Rechtsvergelijking hoorcollege 2
Cluster staatsrecht hoorcollege 1
Constituties en staatsvormen
Kennis maken met staatsrecht van vier andere landen. VS, UK, Duitsland en
Frankrijk. Belangrijkste kenmerken van het staatsrecht van die landen en
vergelijken met elkaar en ook vergelijken met het staatsrecht van Nederland.
Hier zal geen nadruk op gelegd worden.
Meeste aandacht gaat uit naar het staatsrecht van andere landen.
Instituties en staatsvormen, parlementen, wetgevende macht en uitvoerende
macht.
Onderwerp van vandaag: staatsvormen en constituties.
De leerdoelen staan op de sheet. Eind van de cluster moet je vergelijking kunnen
maken tussen de verschillende landen en aan de hand daarvan uitleggen wat de
rol is van de constituties (de grondwet) bij het begrijpen van het staatsrecht in
die landen. Het is ook de bedoeling dat u landen voor wat betreft hun staatsvorm
kunt plaatsen op de glijdende schaal tussen federatie of confederatie en centrale
eenheidstaat en concrete onderdelen van het staatsrecht in die staatvorm kunt
plaatsen en aan de hand van die onderdelen kunt aangeven waar ze op die
glijdende schaal plaatsvinden. Leerdoelen gebruiken als leidraad.
We gaan vandaag eerst de constituties bespreken van de vier landen. Ik ga
vertellen over de historische context en de belangrijkste kenmerken noemen. Na
de pauze gaan we kijken naar de staatsvormen.
Jullie hebben tijdens het vorige college het gehad over de algemene methode en
technieken college gehad van rechtsvergelijking wat daarin is gezegd, geldt voor
alle clusters en ook voor staatsrecht dus. Onderscheid tussen law in the Books en
law in action. Er zijn verschillende manieren om naar het recht te kijken en dat is
ook van toepassing in het staatsrecht. Tegelijkertijd is aangegeven dat die
rechtsvergelijkingsmethode tot stand is gekomen in het kader van het
privaatrecht. Dat betekent dat voor staatsrecht bepaalde eigenschappen zijn.
Laten we even kijken waar het staatsrecht over gaat. Er zijn eigenlijk twee
belangrijke onderdelen.
Het institutionele staatsrecht en de grondrechten. Het institutionele staatsrecht
gaat over de spreiding van machten over verschillende overheidsorganen, de
samenstelling van die organen, toekennen van bevoegdheden daaraan de vraag
hoe ze zich tot elkaar verhouden. De twee kernvragen zijn eigenlijk steeds bij dat
onderdeel: wat legitimeert de macht van de overheid? Waarom mag de overheid
macht over ons uitoefenen? Waarom mogen ze wetten maken die ons binden?
Waarom mogen ze besluiten nemen waarbij ons aan moeten houden en Hoe
voorkomen we nou machtsmisbruik door dezelfde overheid? We geven de
overheid macht die heeft ze nodig om de samenleving in stand te kunnen
houden, om voorzieningen te treffen waar we belang bij hebben. Een overheid
die te machtig is, is gevaarlijk. Hoe kunnen we nou voorkomen dat de macht ligt
bij een overheidsorgaan? Dat is ook de functie van de grondwet en het
staatsrecht. Voorkomen dat burgers te veel worden beperkt door de overheid.
, Alleen bij grondrechten gaat het niet zo zeer over hoe ze overheid is ingericht
hoeveel organen zijn er, hoe houden ze elkaar in evenwicht? Maar het gaat meer
om de vraag wat zijn de aspecten van het leven die zo belangrijk zijn voor
burgers dat de overheid zich daar niet mee mag bemoeien. Denk bijvoorbeeld
aan godsdienstvrijheid. Denk aan menigsuiting. Wat is de overheidsvrije sfeer
waar de overheid zich niet mee mag bemoeien. Dat zijn de klassiek
grondrechten. In een sociale rechtstaat zoals wij die hebben, komen er andere
vragen bij kijken. Namelijk hoe kan de overheid. Beschikbare middelen op een
rechtvaardige manier verdelen. Zoals wie heeft het recht op gezondheidszorg,
wie heeft recht op bijstand van overheidswege wat zijn de minimale
voorwaarden die de overheid moet scheppen voor een menswaardig bestaan.
Dat zijn de kern onderwerpen van het staatsrecht.
