DE HULPVERLENING AAN KINDEREN EN ADOLESCENTEN
Inhoudsopgave
Samenvatting handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen en
adolescenten......................................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 12 diagnostiek vanuit een ontwikkelings-neuropsychologische benadering......................2
Hoofdstuk 10 intelligentieonderzoek.................................................................................................12
Hoofdstuk 11 dynamisch testen van leervorderingen, ontwikkeling en intelligentie..........................19
Hoofdstuk 9 onderzoek naar leervorderingen...................................................................................22
Hoofdstuk 5 systematische gedragsobservatie als onderdeel van psychodiagnostiek.....................26
Hoofdstuk 13 taaldiagnostiek........................................................................................................... 30
Hoofdstuk 4 het psychodiagnostisch interview met ouers, kinderen en adolescenten.....................35
Hoofdstuk 16 diagnostiek van het kind binnen het gezin..................................................................38
Hoofdstuk 14 Diagnostiek van het motorisch functioneren...............................................................45
Hoofdstuk 15 diagnostiek van de sociaal-emotionele ontwikkeling..................................................49
,HOOFDSTUK 12 DIAGNOSTIEK VANUIT EEN ONTWIKKELINGS-
NEUROPSYCHOLOGISCHE BENADERING
Kenmerkend voor de neuropsychologische testbenadering is dat het cognitief, emotioneel en
gedragsmatig functioneren van het kind geanalyseerd en geïnterpreteerd wordt in termen
van het (dis)functioneren van de ontwikkelende hersenen.
In kinderneuropsychologische diagnostiek worden problemen in gedraging van kinderen
specifiek belicht vanuit ontwikkelingsmodellen over hersen-gedragsrelaties. Kinderen met
uiteenlopende problematiek komen voor neuropsychologisch onderzoek in aanmerking
(zoals dyslexie, ADHD en ASS).
ONTWIKKELING VAN DE HERSENEN IN RELATIE TOT HET GEDRAG
De ontwikkeling van de hersenen is een complex proces dat wordt gestuurd door
dynamische interactie van genetische en omgevingsfactoren.
Vóór de geboorte
De basisstructuur wordt ontwikkeld dat in de eerste plaats gestuurd wordt door genetische
factoren en beïnvloed kan worden door omgevingsfactoren die de ontwikkeling van de
hersenen verstoren door bijvoorbeeld roken, medicatie, chronische stress.
Epigenetische factoren = factoren vanuit de omgeving die invloed hebben op het
expressiepatroon van genen, kunnen de expressie van genen activeren of remmen zonder
het gebruik van genmutaties.
Wanneer de ontwikkeling van de hersenen in deze fase verstoord wordt, kan dit zich uiten na
de geboorte in lichamelijke en gedragsproblemen.
Ná de geboorte
De hersenen ontwikkelen zich verder gestuurd door genetische, maar vooral
omgevingsfactoren en leerervaringen, die door gaan tot ongeveer de leeftijd van 25 jaar. In
deze periode kan de ontwikkeling van de hersenen bij kinderen verstoord raken door
bijvoorbeeld hersenziekten, schadelijke stoffen, verwaarlozing en mishandeling.
Wanneer kinderen problemen krijgen met leren of in de sociaal-emotionele ontwikkeling kan
de neuropsycholoog die functies onderzoeken die te maken hebben met dit gedrag en de
gerelateerde functionaliteit van de hersenen, ook wel neurocognitieve functies.
Neurocognitieve functies = het gaat om perceptie, geheugen, taal, motoriek, aandacht,
executieve functies, emoties en sociale cognitie. Kenmerkend is dat zij d.m.v.
neuropsychologisch onderzoek gerelateerd kunnen worden aan het functioneren van de
hersenen. Het is op te delen in subfuncties die interactie hebben met andere subfuncties die
geassocieerd zijn met activiteiten in verschillende hersengebieden (neurale netwerken).
