Leereenheid 1
Organismen en externe omgeving
Omgeving speelt bij functioneren op twee manieren een rol
- organismen zijn van omgeving afhankelijk voor energie en bouwstoffen die nodig zijn om
te leven groei, reproductie en bescherming
- organismen zijn afhankelijk voor de afgifte van afvalstoffen
bij eencellige organismen staat cel direct in contact met omgeving
meercellige hebben speciale aanpassingen ontwikkeld om stoffen uit te kunnen wisselen
tussen omgeving en hun cellen
omgeving kan een verstorende en bedreigende factor zijn
- processen op celniveau verlopen alleen onder bepaalde fysische en chemische
voorwaarden
- omgevingsfactoren kunnen behoorlijk fluctueren organismen aanpassingen
ontwikkeld om constant mogelijke interne toestand te handhaven
Energie en grondstoffen
Voor productie van biomoleculen hebben organismen energie en bouwstoffen nodig uit
omgeving
- belangrijkste groepen biomoleculen zijn: koolhydraten, vezels, eiwitten en nucleotiden
- biomoleculen bestaan uit keten van koolstofatomen verbonden met andere atomen,
H,O,N of P
Grondstoffen, in vorm van elementen koolstof, waterstof, zuurstof, at stiksof, zwavel en
calcium, kalium en fosfor blijven in het systeem circuleren en worden opnieuw gebruikt
- soms kan één van die elementen beperkend zijn
energie moet van buiten het systeem telkens opnieuw worden aangevuld geleid tot
allerlei vormen van chemische energie
- organismen die organische stoffen opbouwen uit anorganische stoffen met een niet-
organische energiebron = autotroof planten zijn foto-autotroof
o alle autotrofe processen voor opname grondstoffen van elkaar gescheiden
o synthese proces kenmerkend voor autotrofen
- organismen die organische stoffen nodig hebben als energiebron of grondstof =
heterotroof
o processen opname van grondstoffen met elkaar verweven
o eten is een proces kenmerkend voor heterotrofe organismen
centraal voor alle levende organismen staan opbouw en afbouw van biomoleculen =
metabolisme
- met behulp van water, anorganische stoffen en organische ionen en moleculen en
energie bouwt organisme specifieke biomoleculen op
- met behulp van zuurstof breekt het die stoffen weer af tot water en anorganische en
organische ionen en moleculen en energierijke stoffen
- daarbij kunnen afvalstoffen overblijven die uitgescheiden worden
homeostase en regulatie
, levensprocessen alleen mogelijk onder bepaalde omstandigheden
- binnen in levende organismen zal altijd aan een soort eigen voorwaarden moeten
worden voldaan grenzen overschreden leiden tot dood
- organismen kunnen zich beschermen tegen afwijkende omstandigheden in omgeving
levende organismen hebben het vermogen om tal van factoren in het interne milieu te
handhaven binnen de grenzen die vereist zijn voor levensprocessen = homeostase
- negatieve terugkoppelingen die er voor zorgen dat veranderingen in een bepaalde
richting wordt afgeremd of te niet gedaan
aan negatief terugkoppelingssysteem van een levend organismen kunnen tenminste vijf
facetten worden onderscheiden:
- factor van interne milieu (zoals temperatuur) die gereguleerd moet worden
- een voeler (zintuig) voor die factor
- een normwaarde voor die factor
- een mechanisme of proces dat in werking treedt wanneer de norm in een bepaalde
richting overschreden wordt en weer terugduwt naar norm
- een energietoevoer om het mechanisme of proces te voeden
bijsturen van de ene factor kan gevolgen hebben voor andere factoren
terugkoppeling systemen werken goed als verschillen tussen omgeving en de normen voor
het interne milieu niet te groot zijn
naast negatieve terugkoppeling ook positieve terugkoppelingen die processen die in gang
zijn gezet kunnen versterken
- vaak voor korte termijn
Leereenheid 2
Eigenschappen van cellen kunnen beschrijven, de belangrijkste structuren daarin kunnen benoemen
en beschrijven en globaal aan te kunnen geven wat hun functie is
Cellen zijn zelfstandige elementen die in hun eigen levensonderhoud voorzien en daar
voortdurend mee bezig zijn
- Ze nemen voedsel op en gebruiken dit voor aanmaak van nieuwe cellen en energie om te
functioneren
De stof en informatiestromen doen denken aan een fabriek waar grondstoffen ingaan,
producten worden afgeleverd en afvalstoffen uitgestoten.