In het privaatrecht is het zo dat er veel begrippen zijn die hun wortels vinden in
het Romeinse recht of canonieke recht. Omdat deze wortels in alle landen
hetzelfde zijn, leent dat goed voor rechtsvergelijking. In het staatsrecht is het
anders. De landen die we behandelen hebben hun eigen specifieke ontwikkeling
doorgemaakt. Bijvoorbeeld verschillen in bevolkingssamenstelling, geografische
ligging, oorlogen die zijn gevoerd en de redenen daarvoor. Het staatsrecht
verschilt dus per land. De gemeenschappelijke basis voor rechtsvergelijking in
het staatsrecht is beperkter. Ieder land is in zijn ontwikkeling in zekere zin
uniek.
Equal protection dat zwarte Amerikanen zelfde rechten kregen als blanke
Amerikanen.
Er is wel gemeenschappelijk basis binnen het staatsrecht van bepaalde landen.
Zoals de landen die we gaan behandelen. Liberale rechtstaten.
Liberale democratie zijn gefundeerd op de beginselen van de rechtstaat. Voor al
die landen min of meer hetzelfde. Over de vraag Wat dan precies die beginselen
zijn? Daar kun je over twisten. Basisbeginselen zijn: democratie, legaliteit,
machtenspreiding, grondrechten en gelijkheid mag ook genoemd worden. Er zijn
een aantal beginselen die gemeenschappelijk zijn voor de staten. Er voeren ook
eisen uit. Waaraan de inrichting van die staten moet voldoen. Om die beginselen
waar te maken. Zoals onafhankelijke rechtspraak, vrije verkiezingen,
betrokkenheid van de volksvertegenwoordiging bij wetgeving. Als je die
gemeenschappelijke eisen als uitgangspunt neemt dan zul je zien dat je ook
tegen vergelijkbare vragen en problemen aanloopt hoe je die in de praktijk het
beste kunt implementeren. En daar hebben we een gemeenschappelijke basis
voor rechtsvergelijking.
Methode die uit gaan van fundamentele methoden als je uitgaat van de
rechtsstatelijke beginselen. Is de Methode-Koopmans.
Hij heeft gezegd op basis van die rechtstaatbeginselen kun je een aantal vragen
forumleren en daar kun je dan steeds twee uiterste antwoorden, ideaal typische
antwoorden bij verzinnen en die kun je gebruiken als modellen om verschillende
staten te classificeren. Een voorbeeld: stel je gaat uit van machtenscheiding dan
heb je wetgevende macht en rechterlijke macht en die moeten elkaar in
evenwicht houden. Wie heeft nou de hoogste macht. Is dat de wetgever of is dat
de rechter? Is wetgeving die is gemaakt met betrokkenheid van
Cluster staatsrecht hoorcollege 1
Constituties en staatsvormen
Kennis maken met staatsrecht van vier andere landen. VS, UK, Duitsland en
Frankrijk. Belangrijkste kenmerken van het staatsrecht van die landen en
vergelijken met elkaar en ook vergelijken met het staatsrecht van Nederland.
Hier zal geen nadruk op gelegd worden.
Meeste aandacht gaat uit naar het staatsrecht van andere landen.
Instituties en staatsvormen, parlementen, wetgevende macht en uitvoerende
macht.
Onderwerp van vandaag: staatsvormen en constituties.
De leerdoelen staan op de sheet. Eind van de cluster moet je vergelijking kunnen
maken tussen de verschillende landen en aan de hand daarvan uitleggen wat de
rol is van de constituties (de grondwet) bij het begrijpen van het staatsrecht in
die landen. Het is ook de bedoeling dat u landen voor wat betreft hun staatsvorm
kunt plaatsen op de glijdende schaal tussen federatie of confederatie en centrale
eenheidstaat en concrete onderdelen van het staatsrecht in die staatvorm kunt
plaatsen en aan de hand van die onderdelen kunt aangeven waar ze op die
glijdende schaal plaatsvinden. Leerdoelen gebruiken als leidraad.
We gaan vandaag eerst de constituties bespreken van de vier landen. Ik ga
vertellen over de historische context en de belangrijkste kenmerken noemen. Na
de pauze gaan we kijken naar de staatsvormen.
Jullie hebben tijdens het vorige college het gehad over de algemene methode en
technieken college gehad van rechtsvergelijking wat daarin is gezegd, geldt voor
alle clusters en ook voor staatsrecht dus. Onderscheid tussen law in the Books en
law in action. Er zijn verschillende manieren om naar het recht te kijken en dat is
ook van toepassing in het staatsrecht. Tegelijkertijd is aangegeven dat die
rechtsvergelijkingsmethode tot stand is gekomen in het kader van het
privaatrecht. Dat betekent dat voor staatsrecht bepaalde eigenschappen zijn.
Laten we even kijken waar het staatsrecht over gaat. Er zijn eigenlijk twee
belangrijke onderdelen.
