensen is cruciaal voor het succes van de
organisatie. De medewerkers spelen hierin een belangrijke rol.
Organisatiekunde: De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van gedrag van en in
organisaties en de wijze waarop organisaties bestuurd kunnen worden. Het is een heel praktijk-en
toepassingsgericht gebied, waarbij wetenschappelijk onderzoek, methodes en onderbouwde
bewijzen noodzakelijk zijn. Het is een vakgebied dat gebruik maakt van kennis en ervaringen uit
andere vakgebieden/ disciplines (interdisciplinair). Organisatiekunde maakt onder andere gebruik
van de vakgebieden: Bedrijfseconomie, algemene economie, marketing, juridische wetenschappen,
technische wetenschappen en gedragswetenschappen.
De kern van organiseren: Mensen en middelen in een organisatie goed laten samenwerken voor een
bepaald doel.
Management: Het optimaal laten samenwerken van mensen en middelen om een bepaald doel te
bereiken. Bij het definiëren van management zijn drie woorden belangrijk:
, 1. Samenwerken: Management is gericht op het laten samenwerken van mensen.
2. Optimaal: Niet alleen het samenwerken is belangrijk, maar dit moet ook zo goed mogelijk
gebeuren, zowel voor de organisatie als geheel als voor de mensen)
3. Bepaald doel: Het managen van de samenwerking is gericht op een bepaald doel. Het is dus niet
vrijblijvend.
Manager: Een persoon die sturing geeft aan processen, mensen en middelen om een bepaald doel
te bereiken.
Organisatie: Een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken. Het
organisatiedoel wordt beter bereikt wanneer meerdere mensen met elkaar samenwerken dan
wanneer individuen het proberen. Onder het begrip organisatie vallen ook bedrijven en
ondernemingen. Voorbeelden zijn: Amnesty International, Schone Kleren Campagne en het Leger
des Heils.
Bedrijf: Een organisatie die goederen of diensten produceert en daarmee voorziet in een
maatschappelijke behoefte. Een bedrijf heeft bestaansrecht wanneer de maatschappij behoefte
heeft aan de producten of diensten die door het bedrijf worden voortgebracht. Binnen de groep
bedrijven bevinden zich ook ondernemingen. Voorbeelden zijn: Ziekenhuizen, Univé en een ROC.
Onderneming: Een bedrijf met als belangrijkste doel het maken van winst. Voorbeelden zijn: Albert
Heijn, Unilever en MediaMarkt.
Profitorganisatie: De belangrijkste doelstelling is het maken van winst. De bergrippen onderneming
en profitorganisatie zijn dus synoniem. Ondernemingen die sociaal en maatschappelijk verantwoord
ondernemen worden ook wel not-for-profit-only-organisaties genoemd.
Non-profitorganisatie: Is niet primair gericht op het maken van winst, maar op het vervullen van
maatschappelijke behoeften, bijvoorbeeld op het gebied van kunst, educatie, politiek, onderzoek of
ontwikkelingshulp. De inkomsten bestaan veelal uit rijksbijdragen, subsidies, fondsen, contributies
en giften. Voorbeelden zijn: ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, musea, ministeries, gemeenten,
waterschappen en bibliotheken.
Rechtsvorm: De juridische wijze waarop natuurlijke personen, rechtspersonen of combinaties
daarvan samenwerken met het oog op een gemeenschappelijk doel of belang.
Natuurlijke personen: Mensen van vlees en bloed met een bepaalde identiteit.
Rechtsvormen voor natuurlijke personen zijn:
• Eenmanszaak : Eén persoon is de eigenaar van de onderneming.
• Maatschap: Als twee of meer personen een specifieke samenwerking aangaan.
, • Vennootschap onder firma (vof): Ondernemingsvorm waarbij twee of meer personen
(firmanten) een samenwerkingsverband aangaan om onder een gemeenschappelijke naam
een bedrijf uit te voeren.
