Met nieuwe ogen
werkboek voor de ontwikkeling van een transculturele attitude
Hoofdstuk 1: Cultuur en cultuurelementen
1.1 Inleiding
Binnen het beroepsonderwijs is er een toenemende belangstelling voor internationalisering. Er is een
proces van transculturalisatie op gang gekomen. Transculturalisatie: veranderingsproces met als
doel de realisatie van een gelijkwaardige positie van iedereen, ongeacht zijn culturele achtergrond.
Om de bijdrage van mensen uit verschillende culturen optimaal te kunnen benutten, is een
transculturele attitude een goed uitgangspunt. Het is van belang voor contacten met mensen uit
andere culturen, maar ook voor het omgaan met mensen uit je eigen cultuur. Ieder mens is immers
op een andere wijze gesocialiseerd.
1.2 Cultuur
Cultuur: een samenhangend stelsel van voorstellingen, opvattingen, kennis, gewoonten,
verwachtingen, waarden en normen dat de leden van een samenleving overdragen aan volgende
generaties.
Cultuur is een dynamisch proces van uitstraling, opname, wijziging, confrontatie, verwerping,
reconstructie en interventie.
Traditie: een oud cultureel gebruik dat de nieuwe krachten van differentiëring en integratie
tegengaat.
Bij het woord ‘cultuur’ wordt vaak ook gekeken naar ‘waarden en normen’.
Waarde: object dat voor de leden van een groep emotionele betekenis heeft, maar staat ook voor de
emotionele betekenis zelf die de leden van de groep ergens aan hechten.
Norm: gedragsregel, die statisch of ideëel kan zijn. Statisch: meerderheid gedraagt zich als in de
norm geschreven. Ideëel: men behoort zich als in de norm gesteld te gedragen.
1.2.1 Elk individu kent meerdere culturen
We vergeten vaak dat een persoon meerdere culturen en sociale identiteiten kent naast zijn etnische
cultuur, namelijk sekse, opleiding, leeftijd, beroep enzovoort.
Cultuurelementen zijn onderdelen van een cultuur die kenmerkend zijn voor een bepaalde
(groeps-)cultuur.
1.2.2 Hoe een cultuur te leren kennen?
Een hulpmiddel om enig inzicht in een cultuur te kijken, is het ui-
diagram van Deal en Kennedy. Het bestaat uit een aantal elementen:
waarden, rituelen, helden en symbolen. Hoe dieper men erin snijdt,
hoe meer tranen er komen!
, Bij een waarde kun je denken aan zelfontplooiing, zekerheid, gezondheid, vriendschap, respect,
carrière maken, gezinsleven enzovoort.
Veel rituelen hebben als functie mensen te helpen bij belangrijke overgangsfasen in het leven, zoals
geboorte, puberteit, huwelijk, ouderschap en dood overgangsrituelen. Deze rituelen versterken
meestal ook de saamhorigheid binnen een gemeenschap.
Intensiveringrituelen: wordt gehouden bij crises in de gemeenschap en dienen om de
gemeenschapszin te versterken, bijv. dodenherdenking op 4 mei.
Held: iemand die voor een groep een belangrijk identificatiemodel is. Het kan gaan om een levende
of reeds overleden persoon, die eigenschappen vertegenwoordigt die in een cultuur in hoog aanzien
staan. Bijv. Nelson Mandela.
1.3 Levensbeschouwing, religie en godsdienst
De mens zoekt naar een verklaring voor de dingen die hij om zich heen ziet en naar de zin van
datgene wat hem overkomt. Dit leidt tot een bepaalde levensbeschouwing. Als deze
levensbeschouwing de verklaring van allerlei verschijnselen en gebeurtenissen buiten de alledaagse
werkelijkheid zoekt, spreken we van religie. Zodra religie geïnstitutionaliseerd wordt in een
geloofsgemeenschap of een kerk, spreken we van godsdienst. Godsdienst wordt door sommigen
gezien als onderdeel van cultuur. De hedendaagse westerse opvoeding heeft hier volgens Heshel
minder aandacht voor dan niet-westerse culturen, waar religie en godsdienst vaak een grotere rol
spelen.
Immanent: binnenwereldse, relatief buitenmenselijke. Bij godsdienst gaat het volgens Roosens om
het transcendente: buitenwereldse, relatief buitenmenselijke.
1.4 Attributies
Attributie: elk mens zoekt naar een verklaren voor hetgeen hem overkomt. Er zijn externe en interne
attributie. Externe attributies: men zoekt de oorzaak buiten zichzelf. Interne attributies: men schrijft
het probleem aan zichzelf toe. We kennen ook zingevende attributies, bijv. sinds ik dat infarct heb
overleefd, ben ik meer gaan genieten van het leven. Godsdienst kan een belangrijke rol spelen bij
deze laatste categorie.
Elke cultuur kent voor wat betreft ziekte en rampspoed twee attributies: personalistische en
naturalistische. In elke cultuur komen beide attributies naast elkaar voor. Als het om ziekte gaat, zijn
er 3 aspecten: sickness (de klascht), illnes (subjectieve wijze waarop men met de klacht omgaat, sterk
cultureel bepaald), disease (objectief vast te stellen oorzaak van de klacht).
1.4.1 Personalistische attributie
Binnen een personalistische attributie zoekt men de oorzaak van problemen of ziekte bij god(en),
geesten of mensen.
