2.2.3 Ethiek van sociaal werk
Sociaal werk is een normatief beroep = een beroep waarin je vanuit bepaalde waarden
moet werken.
Een sociaal werken kan een aantal dilemma’s tegenkomen:
Een weg vinden tussen verschillende personen of partijen. (Wanneer de sociaal
werken kiest voor een partij omdat er bijvoorbeeld mishandeling plaatsvind dan kiest
de sociaal werker een beschermende rol.
Een weg vinden tussen mens en systeem of samenleving, je bent als sociaal werker
dan in een intermediaire rol.
Ingrijpen of niet?
Conflict tussen eigen opvattingen en die van een ander.
Betrokkenheid of afstand
Respecteren van privacy/vertrouwelijkheid en openbaar belang.
3.2.1 Maatschappelijk opvoeden; jeugdgedrag
Maatschappelijk opvoeden is het leren samenleven. Er zijn drie redenen om voor de jeugd
sociale maatregelen te nemen:
1. Jeugdigen (vooral kinderen) zijn erg kwetsbaar;
2. Een jeugdige heeft een toekomst waarin je moet investeren;
3. De zorg om criminele jeugd, voor agressie, vandalisme en overlast.
Psychische en psychiatrische stoornissen:
Anorexia;
ADHD;
Autisme;
Asperger;
Schizofrenie.
Pedagogische stoornissen zijn stoornissen die zijn ontstaan tijdens de opvoeding, door
bijvoorbeeld misbruik.
Sociologen maken een verschil tussen strong ties en weak ties. Strong ties: opgegroeid zijn
in een wereld waarin hele sterke beperkte banden zijn waardoor iemand het een
onvermogen kan hebben om zich in andere sociale milieus te bewegen.
Weak ties: opgegroeid zijn met lichte contacten, waardoor iemand in staat is om te gaan met
mensen uit verschillende milieus.
Peergroup = een groep van gelijken of, in een enigszins engere betekenis, een
vriendengroep die intensief met elkaar omgaat.
Jeugdcultuur = kenmerkt zich door een gemeenschappelijke levenstijl die zich uit in
bepaalde opvattingen, in kleding, in muziekvoorkeur en soms ook in bepaald jargon.
3.2.2 Jeugdbeleid
Jeugdbeleid is gericht op het leren samenleven en toegang krijgen tot onderwijs,
arbeidsmarkt, jeugdzorg en, waar nodig sociale zekerheid. Jeugdbeleid heeft het karakter
van compensatiebeleid, de zorg om de uitvallers, de onderkant van het onderwijs en de
, arbeidsmarkt, de zorg om kwetsbaren. Je bent als werknemer in de jeugdsector geen water
naar de zee aan het dragen maar het is ook niet zo dat alles veranderbaar is.
Verschillende punten waarop het jeugdbeleid zich richt:
Bescherming, ontplooiing of ontwikkeling, gedrag, participatie en activering.
De organisatie van de voorzieningen en de regelgeving. Een nadeel hieraan is dat
verschillende sectoren niet met elkaar samenwerken zoals school niet samenwerkt
met ander jeugdbeleid.
3.2.3 Werksoorten
Verschillende werksoorten binnen het jeugdbeleid:
Kinderopvang: grootste groeier binnen deze sector. De kinderopvang commercialiseert, dit
omdat kinderopvang niet meer rechtstreeks wordt gesubsidieerd, maar door ouders wordt
betaald. Niet de opvang maar de ontwikkeling staat in peuterspeelzalen en kinderopvang
centraal.
Voorschoolse en vroegtijdige educatie: doel; via een doorgaande educatieve lijn, van
peuterspeelzaal tot en met de eerste twee leerjaren van de basisschool,
onderwijsachterstanden bij kinderen zo veel mogelijk te voorkomen of te verminderen. VVE
is daarom verbonden met basisscholen.
Opvoedingsondersteuning: peuterspeelzaal/kinderopvang, school, buurthuizen,
jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau), jeugdgezondheidsartsen zijn punten waar je
hiervoor terecht kan.
Jeugdwerk: kinderwerk, tienerwerk en jongerenwerk. In toenemende mate zien we
combinaties tussen scholen en jeugdwerk.
Jeugdzorg: hulpverlening als er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedproblemen. Er zijn
drie niveaus:
1. Preventief en lokaal jeugdbeleid: eerste hulp bij opvoeden; gericht op preventie. Allerlei
voorzieningen op lokaal niveau bieden lichte ondersteuning, opvang en allerhande
activiteiten om te voorkomen dat het ernstig misgaat.
2. Bureau Jeugdzorg: BJ stelt desgevraagd een diagnose en verwijst eventueel door naar
intensieve gespecialiseerde hulp dat alleen toegankelijk is via een indicatie van BJ.
Kinderbescherming, jeugdreclassering en kindermishandeling vallen onder BJ.
3. Gespecialiseerde jeugdzorg/geïndiceerde jeugdzorg: opname in een instelling
(intramuraal) of thuis/dagbehandeling (extramuraal). De vier segmenten maken het
complex:
1. GGZ: vermoedens van een psychiatrische stoornis.
2. Jeugdzorg voor jeugdigen met een lichte verstandelijke handicap.
3. Justitiële systeem: jeugdigen die een misdrijf hebben begaan en de rechter hen
tot opname veroordeelt of als hun ouders hen mishandelen of verwaarlozen en
de rechter een uithuisplaatsing oplegd.
4. Jeugdhulpverlening: (welzijn) voor wanneer er sprake is van sociale problemen.