• Commanditaire vennootschap (cv): Het bijzondere hieraan is dat er twee soorten firmanten
zijn: beherende en stille vennoten. Beherende vennoten hebben de dagelijks leiding, stille
vennoten zijn alleen financieel betrokken.
Rechtspersoon: Een juridische constructie waardoor een organisatie volwaardig en
handelingsbekwaam op kan treden in het rechtsverkeer met alle rechten en plichten van dien.
Rechtspersonen zijn in drie categorieën in te delen:
1. Privaatrechtelijke rechtspersonen.
• Naamloze vennootschap (nv): Is een rechtspersoon waarvan het kapitaal verdeeld is in
aandelen die in beginsel vrij overdraagbaar zijn.
• Besloten vennootschap (bv): Een bv met beperkte aansprakelijkheid is een rechtspersoon
waarvan het maatschappelijk kapitaal verdeeld is in aandelen die niet vrij overdraagbaar
zijn; de aandelen staan op naam.
• Coöperatie: Een vorm van zelforganisatie van producenten of verbruikers, gericht op het
vergroten van de economische macht en het behalen van schaal-voordeel.
• Vereniging: Men spreekt van een vereniging als twee of meer personen volgens vastgestelde
regels samenwerken voor een bepaald doel.
• Stichting: Een organisatie die erop gericht is een bepaald, meest sociaal of ideëel, doel te
verwezenlijken.
2. Publiekrechtelijke rechtspersonen ( bijv. een ministerie, provincie, gemeente, waterschap, publiek
rechtelijke bedrijfsorganisatie, zelfstandig bestuursorgaan).
3. Kerkgenootschappen.
, Hoofdstuk 2 Strategie
Strategie gaat over de manier (middelen en activiteiten) waarop je probeert om
organisatiedoeleinden te bereiken. In organisaties gebruiken ze ook wel de termen bedrijfsstrategie,
ondernemingsstrategie, strategische planning, strategisch management of beleidsvorming. De
strategie gaat over de langere termijn.
Strategie volgens Porter: Vooral bekend op het gebied van strategisch management specifiek op het
gebied van concurrentiestrategie. Porter stelt dat strategie te maken heeft met de
concurrentiepositie, met jezelf onderscheiden in de ogen van de afnemer. “Concurrentiestrategie is
een combinatie van einddoelen, waar een bedrijf naar streeft en de middelen (het beleid) waarmee
men tracht om deze te realiseren”.
Strategie volgens Hamel en Prahalad: Hamel en Prahalad vinden dat het kiezen van een strategie
vooral gebaseerd moet zijn op wat een bedrijf kan: de kernbekwaamheden. Het is niet direct de
bedoeling om een goede afstemming (fit) te vinden met de markt en de concurrenten te vinden,
maar eerder om nieuwe ruimte in de markt te creëren. In die nieuwe markt-ruimte bestaat immers
nog weinig tot geen concurrentie.
Strategie volgens Mintzberg: Geeft 5 definities van strategie:
1. Plan, benadrukt dat een strategie een richting aangeeft en acties benoemt. Het gaat hierbij om
vooruitkijken, de beoogde strategie. Heeft betrekking op de factor tijd.
2. Patroon, kijkt terug en beschrijft de in het verleden uitgevoerde acties als consequent gedrag in
de loop van de tijd. Het gaat hierbij om terugkijken: de gerealiseerde strategie. Heeft betrekking op
de factor tijd.
3. Positie, betreft het koppelen van producten aan markten, de strategie positioneert de organisatie
in haar directe omgeving en is daarom extern gericht. Heeft betrekking op de factor extern-intern.
4. Perspectief, is intern gericht en verwijst naar de manier waarop vooral het management van een
organisatie de strategie vertaalt in visie en organisatiedoelen. Heeft betrekking op de factor extern-
intern.
5. Plot, het spel van zet en tegenzet, van beweging en schijnbeweging dat concurrenten met elkaar
in de markt spelen.