TOETS OP BASIS VAN LEERDOELEN
1. Wat is een veelvoorkomend huidprobleem bij chronische veneuze insufficiëntie (CVI)?
A) Psoriasis
B) Hypostatisch eczeem
C) Actinische keratose
D) Seborroïsch eczeem
2. Welke van de volgende kenmerken hoort bij chronische veneuze insufficiëntie?
A) Pijn die verergert bij beweging
B) Ulcera aan de mediale zijde van de enkel
C) Koude, bleke voeten
D) Atrofie van de spieren
3. Wat is de primaire oorzaak van chronische veneuze insufficiëntie?
A) Spataderen (varices) door klepinsufficiëntie
B) Atherosclerose van de arteriële vaten
C) Verminderde bloeddruk in de venen
D) Hypertensie in de arteriolen
4. Welke factor speelt de grootste rol bij het ontstaan van veneuze insufficiëntie?
A) Verhoogde arteriële druk
B) Onvoldoende klepfunctie in de veneuze vaten
C) Verminderde spierkracht in de bovenbenen
D) Verminderde zuurstofopname
5. Wat is de belangrijkste functie van de veneuze kleppen?
A) Reguleren van de bloeddruk
B) Voorkomen van bloedstroom in de verkeerde richting
C) Stimuleren van spiercontracties
D) Transporteren van zuurstof naar de weefsels
6. Wat is een kenmerk van de anatomie van de venen in de onderste ledematen?
A) Ze bevatten glad spierweefsel voor bloedtransport
B) Ze zijn niet voorzien van kleppen
C) Ze transporteren zuurstofrijk bloed naar de weefsels
D) Ze gebruiken de spierpomp om het bloed richting het hart te transporteren
7. Wat is een mogelijke reactie van een cel op een schadelijke prikkel (noxe)?
A) Hypertrofie
B) Atrofie
C) Hyperplasie
D) Alle bovenstaande
, 8. Wat is het belangrijkste verschil tussen reparatie en regeneratie van weefsel?
A) Reparatie herstelt de functie volledig, terwijl regeneratie leidt tot littekenvorming
B) Reparatie leidt tot littekenvorming, terwijl regeneratie het weefsel in oorspronkelijke staat herstelt
C) Reparatie vindt alleen plaats in epitheelweefsel, regeneratie in spierweefsel
D) Reparatie wordt alleen door fibroblasten uitgevoerd
9. Wanneer spreekt men van regressieve veranderingen in weefsel?
A) Wanneer het weefsel zich ontwikkelt tot een complexer stadium
B) Wanneer cellen en weefsels degenereren en functie verliezen
C) Wanneer het weefsel zich aanpast en groeit
D) Wanneer het lichaam overmatige regeneratie vertoont
10. Wat is een belangrijk onderscheid tussen een ontsteking en een infectie?
A) Ontsteking is een immuunrespons, infectie is de aanwezigheid van pathogenen
B) Ontsteking wordt veroorzaakt door bacteriën, infectie door virussen
C) Infectie leidt altijd tot een ontsteking
D) Ontsteking vereist antibiotische behandeling
11. Welke cellen spelen een sleutelrol in de ontstekingsreactie?
A) Neutrofielen en macrofagen
B) Rode bloedcellen en fibroblasten
C) Myocyten en osteocyten
D) Endotheelcellen en adipocyten
12. Welke fase van wondgenezing wordt gekenmerkt door de vorming van granulatieweefsel?
A) Hemostasefase
B) Inflammatiefase
C) Proliferatiefase
D) Remodelleringsfase
13. Welke factor kan de wondgenezing verstoren?
A) Slechte voeding
B) Diabetes
C) Roken
D) Alle bovenstaande
14. Wat is een belangrijke eigenschap van wondzorg volgens het TIME-model?
A) Het beoordelen en behandelen van wondinfecties
B) Het creëren van een vochtige wondomgeving
1. Wat is een veelvoorkomend huidprobleem bij chronische veneuze insufficiëntie (CVI)?
A) Psoriasis
B) Hypostatisch eczeem
C) Actinische keratose
D) Seborroïsch eczeem
2. Welke van de volgende kenmerken hoort bij chronische veneuze insufficiëntie?
A) Pijn die verergert bij beweging
B) Ulcera aan de mediale zijde van de enkel
C) Koude, bleke voeten
D) Atrofie van de spieren
3. Wat is de primaire oorzaak van chronische veneuze insufficiëntie?
A) Spataderen (varices) door klepinsufficiëntie
B) Atherosclerose van de arteriële vaten
C) Verminderde bloeddruk in de venen
D) Hypertensie in de arteriolen
4. Welke factor speelt de grootste rol bij het ontstaan van veneuze insufficiëntie?
A) Verhoogde arteriële druk
B) Onvoldoende klepfunctie in de veneuze vaten
C) Verminderde spierkracht in de bovenbenen
D) Verminderde zuurstofopname
5. Wat is de belangrijkste functie van de veneuze kleppen?
A) Reguleren van de bloeddruk
B) Voorkomen van bloedstroom in de verkeerde richting
C) Stimuleren van spiercontracties
D) Transporteren van zuurstof naar de weefsels
6. Wat is een kenmerk van de anatomie van de venen in de onderste ledematen?
A) Ze bevatten glad spierweefsel voor bloedtransport
B) Ze zijn niet voorzien van kleppen
C) Ze transporteren zuurstofrijk bloed naar de weefsels
D) Ze gebruiken de spierpomp om het bloed richting het hart te transporteren
7. Wat is een mogelijke reactie van een cel op een schadelijke prikkel (noxe)?
A) Hypertrofie
B) Atrofie
C) Hyperplasie
D) Alle bovenstaande
, 8. Wat is het belangrijkste verschil tussen reparatie en regeneratie van weefsel?
A) Reparatie herstelt de functie volledig, terwijl regeneratie leidt tot littekenvorming
B) Reparatie leidt tot littekenvorming, terwijl regeneratie het weefsel in oorspronkelijke staat herstelt
C) Reparatie vindt alleen plaats in epitheelweefsel, regeneratie in spierweefsel
D) Reparatie wordt alleen door fibroblasten uitgevoerd
9. Wanneer spreekt men van regressieve veranderingen in weefsel?
A) Wanneer het weefsel zich ontwikkelt tot een complexer stadium
B) Wanneer cellen en weefsels degenereren en functie verliezen
C) Wanneer het weefsel zich aanpast en groeit
D) Wanneer het lichaam overmatige regeneratie vertoont
10. Wat is een belangrijk onderscheid tussen een ontsteking en een infectie?
A) Ontsteking is een immuunrespons, infectie is de aanwezigheid van pathogenen
B) Ontsteking wordt veroorzaakt door bacteriën, infectie door virussen
C) Infectie leidt altijd tot een ontsteking
D) Ontsteking vereist antibiotische behandeling
11. Welke cellen spelen een sleutelrol in de ontstekingsreactie?
A) Neutrofielen en macrofagen
B) Rode bloedcellen en fibroblasten
C) Myocyten en osteocyten
D) Endotheelcellen en adipocyten
12. Welke fase van wondgenezing wordt gekenmerkt door de vorming van granulatieweefsel?
A) Hemostasefase
B) Inflammatiefase
C) Proliferatiefase
D) Remodelleringsfase
13. Welke factor kan de wondgenezing verstoren?
A) Slechte voeding
B) Diabetes
C) Roken
D) Alle bovenstaande
14. Wat is een belangrijke eigenschap van wondzorg volgens het TIME-model?
A) Het beoordelen en behandelen van wondinfecties
B) Het creëren van een vochtige wondomgeving