- Cel gebruikt de aangevoerde grondstoffen als uitgangsproduct voor de synthese van
cellulaire bouwstenen en brandstof voor de cellulaire energiecentrale
- Biomoleculen die in cel worden gemaakt worden door de cel zelf gebruikt voor opbouw
voor handhaven cellulaire structuur en synthese/onderhoud van enzymen
o Sommige opgeslagen en andere doorgegeven aan andere cellen (meercellige)
- Informatie die nodig is om cellulaire processen te laten verlopen ligt vast in de structuur
informatiebevattende biomoleculen DNA, RNA en eiwitmoleculen
prokaryoten
, Prokaryoten hebben allemaal een celwand in tegenstelling tot eukaryoten waar we ze alleen
zien bij planten, schimmels en algen
- Celwand = stevige structuur die vorm geeft aan de cel
- Omgeeft cytoplasma of celmembraan en geeft stevigheid aan de cel
- Dient als barrière voor grote moleculen, verankeringplaats voor flagellen en drager van
antigene eigenschappen
- Chemische samenstelling celwand belangrijk differentiatiekenmerk bij bacteriën
Alle cellen zijn omgeven door dunne flexibele laag cytoplasma-membraan
- Membraan vormt fysieke barrière tussen inwendige cel (cytoplasma) en uitwendige
milieu
- Het is betrokken bij alle communicatie van de cel met zijn omgeving
- Belangrijkste functie is dat het fungeert als selectieve barriere voor stoffen binnen en
buiten de cel slechts aantal stoffen door diffusie membraan passeren
o Over het algemeen kleine en ongeladen moleculen (water en gassen) of
moleculen die goed in lipidelaag oplossen (apolaire stoffen) en polaire stoffen en
protonen niet.
o Grote geladen moleculen passeren via specifieke transportmechanismen
hiervoor is energie nodig afkomstig van ATP of ionengradiënt over het membraan
- Hierdoor bepaalde voedingsstoffen in cel accumuleren en ongelijke concentratie ionen
aan beide zijden van membraan
- Basisstructuur membraan is een lipidedubbellaag membraan lipide met apolaire deel
naar elkaar en polaire deel naar buitenzijde gericht naar cytoplasma en extern milieu
o Membraaneiwitten bevinden zich meer aan het oppervlak van membraan of zijn
ingebed
o Eiwitten die gehele membraan overspannen zijn integrale eiwitten en vormen
kanaaltjes waardoor transport van opgeloste stoffen kan plaatsvinden
o Memebraan assymetrisch van structuur aan binnen en buitenzijde
verschillende functies
- Celmembraan opgevat als vloeibaar mozaiëkmodel eiwitten geen vaste positie, maar
in staat tot zijwaartse verplaatsing of kunnen hun conformatie wijzigen
Flagellen zijn draadvormige structuren aan het celoppervlak
- Zorgen voor voortbeweging
- Bestaan uit drie delen:
o Filament lange draden van eiwit flagelline die spiraalsgewijs in elkaar zijn
gedraaid rondom een holle buis
o Basaal lichaam verankert flagel aan celwand en membraan
o Hoekstuk vormt verbinding tussen filament en basaal lichaam
- Eiwitten waar flagel uit is opgebouwd hebben antigene werking
Fimbriae en pili zijn ook een draadvormige structuur die alleen bij prokaryoten voorkomen
- Fimbriae Functie betreft de aanhechting aan oppervlakken of aan elkaar bijdragen
pathogene karakter van organisme
- Pili spelen rol bij overdracht erfelijke materiaal tussen verwante bacteriesoorten via
paring van cellen
, De voornaamste structuren in het cytoplasma, celvloeistof, zijn het DNA, de ribosomen,
granula.
- In cytoplasma vindt eiwit en DNA-synthese plaats eiwitsynthese vindt plaats aan
ribosomen, opgebouwd uit groot aantal eiwitten en RNA uitgedrukt in grootte van
Svedberg-eenheden (S).
