Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde, Radboud Universiteit, 2014,
Suzan Castelijns.
College 1. Introductiecollege (+H1)
Normaal vs. afwijkend/ klinisch gedrag
Wat is normaal gedrag?
Uit Unicef- report naar geluk in 29 welvarende landen, bleek dat Nederlandse kinderen het
gelukkigst zijn. Ze zijn tevreden en hebben een hoog welbevinden.
Men spreekt van een klinisch probleem als er een echte diagnose is. Prevalentie
kinderpsychopathologie in NL: 10-20%. 85% doet het wel goed, slechts 2% zoekt hulp.
Stoornis-specifiek: de ene stoornis komt vaker voor dan de andere. Er zijn verschillende
aanvangsleeftijden. Sekseverschillen zijn te zien vanaf 3 jaar. Jongens ontwikkelen vaker
externaliserend probleemgedrag, meisjes vaker internaliserend.
Het verschil tussen klinische psychologie en ontwikkelingspsychopathologie (OPP): Klinische
psychologie bestudeert stoornissen vanuit het hier en nu, OPP bestudeert stoornissen vanuit een
ontwikkelingsperspectief door middel van longitudinale onderzoeken.
Klinische ontwikkelingspsychologie heeft twee doelen:
- het ontwerpen van modellen die de ontwikkeling van afwijkend gedrag verklaren;
- aanknopingspunten voor preventie en interventie aanreiken.
Indelingen normaal vs. afwijkend
Diagnostiek: op basis van symptomen
Categoriaal model
Geeft een oordeel over wanneer iemand klinisch is en wanneer iemand subklinisch is. Dit is
nodig voor behandeling, behandelplan, prognose en behandelresultaten.
DSM IV/ ICD-10: categoriaal model: je hebt het wel of je hebt het niet.
Nadelen categoriaal model:
- Cliënt moet ergens onder passen (wel of niet).
- Veel kinderen vallen in de categorie Niet Anders Omschreven (NOS) = soort restbakje.
- Soms kan net niet de diagnose worden gesteld (bijv. maar 4 van de 5 kenmerken).
- Er wordt gehandeld naar de diagnose en niks anders.
- Generalisatie: men gaat schadelijke stereotypes vormen.
- Kind gaat zich gedragen naar de diagnose dat het krijgt.
Dimensioneel model
DSM 5: dimensioneel model naast categoriaal model: ernst van de aandoening kan worden
aangeven, wordt wel maar bij een aantal stoornissen genoemd.
Voordelen dimensioneel model:
- Meer informatie, je weet precies hoe ernstig de stoornis is.
- Meer inzicht voor behandelplan.
- Minder kinderen in de categorie Niet Anders Omschreven.
- De diagnose is meer op maat (meer op persoon dan op groep).
- Onderzoek
Categoriaal + dimensioneel model
Clinici gebruiken verschillende methoden voor nauwkeurige beschrijvingen. Diagnostiek:
vragenlijsten, observaties, interviews en ontwikkelingsanamneses. Kritische kanttekeningen: de
1
,context en cultuur waarin de klachten zich voordoen hebben invloed op het krijgen van een
diagnose.
Cut-off point: de grens tussen subklinische en klinische problemen. Iemand heeft meer of
minder symptomen dan de gemiddelde persoon van die leeftijd.
Normale gedragsproblemen
Volgens categoriaal model: geen of enkele symptomen van een diagnose.
Volgens dimensioneel model: geen of enkele symptomen (ver beneden de klinische cut-off).
Subklinische gedragsproblemen
Volgens categoriaal model: veel symptomen maar net geen diagnose.
Volgens dimensioneel model: net onder de klinische cut-off.
Klinische gedragsproblemen
Volgens categoriaal model: voldoen aan de diagnose.
Volgens dimensioneel model: boven de klinische cut-off.
Gedragsproblemen kunnen onderzocht worden aan de hand van de Child Behavior Checklist
(CBCL).
Transactioneel: op basis van oorzaak (modellen normale ontwikkeling)
Trekmodel
Endogeen (vanuit kind).
Ontwikkeling wordt bepaald door individuele karakteristieken, alles is aangeboren of verworven.
Dit model houdt geen rekening met omgevingseffecten. Trek wordt gezien als relatief
onbeïnvloedbaar (autonoom). Dit model is verworpen.
Voorbeeld: Bowlby’s hechtingstheorie.
Omgevingsmodel
Exogeen (vanuit omgeving).
Omgevingsfactoren beïnvloeden de ontwikkeling van het kind.
Dynamisch: de actuele omgeving kind bepaalt hoe het kind zich ontwikkelt. De omgeving bepaalt
hoe het kind zich gedraagt. Verandering van de omgeving zorgt voor verandering in het kind.
Micro- meso- en macroniveau. Micro: directe omgeving, relaties. Meso: subsystemen, contexten.
