vocht meeneemt vanaf de zee en daarbij tegen een berg
aanbotst. Dit zorgt voor een droge en natte kant.
Loefzijde: Kant waar de wind op botst
- Lucht wordt omhooggeduwd, waardoor deze lucht gaat
afkoelen
- Water verdampt dus en kan water minder goed
vasthouden, waardoor dit zich uit in regen of sneeuw
Lijzijde: Kant achter de berg
- Diezelfde lucht zal uiteindelijk weer dalen, waardoor de
lucht opwarmt.
- Warme lucht neemt juist water op, wat zorgt voor een
droog klimaat.
Effect van begroeiing op temperatuur en neerslag
Vegetatie in een gebied zorgt juist voor een verkoelde
omgeving
- Planten verdampen water, waardoor dit weer uitstoot in
regen
- Schaduw van bomen houden de zon tegen – waardoor de
bodem koeler blijft.
Gebieden zonder begroeiing
- Grond warmt sneller op.
- Er vindt geen fotosynthese of verdamping plaats,
waardoor er minder water in atmosfeer terecht komt.
Als je bomen ook kapt (ontbossing) is er minder verdamping,
waardoor de lucht droger wordt – er minder regen is – klimaat
ook droger wordt.
, Leerdoel: verschillende terrestrische biomen opnoemen
en een aantal algemene eigenschappen geven.
1. Tropische regenwoud
- Ligging: rond de evenaar
- Warm heel het jaar dus veel
zon, maar ook erg veel
neerslag
- Dichte begroeiing, hoge
biodiversiteit
- Geen seizoenen
2. Woestijn
- 30 graden breedte
- Zeer heet overdag en koud in
de nacht
- Weinig neerslag (lucht daalt
en houdt dus water vast en
nauwelijks planten)
- Weinig begroeiing
- Dieren zijn nachtactief
3. Savanne
- Tussen regenwoud en
woestijn in
- Warm klimaat met nat en
droog seizoen
- Meer regen dan woestijn
minder dan regenwoud