- Soms ook granula voor, korrels van reserve materiaal opslag van energiereserves
Bij aantal bacteriesoorten kan in de cel endospore worden gevormd
- Endospore = gedifferentieerde cel in rusttoestand
- Ontstaat als cel ten gronde gaat, maar de spore overleeft
- Spoorvorming (sporogonese) is een overlevingsstrategie
Genetisch materiaal van prokaryoten bestaat uit één enkel DNA molecule (chromosoom) dat
dubbelstrengs en circulair is niet door membraan omgeven en neemt veel celvolume in
- Minder te herkennen dan DNA eukaryoten
- Circulaire DNA is spiraalvorming opgewonden zodat het compact wordt = supercoiled
- Naast chromosoom bevat cel ook plasmiden extrachromosomale genetische
elementen de onafhankelijk van chromosoom repliceren
Prokaryoten vermeerderen zich door binaire splitsing
- Groeit eerst tweemaal orginele lengte, waarna afscheiding gevormd wordt celwand
en celmembraan groeien op tegenover elkaar liggende plaatsen naar binnen tot een
tussenwand ontstaat
- Celinhoud is verdubbeld en beide dochtercellen kopie van oudercel
- Conjugatie, transductie en transformatie processen voor uitwisseling erfelijk materiaal
nooit het gehele genoom altijd maar fragement van donor naar acceptor
Eukaryoten (dierlijke cel)
Genetisch materiaal is van de rest van de celinhoud afgelsoten door een membraan, dit is de
celkern of nucleus
- Kernmembraan bestaat uit twee concentrische membranen die slecht door een nauwe
ruimte van elkaar gescheiden zijn
o Buitenste membraan is op meerdere plaatsen een voortzetting van het ruw
endoplasmatisch reticulum en kunnen ribosomen aan gehecht zijn
o Kernmembraan bevat kernporiën die dienen als transportkanaal tussen de kern
en cytoplasma
- Het DNA in eukaryote cel bevindt zich in chromosomen hierin informatie opgeslagen
voor eiwitsynthese
o Informatie overgeschreven naar m-RNA
- Andere structuur in kern is de nucleoli, kernlichaampje, waar de ribosomen worden
gemaakt ribosomen samen met m-rna naar cytoplasma getransporteerd
Mitochondriën zijn de energiecentrales van de cel
- Door membraan omgeven organellen, staafvormig
- Omgeven door twee membraamsystemen, beide lipidedubbellaagstructuur
o Buitenste membraan niet geplooid en binnenste wel, cristae genoemd, die het
inwendige van het mitochondrion omgeven de matrix
o Matrix is eitwirijk en gelei-achtig
Organismen en externe omgeving
Omgeving speelt bij functioneren op twee manieren een rol
- organismen zijn van omgeving afhankelijk voor energie en bouwstoffen die nodig zijn om
te leven groei, reproductie en bescherming
- organismen zijn afhankelijk voor de afgifte van afvalstoffen
bij eencellige organismen staat cel direct in contact met omgeving
meercellige hebben speciale aanpassingen ontwikkeld om stoffen uit te kunnen wisselen
tussen omgeving en hun cellen
omgeving kan een verstorende en bedreigende factor zijn
- processen op celniveau verlopen alleen onder bepaalde fysische en chemische
voorwaarden
- omgevingsfactoren kunnen behoorlijk fluctueren organismen aanpassingen
ontwikkeld om constant mogelijke interne toestand te handhaven
Energie en grondstoffen
Voor productie van biomoleculen hebben organismen energie en bouwstoffen nodig uit
omgeving
- belangrijkste groepen biomoleculen zijn: koolhydraten, vezels, eiwitten en nucleotiden
- biomoleculen bestaan uit keten van koolstofatomen verbonden met andere atomen,
H,O,N of P
Grondstoffen, in vorm van elementen koolstof, waterstof, zuurstof, at stiksof, zwavel en
calcium, kalium en fosfor blijven in het systeem circuleren en worden opnieuw gebruikt
- soms kan één van die elementen beperkend zijn
energie moet van buiten het systeem telkens opnieuw worden aangevuld geleid tot
allerlei vormen van chemische energie
- organismen die organische stoffen opbouwen uit anorganische stoffen met een niet-
organische energiebron = autotroof planten zijn foto-autotroof
o alle autotrofe processen voor opname grondstoffen van elkaar gescheiden
o synthese proces kenmerkend voor autotrofen
- organismen die organische stoffen nodig hebben als energiebron of grondstof =
