Paragraaf 1:
Stress ontstaat als systemen in lichaam uit evenwicht worden gebracht → lichaam reageert
via terugkoppelingsmechanisme → *thermostaat.
→ ongeveer 75% van energie uit brandstof tijdens inspanning verloren in vorm van warmte.
Soorten evenwichten:
Stabiel veel kracht uitgeoefend om van zijn plaats te krijgen.
Labiel kleine trilling kan genoeg zijn om bijv. steen naar beneden te laten rollen.
Dynamisch voortdurend veranderingen in bijv. organisme.
Weerstand = dat een organisme in meer/mindere mate tracht om veranderingen te
voorkomen.
Veerkracht = dat een organisme in staat is om bij afwijkingen evenwicht te herstellen.
Paragraaf 2:
Lever:
- Via poortader voortdurend met door darmen opgenomen stoffen → via leverslagader
ook met zuurstof → chemische evenwichtsreactie: glucose en glycogeen.
Portale hypertensie = probleem met meerdere oorzaken → abnormaal hoge bloeddruk in
vertakkingen poortader.
Stijging bloeddruk in vaten poortadersysteem:
1. Toegenomen bloedvolume door aders.
2. Verhoogde weerstand die bloedstroom in lever ondervindt.
- Door littekenweefsel bereikt minder bloed vanuit poortader de lever.
Huid:
- Betrokken bij regeling vetgehalte in bloed → bevat veel energie → om te voorkomen
dat vetgehalte te hoog wordt wordt polypeptide leptine afgegeven → stimuleert
verzadigingscentrum → hongergevoel neemt af.
- Vetverbranding gaat langzamer dan verbranding glucose.
Paragraaf 3:
Evenwicht hemoglobine en oxyhemoglobine in bloed: Hb2 → Hb + O2
- Bij tegenstroomprincipe is er sprake van voortdurende evenwichtsverstoring.
Zenuwcellen:
Donnan-evenwicht = verschillende ionen verschillen in concentratie tussen cytoplasma en
omgeving zenuwcel.
- Twee effecten: door diffusie gaan Na+ ionen naar binnen en K+ ionen naar buiten.
→ neemt af tot -50 mV na → tijdens herstelfase rustpotentiaal hersteld mbv Na/K-pompen.
→ op controlemomenten wordt gecontroleerd of alles goed verloopt → zo niet, apoptose.
Tumor als gevolg van mutaties of afwijkingen in DNA van cel.
, Paragraaf 4:
Natuurlijk evenwicht = alle individuen schommelen → sprake van dynamisch evenwicht.
- R-strateeg = soort met hoog geboortecijfer → weinig broedzorg en jongen zijn
kwetsbaar → kans om volwassen te worden is klein, wel veel jongen.
- K-strateeg = geboortecijfer laag, zorg voor nakomelingen groot → kans om
volwassen te worden.
Nash-evenwicht = idee over spelstrategieën.
→ 2 spelstrategieën, zoals agressief die elke soortgenoot wil verjagen en vredelievend dat een
gevecht liever uit de weg gaat.
→ als het voor het vredelievende type geen voordeel oplevert om van strategie te veranderen
en als agressieve types dat ook niet doen, blijkt evenwicht te ontstaan: verhouding tussen 2
strategieën in populatie verandert niet.
Paragraaf 5:
Pionierecosysteem = ecosysteem dat als eerste ontstaat in een gebied, waar geen of vrijwel
geen leven was.
- Successie = ecosysteem gaat over in een ander wanneer het niet werkzaam is → latere
stadia steeds stabieler → in climaxstadium evenwicht in energie en biomassa.
Co-evolutie = wanneer een soort evolueert en effect heeft op een andere soort waardoor deze
ook gedwongen is mee te evolueren.
Symbiose:
→ commensalisme = een individu heeft voordeel van ander die geen voordeel heeft.
→ mutualisme = twee individuen hebben samen voordeel van de samenwerking.
→ parasitisme = een individu heeft voordeel van een ander die daar een nadeel aan heeft.
Eilandtheorie: 2 factoren bepalen aantal soorten op een eiland.
1. Immigratie = vestiging nieuwe soorten → hoe meer soorten al aanwezig, hoe lager
immigratiesnelheid (door bijv. concurrentie). I = c1 / S 2
2. Extinctie = uitsterven aanwezige soorten → hoe meer soorten aanwezig, hoe hoger
extinctiesnelheid (door bijv. concurrentie). E = c2 / S 2
3. Met I als immigratie, E als extinctie, S als aantal soorten en c1 en c2 als constanten.