Possessie (bezetenheid)
Het toeschrijven van ziekte en ongeluk aan bezetenheid door demonen kan men in alle culturen
aantreffen. Het kan gaan om winti, jinn of vooroudergeesten, de naam ervoor is per cultuur
verschillend.
werkboek voor de ontwikkeling van een transculturele attitude
Hoofdstuk 1: Cultuur en cultuurelementen
1.1 Inleiding
Binnen het beroepsonderwijs is er een toenemende belangstelling voor internationalisering. Er is een
proces van transculturalisatie op gang gekomen. Transculturalisatie: veranderingsproces met als
doel de realisatie van een gelijkwaardige positie van iedereen, ongeacht zijn culturele achtergrond.
Om de bijdrage van mensen uit verschillende culturen optimaal te kunnen benutten, is een
transculturele attitude een goed uitgangspunt. Het is van belang voor contacten met mensen uit
andere culturen, maar ook voor het omgaan met mensen uit je eigen cultuur. Ieder mens is immers
op een andere wijze gesocialiseerd.
1.2 Cultuur
Cultuur: een samenhangend stelsel van voorstellingen, opvattingen, kennis, gewoonten,
verwachtingen, waarden en normen dat de leden van een samenleving overdragen aan volgende
generaties.
Cultuur is een dynamisch proces van uitstraling, opname, wijziging, confrontatie, verwerping,
reconstructie en interventie.
Traditie: een oud cultureel gebruik dat de nieuwe krachten van differentiëring en integratie
tegengaat.
Bij het woord ‘cultuur’ wordt vaak ook gekeken naar ‘waarden en normen’.
Waarde: object dat voor de leden van een groep emotionele betekenis heeft, maar staat ook voor de
emotionele betekenis zelf die de leden van de groep ergens aan hechten.
Norm: gedragsregel, die statisch of ideëel kan zijn. Statisch: meerderheid gedraagt zich als in de
norm geschreven. Ideëel: men behoort zich als in de norm gesteld te gedragen.
1.2.1 Elk individu kent meerdere culturen
We vergeten vaak dat een persoon meerdere culturen en sociale identiteiten kent naast zijn etnische
cultuur, namelijk sekse, opleiding, leeftijd, beroep enzovoort.
Cultuurelementen zijn onderdelen van een cultuur die kenmerkend zijn voor een bepaalde
(groeps-)cultuur.
1.2.2 Hoe een cultuur te leren kennen?
Een hulpmiddel om enig inzicht in een cultuur te kijken, is het ui-
diagram van Deal en Kennedy. Het bestaat uit een aantal elementen:
waarden, rituelen, helden en symbolen. Hoe dieper men erin snijdt,
hoe meer tranen er komen!
, Bij een waarde kun je denken aan zelfontplooiing, zekerheid, gezondheid, vriendschap, respect,
carrière maken, gezinsleven enzovoort.
Veel rituelen hebben als functie mensen te helpen bij belangrijke overgangsfasen in het leven, zoals
geboorte, puberteit, huwelijk, ouderschap en dood overgangsrituelen. Deze rituelen versterken
meestal ook de saamhorigheid binnen een gemeenschap.
Intensiveringrituelen: wordt gehouden bij crises in de gemeenschap en dienen om de
gemeenschapszin te versterken, bijv. dodenherdenking op 4 mei.
Held: iemand die voor een groep een belangrijk identificatiemodel is. Het kan gaan om een levende
of reeds overleden persoon, die eigenschappen vertegenwoordigt die in een cultuur in hoog aanzien
staan. Bijv. Nelson Mandela.
1.3 Levensbeschouwing, religie en godsdienst
De mens zoekt naar een verklaring voor de dingen die hij om zich heen ziet en naar de zin van
datgene wat hem overkomt. Dit leidt tot een bepaalde levensbeschouwing. Als deze
levensbeschouwing de verklaring van allerlei verschijnselen en gebeurtenissen buiten de alledaagse
werkelijkheid zoekt, spreken we van religie. Zodra religie geïnstitutionaliseerd wordt in een
geloofsgemeenschap of een kerk, spreken we van godsdienst. Godsdienst wordt door sommigen
gezien als onderdeel van cultuur. De hedendaagse westerse opvoeding heeft hier volgens Heshel
minder aandacht voor dan niet-westerse culturen, waar religie en godsdienst vaak een grotere rol
spelen.
Immanent: binnenwereldse, relatief buitenmenselijke. Bij godsdienst gaat het volgens Roosens om
het transcendente: buitenwereldse, relatief buitenmenselijke.
1.4 Attributies
Attributie: elk mens zoekt naar een verklaren voor hetgeen hem overkomt. Er zijn externe en interne
attributie. Externe attributies: men zoekt de oorzaak buiten zichzelf. Interne attributies: men schrijft
het probleem aan zichzelf toe. We kennen ook zingevende attributies, bijv. sinds ik dat infarct heb
overleefd, ben ik meer gaan genieten van het leven. Godsdienst kan een belangrijke rol spelen bij
deze laatste categorie.
Elke cultuur kent voor wat betreft ziekte en rampspoed twee attributies: personalistische en
naturalistische. In elke cultuur komen beide attributies naast elkaar voor. Als het om ziekte gaat, zijn
er 3 aspecten: sickness (de klascht), illnes (subjectieve wijze waarop men met de klacht omgaat, sterk
cultureel bepaald), disease (objectief vast te stellen oorzaak van de klacht).
1.4.1 Personalistische attributie
Binnen een personalistische attributie zoekt men de oorzaak van problemen of ziekte bij god(en),
geesten of mensen.
Possessie (bezetenheid)
Het toeschrijven van ziekte en ongeluk aan bezetenheid door demonen kan men in alle culturen
aantreffen. Het kan gaan om winti, jinn of vooroudergeesten, de naam ervoor is per cultuur
verschillend.