heterotroof
o processen opname van grondstoffen met elkaar verweven
o eten is een proces kenmerkend voor heterotrofe organismen
centraal voor alle levende organismen staan opbouw en afbouw van biomoleculen =
metabolisme
- met behulp van water, anorganische stoffen en organische ionen en moleculen en
energie bouwt organisme specifieke biomoleculen op
- met behulp van zuurstof breekt het die stoffen weer af tot water en anorganische en
organische ionen en moleculen en energierijke stoffen
- daarbij kunnen afvalstoffen overblijven die uitgescheiden worden
homeostase en regulatie
, levensprocessen alleen mogelijk onder bepaalde omstandigheden
- binnen in levende organismen zal altijd aan een soort eigen voorwaarden moeten
worden voldaan grenzen overschreden leiden tot dood
- organismen kunnen zich beschermen tegen afwijkende omstandigheden in omgeving
levende organismen hebben het vermogen om tal van factoren in het interne milieu te
handhaven binnen de grenzen die vereist zijn voor levensprocessen = homeostase
- negatieve terugkoppelingen die er voor zorgen dat veranderingen in een bepaalde
richting wordt afgeremd of te niet gedaan
aan negatief terugkoppelingssysteem van een levend organismen kunnen tenminste vijf
facetten worden onderscheiden:
- factor van interne milieu (zoals temperatuur) die gereguleerd moet worden
- een voeler (zintuig) voor die factor
- een normwaarde voor die factor
- een mechanisme of proces dat in werking treedt wanneer de norm in een bepaalde
richting overschreden wordt en weer terugduwt naar norm
- een energietoevoer om het mechanisme of proces te voeden
bijsturen van de ene factor kan gevolgen hebben voor andere factoren
terugkoppeling systemen werken goed als verschillen tussen omgeving en de normen voor
het interne milieu niet te groot zijn
naast negatieve terugkoppeling ook positieve terugkoppelingen die processen die in gang
zijn gezet kunnen versterken
- vaak voor korte termijn
Leereenheid 2
Eigenschappen van cellen kunnen beschrijven, de belangrijkste structuren daarin kunnen benoemen
en beschrijven en globaal aan te kunnen geven wat hun functie is
Cellen zijn zelfstandige elementen die in hun eigen levensonderhoud voorzien en daar
voortdurend mee bezig zijn
- Ze nemen voedsel op en gebruiken dit voor aanmaak van nieuwe cellen en energie om te
functioneren
De stof en informatiestromen doen denken aan een fabriek waar grondstoffen ingaan,
producten worden afgeleverd en afvalstoffen uitgestoten.
- Cel gebruikt de aangevoerde grondstoffen als uitgangsproduct voor de synthese van
cellulaire bouwstenen en brandstof voor de cellulaire energiecentrale
- Biomoleculen die in cel worden gemaakt worden door de cel zelf gebruikt voor opbouw
voor handhaven cellulaire structuur en synthese/onderhoud van enzymen
o Sommige opgeslagen en andere doorgegeven aan andere cellen (meercellige)
- Informatie die nodig is om cellulaire processen te laten verlopen ligt vast in de structuur
informatiebevattende biomoleculen DNA, RNA en eiwitmoleculen
prokaryoten
, Prokaryoten hebben allemaal een celwand in tegenstelling tot eukaryoten waar we ze alleen
zien bij planten, schimmels en algen
- Celwand = stevige structuur die vorm geeft aan de cel
- Omgeeft cytoplasma of celmembraan en geeft stevigheid aan de cel
- Dient als barrière voor grote moleculen, verankeringplaats voor flagellen en drager van
antigene eigenschappen
- Chemische samenstelling celwand belangrijk differentiatiekenmerk bij bacteriën
Alle cellen zijn omgeven door dunne flexibele laag cytoplasma-membraan
- Membraan vormt fysieke barrière tussen inwendige cel (cytoplasma) en uitwendige
milieu
- Het is betrokken bij alle communicatie van de cel met zijn omgeving
- Belangrijkste functie is dat het fungeert als selectieve barriere voor stoffen binnen en
buiten de cel slechts aantal stoffen door diffusie membraan passeren
o Over het algemeen kleine en ongeladen moleculen (water en gassen) of
moleculen die goed in lipidelaag oplossen (apolaire stoffen) en polaire stoffen en
protonen niet.
