§5.1 Staatsvorming
Politics zijn de processen waar conflicten via strijd en consensus worden opgelost, de
politieke kwesties en 'de politiek' zoals het vaak wordt genoemd (het spel).
Polity is een politiek gemeenschap met structuren en organisaties als gespecialiseerde en
gezaghebbende overheidsinstellingen, het politieke systeem (de spelers).
Policy betekent beleid en het gaat over hoe de samenleving eruit zou moeten zien met de
middelen die daarvoor nodig zijn (de regels).
Staatsvorming is de institutionalisering van politieke macht tot een staat.
De staatsvorming van Nederland is ontstaan vanuit de staatsvorming in West-Europa, wat
begon tijdens de middeleeuwen, tijdens het ontstaan van politieke instituties en instellingen
die de wederzijdse afhankelijkheid van burgers en heersers moesten vormgeven.
Spreken van een staat wanneer er sprake is van een interne soevereine macht (interne
soevereiniteit): 1. Als het hoogste gezag regeert over een groep mensen;
2. Als het binnen een bepaald grondgebied valt;
3. Als er daarbij het geweldsmonopolie en belastingmonopolie bezit.
Het vierde kenmerk is externe soevereiniteit: dat een staat erkend moet worden als een
échte staat door andere staten, om daadwerkelijk een staat te kunnen zijn.
Het proces van staatsvorming is een combinatie van economische, culturele en politieke
ontwikkelingen. In het geval van Nederland ging het om urbanisatie, handel en centralisatie.
Hieruit ontstonden premoderne staten, nadat het feodale systeem werd afgeschaft doordat
de burgerij het bestuur overnam. Het ontstaan van de Staten-Generaal en
standenvergadering was een voorbeeld van democratisering, de Vrede van Westfalen in
1648 was een voorbeeld van een statensysteem over onderlinge verhoudingen en het
non-interventiebeginsel. Om te zoeken naar veiligheid en macht breidden veel staten hun
koloniën uit en stimuleerde ze technologische vernieuwingen (rationalisering).
Rationalisering: Het proces van het ordenen en systematiseren van de werkelijkheid met de
bedoeling haar voorspelbaar en beheersbaar te maken en het doelgericht inzetten van
middelen om zo efficiënt mogelijk resultaten te bereiken.
Door rationalisering vond er een verandering plaats in hoe de politieke macht het meest
effectief en efficiënt kon worden gestructureerd. In de moderne tijd verminderde hierdoor het
belang van tradities en emotionele bindingen, wat door Max Weber 'de onttovering van de
wereld' werd genoemd. Hierdoor heeft het geleid tot veranderingen van de politieke macht:
de-personalisering, formalisering en integratie hebben geleid tot de moderne staat.
De-personalisering: macht niet meer gekoppeld aan een persoon, maar aan de functie en
specifieke rol van iemand, het scheiden van persoon en functie.
, Formalisering: de politieke macht is steeds minder informeel: steeds meer codificatie
waardoor politieke macht ingeperkt wordt door de wet en geschreven regels.
Integratie: staat en samenleving raken steeds meer met elkaar verweven waarbij de staat
dient als bescherming van de samenleving en de samenleving betaalt belasting om ervoor te
zorgen dat de staat kan functioneren.
Vrede van Westfalen (einde van een aantal oorlogen was het begin van het
non-interventiebeginsel: staten mogen zich niet mengen in de interne zaken van andere
staten. Het statensysteem is de regeling van onderlinge verhoudingen tussen staten.
Het begin van het kolonialisme en toename van technologische ontwikkelingen.
De concurrentie stimuleerde de machtsgroei en expansie van Europese staten, dit leidde tot
kolonialisme, imperialisme en uiteindelijk twee wereldoorlogen.
Rationalisering is het proces en ordenen en systematiseren van de werkelijkheid met de
bedoeling haar voorspelbaar en beheersbaar te maken en het doelgericht inzetten van
middelen om zo efficiënt en effectief mogelijke resultaten te bereiken.
- depersonalisering: gezag gekoppeld aan positie, niet aan persoon
- formalisering: vastgelegd in regels en wetten
- integratie: staat en samenleving dichter bij elkaar gekomen
Volgens Weber leidt dit tot de onttovering van de wereld: vermindering van het belang van
tradities, emotionele binding en het bovennatuurlijke.
Politieke spel (politics), de processen, de debatten, de onderhandelingen:
met spelregels (polity), regels, wetten, de vastgelegde regels en wetten:
daaruit komt een resultaat (policy) wat er uiteindelijk besloten wordt, plannen, beleid
Parlementaire democratie waarbij er volkssoevereiniteit is: het volk heeft de grootste macht
en het hoogste gezag en dan met een parlement.
1. Gekozen volksvertegenwoordiging controleert de regering
2. Vrije en eerlijke verkiezingen van volksvertegenwoordigers
3. Vrijheid van meningsuiting
4. Toegang tot meerdere onafhankelijke informatiebronnen
5. Vrijheid van vereniging
6. Inclusief burgerschap: iedereen mag meepraten, stemmen, in de politiek
Hoeveel macht een politieke partij heeft hangt af van de politieke institutie van
coalitievorming: de coalitie vormt samen de regering en voert het beleid van het
regeerakkoord uit. Ze hebben meer macht dan de oppositiepartijen en daarom moet de
oppositie de coalitie controleren. Er wordt gestreefd naar een meerderheid voor de coalitie:
een meerderheidskabinet met de coalitie als de meeste zetels bij elkaar opgeteld.
Representatie: dat iemand van een groep mee mag doen: representatief is de mate waarin
dit gebeurt.
1. Afspiegelingsmodel: focus op achtergrondkenmerken waarbij de
volksvertegenwoordigers een afspiegeling moeten zijn van de samenleving.
2. Rolmodel: rol van de volksvertegenwoordiger staat centraal waarbij het vooral draait
om de politieke partijen en het vertegenwoordigen van de eigen mening in plaats van