Macro: maatschappelijke normen en waarden. Dit model is verworpen.
Voorbeeld: Patterson’s straffen en belonen.
Interactiemodel
Endogeen en exogeen (vanuit kind en omgeving).
Zowel kind als omgeving bepaalt de ontwikkeling. Kind- en omgevingskenmerken in actieve
wisselwerking.
- Goodness-of-fit model: interactie en afstemming van kind en omgeving > samen produceren ze
nieuw gedrag. Kind en omgeving veranderen zelf niet, alleen de interactie verandert.
- Transactioneel model: naast interactie veranderen kind en omgeving zelf ook. Oud gedrag
verandert in nieuw gedrag.
Transactioneel model
Ecologische model van Bronfenbrenner: wisselwerking tussen omgeving en kind.
Beschermende- en risicofactoren kunnen weergegeven worden in een balansmodel.
Kwetsbaarheid maakt dat je gevoelig bent om bepaalde stoornissen te ontwikkelen.
In alle subsystemen kunnen risicofactoren voorkomen.
2
, - Diathese stress model: kwetsbaarheid komt tot uiting in aanwezigheid van stress. Bij lage
stress-kwetsbaarheid moeten er veel risicofactoren tot uiting komen voordat de persoon stress
ervaart.
Risicofactoren
Risicofactor: factor die een negatieve invloed heeft op de ontwikkeling van het kind en de kans
op bepaalde ontwikkelingsuitkomsten verhoogt. Voorspeller voor diagnose. Een risicofactor is
een kansberekening. Cumulatie risico’s: 4 risicofactoren geven niet 4 keer zoveel kans op een
probleem, maar misschien wel 20 keer zoveel. Correlaat: een risicofactor die op hetzelfde
moment als een stoornis voorkomt. Gefixeerde markers zijn factoren die niet veranderd kunnen
worden. Variabele markers kunnen wel veranderen.
Niveaus risicofactoren:
- Organisch/ biologisch niveau: genetica, neurotransmitters, hormonen, ondervoeding,
zwangerschapscomplicaties.
- Intrapersoonlijk niveau: IQ, hechting, temperament, coping, cognities.
- Interpersoonlijk niveau: opvoeding, stresservaringen, negatieve leerervaringen.
- Hogere orde: armoede, werkloosheid.
Risico's zeggen niets over individuen, maar over een risicogroep.
Risicoperioden: een bepaalde factor heeft meer/ minder invloed in een bepaalde leeftijdsfase.
Risicomechanismen: voorafgaande of daaropvolgende omstandigheden (indirecte invloed op
een kind, zoals scheiding van ouders door ruzies en conflicten). Bijv. scheiding. Scheiding zelf
heeft weinig invloed, maar de voorafgaande ruzies en conflicten wel.
Multifinaliteit: 1 risicofactor kan leiden tot verschillende uitkomsten.
Equifinaliteit: meerdere risicofactoren leiden tot dezelfde uitkomst.
Beschermende factoren
Beschermende factor: een buffer die beschermt tegen risicofactoren.
Een beschermende factor is pas beschermend als er een risicofactor aanwezig is.
Veerkracht: goede interne en externe aanpassing aan omstandigheden. Beschermende factoren
verhogen de veerkracht van een kind.
Niveaus beschermende factoren:
- Organisch/ biologisch niveau: genetica, neurotransmitters, hormonen, ondervoeding,
zwangerschapscomplicaties.
- Intrapersoonlijk niveau: IQ, hechting, temperament, coping, cognities.
- Interpersoonlijk niveau: opvoeding, geen stresservaringen, positieve leerervaringen.
- Hogere orde: hoge SES
Type problemen volgens transactioneel model
- Type 1 problemen: problemen die voornamelijk veroorzaakt zijn door de omgeving. Bijv.
scheiding. Milde problemen door omgevingsfactoren. Deze groep heeft zich positief
ontwikkeld.
- Type 2 problemen: problemen die veroorzaakt zijn door een mis-match van individuele
verschillen en kwetsbaarheden (interactie tussen omgeving en persoon). Zien we vaak
terug in de psychopathologie. Matige tot ernstige problemen door omgeving en persoon.
Deze groep heeft zich goed aangepast.
- Type 3 problemen: problemen die voornamelijk veroorzaakt zijn door factoren binnen de
persoon (pathologie). Bijv. genen. Pervasieve problemen (dringen door op meerdere
gebieden) door persoonsfactoren. Deze groep doorloopt een herstelproces na een
trauma.
Stabiliteit en verandering in afwijkend functioneren
Bij een longitudinaal-epidemiologische aanpak wordt een gehele populatie onderzocht en
voor een langere periode gevolgd. Geeft veel informatie over risicofactoren, beschermende
factoren, dynamische interacties en de ontwikkeling van stoornis-specifieke modellen.
3