1.1 Behoeften
● Behoeften = alles wat je nodig hebt of graag wilt hebben.
● Basisbehoeften = eerste levensbehoeften (eten, drinken, kleding, onderdak).
● Overige (luxebehoeften) = dingen die het leven prettiger maken (bijv. scooter,
gameconsole).
● Je hebt schaarste → je kunt niet alles tegelijk hebben → dus keuzes maken.
1.2 Goederen en diensten
● Goederen = tastbare producten.
○ Verbruiksgoederen → gaan snel op (eten, tandpasta).
○ Gebruiksgoederen → gaan lang mee (fiets, telefoon).
● Diensten = werk dat iemand voor je doet (kapper, monteur).
● Consumeren = geld uitgeven om behoeften te vervullen.
● Zelfvoorziening = zelf iets maken of doen in plaats van kopen.
1.3 Invloeden op je keuzes
● Commerciële beïnvloeding = reclame, bedrijven die jou willen overtuigen.
● Sociale beïnvloeding = familie, vrienden of klasgenoten beïnvloeden je keuzes.
● Andere invloeden: leeftijd, inkomen, je omgeving, mode.
1.4 Budget en uitgaven
● Budget = hoeveelheid geld die je kunt besteden.
● Je moet prioriteiten stellen → kiezen wat belangrijker is.