Het institutionele staatsrecht en de grondrechten. Het institutionele staatsrecht
gaat over de spreiding van machten over verschillende overheidsorganen, de
samenstelling van die organen, toekennen van bevoegdheden daaraan de vraag
hoe ze zich tot elkaar verhouden. De twee kernvragen zijn eigenlijk steeds bij dat
onderdeel: wat legitimeert de macht van de overheid? Waarom mag de overheid
macht over ons uitoefenen? Waarom mogen ze wetten maken die ons binden?
Waarom mogen ze besluiten nemen waarbij ons aan moeten houden en Hoe
voorkomen we nou machtsmisbruik door dezelfde overheid? We geven de
overheid macht die heeft ze nodig om de samenleving in stand te kunnen
houden, om voorzieningen te treffen waar we belang bij hebben. Een overheid
die te machtig is, is gevaarlijk. Hoe kunnen we nou voorkomen dat de macht ligt
bij een overheidsorgaan? Dat is ook de functie van de grondwet en het
staatsrecht. Voorkomen dat burgers te veel worden beperkt door de overheid.
, Alleen bij grondrechten gaat het niet zo zeer over hoe ze overheid is ingericht
hoeveel organen zijn er, hoe houden ze elkaar in evenwicht? Maar het gaat meer
om de vraag wat zijn de aspecten van het leven die zo belangrijk zijn voor
burgers dat de overheid zich daar niet mee mag bemoeien. Denk bijvoorbeeld
aan godsdienstvrijheid. Denk aan menigsuiting. Wat is de overheidsvrije sfeer
waar de overheid zich niet mee mag bemoeien. Dat zijn de klassiek
grondrechten. In een sociale rechtstaat zoals wij die hebben, komen er andere
vragen bij kijken. Namelijk hoe kan de overheid. Beschikbare middelen op een
rechtvaardige manier verdelen. Zoals wie heeft het recht op gezondheidszorg,
wie heeft recht op bijstand van overheidswege wat zijn de minimale
voorwaarden die de overheid moet scheppen voor een menswaardig bestaan.
Dat zijn de kern onderwerpen van het staatsrecht.
In het privaatrecht is het zo dat er veel begrippen zijn die hun wortels vinden in
het Romeinse recht of canonieke recht. Omdat deze wortels in alle landen
hetzelfde zijn, leent dat goed voor rechtsvergelijking. In het staatsrecht is het
anders. De landen die we behandelen hebben hun eigen specifieke ontwikkeling
doorgemaakt. Bijvoorbeeld verschillen in bevolkingssamenstelling, geografische
ligging, oorlogen die zijn gevoerd en de redenen daarvoor. Het staatsrecht
verschilt dus per land. De gemeenschappelijke basis voor rechtsvergelijking in
het staatsrecht is beperkter. Ieder land is in zijn ontwikkeling in zekere zin
uniek.
Equal protection dat zwarte Amerikanen zelfde rechten kregen als blanke
Amerikanen.
Er is wel gemeenschappelijk basis binnen het staatsrecht van bepaalde landen.
Zoals de landen die we gaan behandelen. Liberale rechtstaten.
Liberale democratie zijn gefundeerd op de beginselen van de rechtstaat. Voor al
die landen min of meer hetzelfde. Over de vraag Wat dan precies die beginselen
zijn? Daar kun je over twisten. Basisbeginselen zijn: democratie, legaliteit,
machtenspreiding, grondrechten en gelijkheid mag ook genoemd worden. Er zijn
een aantal beginselen die gemeenschappelijk zijn voor de staten. Er voeren ook
eisen uit. Waaraan de inrichting van die staten moet voldoen. Om die beginselen
waar te maken. Zoals onafhankelijke rechtspraak, vrije verkiezingen,
betrokkenheid van de volksvertegenwoordiging bij wetgeving. Als je die
gemeenschappelijke eisen als uitgangspunt neemt dan zul je zien dat je ook
tegen vergelijkbare vragen en problemen aanloopt hoe je die in de praktijk het
beste kunt implementeren. En daar hebben we een gemeenschappelijke basis
voor rechtsvergelijking.
Methode die uit gaan van fundamentele methoden als je uitgaat van de
rechtsstatelijke beginselen. Is de Methode-Koopmans.
Hij heeft gezegd op basis van die rechtstaatbeginselen kun je een aantal vragen
forumleren en daar kun je dan steeds twee uiterste antwoorden, ideaal typische
antwoorden bij verzinnen en die kun je gebruiken als modellen om verschillende
staten te classificeren. Een voorbeeld: stel je gaat uit van machtenscheiding dan
heb je wetgevende macht en rechterlijke macht en die moeten elkaar in
evenwicht houden. Wie heeft nou de hoogste macht. Is dat de wetgever of is dat
de rechter? Is wetgeving die is gemaakt met betrokkenheid van