BPV opdracht 4.2
Naam
Informatie over de kinderen
Naam: Groep: Algemeen:
@ 3 Wilt graag leren, staat overal voor open.
Doet haar best. Ze heeft een goede werkhouding
@@ 3 Ze probeert de les te maken maar doordat ze de taal
moeilijk vindt, lukt het haar niet. Ze is een vrolijk kind.
@@@ 3 Ze is soms druk maar ze heeft plezier in school. Soms
vindt ze iets niet leuk en stribbelt ze even tegen maar
daarna maak ze het meestal wel.
@@@@ 3 Klets graag met andere leerlingen, en vind het vak taal
soms nog wel lastig
Wat is het probleem:
Het begrijpen van de Nederlandse taal. Dit komt doordat ze thuis te weinig Nederlands
praten/horen/lezen. Ook komt het door het te weinig oefen van de taal.
Welke oplossingen zijn er:
Thuis en op school Nederlands oefenen door te praten en elke dag minimaal 15 minuten te
lezen.
, BPV opdracht 4.2
Naam
Dictee
Fase 1 leerdoel
Na de les: 1. Een herhaling van woorden die
ze horen te kennen.
1. Heeft de leerling kennis gemaakt
2. De woorden foutloos schrijven.
met...
3. Hoe hij/zij woorden moet
2. Kan de leerling...
schrijven.
3. Weet de leerling...
4. Het schrijven van woorden
4. Heeft de leerling geoefend met...
(spelling).
5. Is de leerling nieuwsgierig naar...
5. Nieuwe woorden.
6. Stelt de leerling zich open voor...
6. Nieuwe lessen/woorden.
7. Heeft de leerling ervaren dat...
7. Oefenen belangrijk is.
8. Heeft de leerling belangstelling
8. Nieuwe woorden/lessen.
voor...
Na de les: 4. Heb ik bereikt dat iedereen zijn
fout geschreven woorden
1. Heb ik …. bereikt verbetert.
2. Heb ik ….. ervaren 5. Heb ik ervaren dat sommige
3. Heb ik ….. geoefend extra hulp nodig hebben.
6. Heb ik geoefend met les geven.
Fase 2 beginfase
1. Wat weet je van de kinderen (bv. 1. Kinderen hebben een laag
leer- en of gedragsproblemen) niveau, ze kunnen snel afgeleid
Wat weten de leerlingen al van zijn. Ze zien op het bord welke
het onderwerp of wat kunnen ze dag en maand het is.
al? 2. Niveau is groep 3 maar sommige
2. Wat is het niveau van de vinden het nog erg moeilijk
leerlingen? 3. Ja de stof die ik ga behandelen is
3. Hebben ze de stof al eerder als herhaling.
gehad? 4. Nieuwe woorden.
4. Waar zijn de leerlingen 5. Nieuwe onderwerpen ontdekken.
nieuwsgierig naar? 6. Ja, na een lange tijd thuis zitten
5. Wat leeft de leerlingen? komen ze graag naar school om
6. Sluit de les aan bij hun iets nieuws te leren.
interesses? 7. Actualiteit.
7. Waar sluit je bij aan? (Actualiteit, 8. De kinderen hebben een tijd
eerdere ervaringen of situaties) geen school gehad en je merkt
Op welke manier leren de dat ze er zin in hebben omdat ze
leerlingen? meedoen in de les.
8. Hoe is de motivatie van de
leerlingen? Hoe zijn de
Naam
Informatie over de kinderen
Naam: Groep: Algemeen:
@ 3 Wilt graag leren, staat overal voor open.
Doet haar best. Ze heeft een goede werkhouding
@@ 3 Ze probeert de les te maken maar doordat ze de taal
moeilijk vindt, lukt het haar niet. Ze is een vrolijk kind.
@@@ 3 Ze is soms druk maar ze heeft plezier in school. Soms
vindt ze iets niet leuk en stribbelt ze even tegen maar
daarna maak ze het meestal wel.
@@@@ 3 Klets graag met andere leerlingen, en vind het vak taal
soms nog wel lastig
Wat is het probleem:
Het begrijpen van de Nederlandse taal. Dit komt doordat ze thuis te weinig Nederlands
praten/horen/lezen. Ook komt het door het te weinig oefen van de taal.
Welke oplossingen zijn er:
Thuis en op school Nederlands oefenen door te praten en elke dag minimaal 15 minuten te
lezen.
, BPV opdracht 4.2
Naam
Dictee
Fase 1 leerdoel
Na de les: 1. Een herhaling van woorden die
ze horen te kennen.
1. Heeft de leerling kennis gemaakt
2. De woorden foutloos schrijven.
met...
3. Hoe hij/zij woorden moet
2. Kan de leerling...
schrijven.
3. Weet de leerling...
4. Het schrijven van woorden
4. Heeft de leerling geoefend met...
(spelling).
5. Is de leerling nieuwsgierig naar...
5. Nieuwe woorden.
6. Stelt de leerling zich open voor...
6. Nieuwe lessen/woorden.
7. Heeft de leerling ervaren dat...
7. Oefenen belangrijk is.
8. Heeft de leerling belangstelling
8. Nieuwe woorden/lessen.
voor...
Na de les: 4. Heb ik bereikt dat iedereen zijn
fout geschreven woorden
1. Heb ik …. bereikt verbetert.
2. Heb ik ….. ervaren 5. Heb ik ervaren dat sommige
3. Heb ik ….. geoefend extra hulp nodig hebben.
6. Heb ik geoefend met les geven.
Fase 2 beginfase
1. Wat weet je van de kinderen (bv. 1. Kinderen hebben een laag
leer- en of gedragsproblemen) niveau, ze kunnen snel afgeleid
Wat weten de leerlingen al van zijn. Ze zien op het bord welke
het onderwerp of wat kunnen ze dag en maand het is.
al? 2. Niveau is groep 3 maar sommige
2. Wat is het niveau van de vinden het nog erg moeilijk
leerlingen? 3. Ja de stof die ik ga behandelen is
3. Hebben ze de stof al eerder als herhaling.
gehad? 4. Nieuwe woorden.
4. Waar zijn de leerlingen 5. Nieuwe onderwerpen ontdekken.
nieuwsgierig naar? 6. Ja, na een lange tijd thuis zitten
5. Wat leeft de leerlingen? komen ze graag naar school om
6. Sluit de les aan bij hun iets nieuws te leren.
interesses? 7. Actualiteit.
7. Waar sluit je bij aan? (Actualiteit, 8. De kinderen hebben een tijd
eerdere ervaringen of situaties) geen school gehad en je merkt
Op welke manier leren de dat ze er zin in hebben omdat ze
leerlingen? meedoen in de les.
8. Hoe is de motivatie van de
leerlingen? Hoe zijn de