Thema: HC3
Datum: 17-02-23
Titel: x
Hoofdvraag: (les doelen): x
Aantekeningen:
Onderwerp inleiding voorbereidingsopdracht
Onderstaande vraag 1: juiste antwoord = B en D deze vraag is een instinker, omdat de kathode en
de gloeidraad hetzelfde is en de anode en de focus is hetzelfde. Focus is een stukje van de anode
maar dat is dus de plaats waar de röntgenstraling ontstaat, maar het focus is ook de anode het is ook
het positief geladen deel waar de negatief geladen elektronen naartoe vliegen. Dus zowel B als D is
het juiste antwoord.
Onderstaande vraag 2: juiste antwoord =C ten eerste wat remstraling is. is het fotonen of
elektronen straling? Nou de elektronen die zitten echt in de röntgenbuis en kunnen daar niet uit
komen. Dus de elektronen die vliegen van gloeidraad naar de focus, daar produceren ze remstaling.
Die remstraling is fotonen straling en die hebben wel de mogelijkheid om de röntgenbuis uit te
komen. en die fotonen straling heeft een breedspectrum (een continuspectrum) heeft alle energieën
maar kan niet meer energie hebben dan dat er door de buisspanning wordt veroorzaakt dus je hebt
een bepaald maximum. En als je je buisspanning op 70 kilovolt zet dan heeft de fotonenstraling een
maximum van 70 kiloeletrovolt. Dat betekent dat C het juiste antwoord is.
,Onderstaande vraag 3: juiste antwoord = B karakteristieke straling is straling die bestaat wel uit
röntgenstraling maar het is geen remstraling, remstraling is wanneer een elektron in de buurt van
een atoom wordt afgebogen en bij dat proces verdwijnt energie van dat elektron en dat komt weer
vrij in de vorm van röntgenfoto. Dat is de remstraling. Karakteristieke straling dat is als een elektron
een ander elektron uit de anode wegketst dan is er een gat in de elektronenschil ontstaan en dat
wordt weer opgevuld en ook daar komt energie bij vrij maar die energie is karakteristiek voor het
atoom waarin die ontstaat en B is daarom het juiste antwoord. En het woord karakteristiek is dus dat
het karakteristiek is voor de atoom soort waar het ontstaat. Dus bij een tandheelkundige röntgenbuis
ontstaat ook karakteristieke röntgenstraling van wolfraam want de focus is gemaakt van wolfraam.
Onderstaande vraag 4: juiste antwoord = D de mA. s wordt niet veel gebruikt bij de
tandheelkunde radiologie, maar het is wel een begrip dat je hoort te kennen. Het juiste antwoord is
milliampère x seconden dus het is buisstroom x belichtingstijd. En die twee zijn uitwisselbaar, je mag
de buisstroom halveren als je de belichtingstijd verdubbeld, dan heb je alsnog dezelfde belichting van
je sensor. Of de andere kant op als je de belichtingstijd korter wilt hebben kan je dat bereiken door
de buisstroom hoger te maken. en de dosis is direct ook evenredig aan de mAs. Als je de mAs.
Verdubbeld dan heb je ook een dubbele dosis op de sensor en bij de patiënt. en de ander
mogelijkheden zijn gewoon onzin.
, Onderstaande vraag 5: juiste antwoord = C het grootste deel van het vermogen van de
röntgenbuis en zo’n röntgenbuis bij tandheelkunde heeft maximaal 1 kilowatt wat die opneemt en
dat wordt voornamelijk in warmte omgezet. En een klein beetje röntgenstraling en daarbij moet je
denken aan bijna 1% van het elektrisch vermogen van de röntgenstraling en 99% is warmte. Die
röntgenstraling die geeft wel wat opwarming van de patiënt en dan moet je denken aan 1 biljoenste
graad Celsius dus dat is niet echt iets wat een rol speelt.
Onderstaande vraag 6: juiste antwoord = A heel belangrijk iets want als mondhygiënist ben je
verantwoordelijk voor de dosis van de patiënt en dat wordt bepaald deels door de buisstroom, en
deel door de belichtingstijd en een deel door de buisspanning. De buisstroom dat is het aantal
elektronen wat van de gloeidraad naar de anode vliegt. En dan kan je een beetje verwachten dat als
het aantal elektronen gehalveerd wordt dan is de hoeveelheid straling die ontstaat ook de helft. Dus
A is het juiste er ontstaat half zoveel röntgenstraling. De verdeling van de energieën bij die
remstraling blijft hetzelfde, dus we zien hetzelfde spectrum alleen de intensiteit van het spectrum
veranderd. De buisspanning wordt 10 kV hoger, dat is een beetje een instinker, er staat wel iets in de
literatuur over dat 10 kV verhoging is een halve mAs maar dat is de andere kant op bedoeld. Als je de
buisspanning met 10 kv verhoogt dan kan je dat compenseren door de mas te halveren. Dus als je de
buisspanning van 60 naar 70kv zet en je werkt op bijv. 8 milliampère dan kan je dat compenseren
door de buisstroom naar 4 milliampère te zetten dan halveer je ook de mas. Of als je een
belichtingstijd hebt van 0,5 seconden dan kan je de belichtingstijd naar 0,25 seconden zetten dan
krijg je ook een halve mAs. En optie c is eigenlijk het vuistregeltje net andersom. De buisstroom heeft
geen effect op de buisspanning. Maar als je de buisspanning aanpast dan moet je zelf ook zorgen dat
de buisstroom of de belichtingstijd wordt aangepast.