o Grote geladen moleculen passeren via specifieke transportmechanismen
hiervoor is energie nodig afkomstig van ATP of ionengradiënt over het membraan
- Hierdoor bepaalde voedingsstoffen in cel accumuleren en ongelijke concentratie ionen
aan beide zijden van membraan
- Basisstructuur membraan is een lipidedubbellaag membraan lipide met apolaire deel
naar elkaar en polaire deel naar buitenzijde gericht naar cytoplasma en extern milieu
o Membraaneiwitten bevinden zich meer aan het oppervlak van membraan of zijn
ingebed
o Eiwitten die gehele membraan overspannen zijn integrale eiwitten en vormen
kanaaltjes waardoor transport van opgeloste stoffen kan plaatsvinden
o Memebraan assymetrisch van structuur aan binnen en buitenzijde
verschillende functies
- Celmembraan opgevat als vloeibaar mozaiëkmodel eiwitten geen vaste positie, maar
in staat tot zijwaartse verplaatsing of kunnen hun conformatie wijzigen
Flagellen zijn draadvormige structuren aan het celoppervlak
- Zorgen voor voortbeweging
- Bestaan uit drie delen:
o Filament lange draden van eiwit flagelline die spiraalsgewijs in elkaar zijn
gedraaid rondom een holle buis
o Basaal lichaam verankert flagel aan celwand en membraan
o Hoekstuk vormt verbinding tussen filament en basaal lichaam
- Eiwitten waar flagel uit is opgebouwd hebben antigene werking
Fimbriae en pili zijn ook een draadvormige structuur die alleen bij prokaryoten voorkomen
- Fimbriae Functie betreft de aanhechting aan oppervlakken of aan elkaar bijdragen
pathogene karakter van organisme
- Pili spelen rol bij overdracht erfelijke materiaal tussen verwante bacteriesoorten via
paring van cellen
, De voornaamste structuren in het cytoplasma, celvloeistof, zijn het DNA, de ribosomen,
granula.
- In cytoplasma vindt eiwit en DNA-synthese plaats eiwitsynthese vindt plaats aan
ribosomen, opgebouwd uit groot aantal eiwitten en RNA uitgedrukt in grootte van
Svedberg-eenheden (S).
- Soms ook granula voor, korrels van reserve materiaal opslag van energiereserves
Bij aantal bacteriesoorten kan in de cel endospore worden gevormd
- Endospore = gedifferentieerde cel in rusttoestand
- Ontstaat als cel ten gronde gaat, maar de spore overleeft
- Spoorvorming (sporogonese) is een overlevingsstrategie
Genetisch materiaal van prokaryoten bestaat uit één enkel DNA molecule (chromosoom) dat
dubbelstrengs en circulair is niet door membraan omgeven en neemt veel celvolume in
- Minder te herkennen dan DNA eukaryoten
- Circulaire DNA is spiraalvorming opgewonden zodat het compact wordt = supercoiled
- Naast chromosoom bevat cel ook plasmiden extrachromosomale genetische
elementen de onafhankelijk van chromosoom repliceren
Prokaryoten vermeerderen zich door binaire splitsing
- Groeit eerst tweemaal orginele lengte, waarna afscheiding gevormd wordt celwand
en celmembraan groeien op tegenover elkaar liggende plaatsen naar binnen tot een
tussenwand ontstaat
- Celinhoud is verdubbeld en beide dochtercellen kopie van oudercel
- Conjugatie, transductie en transformatie processen voor uitwisseling erfelijk materiaal
nooit het gehele genoom altijd maar fragement van donor naar acceptor
Eukaryoten (dierlijke cel)
Genetisch materiaal is van de rest van de celinhoud afgelsoten door een membraan, dit is de
celkern of nucleus
- Kernmembraan bestaat uit twee concentrische membranen die slecht door een nauwe
ruimte van elkaar gescheiden zijn
o Buitenste membraan is op meerdere plaatsen een voortzetting van het ruw
endoplasmatisch reticulum en kunnen ribosomen aan gehecht zijn
o Kernmembraan bevat kernporiën die dienen als transportkanaal tussen de kern
en cytoplasma
- Het DNA in eukaryote cel bevindt zich in chromosomen hierin informatie opgeslagen
voor eiwitsynthese
o Informatie overgeschreven naar m-RNA
- Andere structuur in kern is de nucleoli, kernlichaampje, waar de ribosomen worden
gemaakt ribosomen samen met m-rna naar cytoplasma getransporteerd
Mitochondriën zijn de energiecentrales van de cel
- Door membraan omgeven organellen, staafvormig
- Omgeven door twee membraamsystemen, beide lipidedubbellaagstructuur
o Buitenste membraan niet geplooid en binnenste wel, cristae genoemd, die het
inwendige van het mitochondrion omgeven de matrix
o Matrix is eitwirijk en gelei-achtig