Geletterdheid
- Vermogen om te lezen en schrijven
- Veel aspecten
o Boekoriëntatie
o Verhaalbegrip
o Functies van geschreven taal
o Relatie tussen gesproken en geschreven taal
o Taalbewustzijn
o Alfabetisch principe
o Functioneel schrijven en lezen
o Technisch lezen en schrijven, start
o Technisch lezen en schrijven, vervolg
o Begrijpend lezen en schrijven
- Functionele geletterdheid
o Je kan je redden in de maatschappij als er een beroep wordt gedaan
op lees- en schrijfvaardigheid
Ontluikende geletterdheid
- Ontwikkeling van geletterdheid in de voorschoolse periode
- Spontaan proces
- Sterk uiteenlopend door verschillende thuissituaties
Beginnende geletterdheid
- Ontwikkeling van geletterdheid in de groepen 1, 2 en 3
- Taalactiviteiten als voorlezen en spelletjes
- Bevat ook aanvankelijk lezen
Gevorderde geletterdheid
- Ontwikkeling van geletterdheid na groep 3
- Voortgezet lezen en stellen
- Verschillende soorten tekst leren kennen
- Strategieën om teksten te begrijpen
- Betekenis van woorden achterhalen
Tussendoelen beginnende geletterdheid
Boekoriëntatie
1. Kinderen begrijpen dat illustraties en tekst samen een verhaal vertellen
2. Ze weten dat boeken worden gelezen van voor naar achter, bladzijden van
boven naar beneden en regels van links naar rechts
3. Ze weten dat verhalen een opbouw hebben
4. Ze kunnen aan de hand van de omslag van een boek de inhoud van het
boek al enigszins voorspellen
5. Kinderen weten dat je vragen over een boek kunt stellen. Deze vragen
helpen je om goed naar het verhaal te luisteren en te letten op illustraties
, Verhaalbegrip
1. Kinderen begrijpen de taal van voorleesboeken. Ze zijn in staat om conclusies
te trekken naar aanleiding van een voorgelezen verhaal. Halverwege kunnen
ze voorspellingen doen over het verdere verloop van het verhaal
2. Kinderen weten dat de meeste verhalen zijn opgebouwd uit een
situatieschets en een episode. Een situatieschets geeft informatie over de
hoofdpersonen en de plaats en tijd van handeling. In een episode doet zich
een bepaald probleem voor dat vervolgens wordt opgelost
3. Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal naspelen terwijl de leerkracht
verteld
4. Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal navertellen, aanvankelijk met
steun van illustraties
5. Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal navertellen zonder gebruik te
hoeven maken van illustraties
Functies van geschreven taal
1. Kinderen weten dat geschreven taalproducten, zoals briefjes, brieven,
boeken en tijdschriften, een communicatief doel hebben
2. Kinderen weten dat symbolen, zoals logo’s en pictogrammen, verwijzen naar
taalhandelingen
3. Kinderen zijn zich bewust van het permanente karakter van geschreven taal
4. Kinderen weten dat tekenen en tekens produceren mogelijkheden bieden tot
communicatie
5. Kinderen weten wanneer er sprake is van de taalhandelingen lezen en
schrijven. Ze kennen hier onderscheid tussen
Relatie tussen gesproken en geschreven taal
1. Kinderen weten dat gesproken woorden kunnen worden vastgelegd, op
papier en met audiovisuele middelen
2. Kinderen weten dat geschreven woorden kunnen worden uitgesproken
3. Kinderen kunnen woorden als globale eenheden lezen en schrijven
Taalbewustzijn
1. Kinderen kunnen woorden in zinnen onderscheiden
2. Kinderen kunnen onderscheid maken tussen de vorm en de betekenis van
woorden
3. Kinderen kunnen woorden in klankgroepen verdelen
4. Kinderen kunnen reageren op en spelen met bepaalde klankpatronen;
eindrijm en beginrijm
5. Kinderen kunnen fonemen als de kleinste klankeenheden in woorden
onderscheiden
Alfabetisch principe
1. Kinderen ontdekken dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters
met die klanken corresponderen
2. Kinderen kunnen door de foneem-grafeemkoppeling woorden die ze nog niet
eerder hebben gezien, lezen en schrijven