PRE- EN POSTNATALE ONTWIKKELING VAN DE HERSENEN
De ontwikkeling van het zenuwstelsel begint ong. 3 weken na de conceptie en bestaat uit
een aantal fasen die elkaar ten dele in de tijd overlappen:
, Neurogenese: de ontwikkeling van zenuwcellen (neuronen) in de zogeheten neurale
buis.
Migratie: neuronen verplaatsen zich en moeten hun uiteindelijke bestemming vinden
binnen de structuur van het zenuwstelsel.
Differentiatie: neuronen specialiseren zich, passen zich aan de functie aan die ze in
de hersenen zullen hebben en ontwikkelen zenuwuitlopers (axonen, dendrieten). Er
ontstaan synapsen waar signalen van het ene op het andere neuron overgedragen
worden, verbindingen die niet gebruikt worden, verdwijnen weer.
Myelinisatie: om de axonen vormt zich een myelineschede, een soort
isolatiemateriaal waardoor de informatieoverdracht tussen de neuronen sneller en
efficiënter verloopt.
Neurogenese en migratie vinden voor de geboorte plaats, tot ong. 6 maanden na conceptie
en worden primair genetisch gestuurd. De structuur van he zenuwstelsel wordt globaal
gevormd.
Neurogenese blijft ook na de geboorte voortduren tot in volwassenheid. Vooral in de
hippocampus (hersengebied dat van belang is voor leren en geheugen en reguleren van
stress) en het cerebellum (kleine hersenen, betrokken bij de coördinatie en synchronisatie
van motorische functies, fijnregulatie van cognitieve en affectieve functies).
Differentiatie en myelinisatie starten voor de geboorte, maar vinden vooral postnataal plaats.
De verbindingen binnen en tussen hersenstructuren neemt toe waardoor er een complex
georganiseerd systeem van neurale netwerken ontstaat.
Spiegelneuronen = neuronen die niet alleen actief zijn als we een handeling uitvoeren,
maar ook als we een ander een handeling zien uitvoeren. Ze weerspiegelen het gedrag van
de ander en zijn op dezelfde manier actief als wij de handelingen zelf uitvoeren. Ze spelen
een belangrijke rol bij het leren van gedragshandelingen, taal, emoties en sociaal gedrag.
Problemen in de ontwikkeling van spiegelneuronen kunnen zich uiten in gedrag, zoals ASS
of antisociale gedragsstoornis (conduct disorder).
DE HIËRARCHISCHE ORGANISATIE VAN DE HERSENEN: HET TRIUNE BRAIN
Een belangrijk kenmerk van het zenuwstelsel is de hiërarchische organisatie binnen en
tussen de verschillende neurale netwerken. Globaal kunnen 3 niveaus onderscheiden
worden in de hersenen, ook wel triune brain:
1. Protoreptilian brain: vitale levensfuncties, zoals ademhaling, slaap-waakcyclus, grove
lichaamsbewegingen, aandacht en arousal
2. Paleomammalian brain: integreren van interne en externe processen
(lichaamsprocessen versus omgevingsinvloeden) en emotionele en
geheugenprocessen
3. Neomammalian brain: neurocognitieve processen, zoals taal, lezen, rekenen,
problemen oplossen en sociaal-emotionele aanpassingen.
Hoe hoger het niveau, hoe groter de interactie met de
omgeving. Tijdens de ontwikkeling worden eerst de lage
niveaus gevormd.
, HIËRARCHISCHE STRUCTUUR VAN DE NEOCORTEX
De ontwikkeling van de neocortex is zeer gevoelig voor omgevingsinvloeden en
leerprocessen. Er zijn verschillende hiërarchisch georganiseerde hersenstructuren van
elkaar te onderscheiden:
Het posterieure deel van de neocortex
Het achterste (posterieure) deel is van
belang voor de waarneming, verwerking
en opslag van informatie.
De waarnemingen is voor elk van de
zintuigen (zien, horen, tast) hiërarchisch
opgebouwd. De basis is de primaire
sensorische projectiegebieden,
gebieden waarbij zenuwcellen heel
specifiek reageren op eigenschappen
van de zintuigen (hoor: toonhoogte,
zien: plaats waar netvlies geprikkeld
wordt, tast: plaats op huid dat
geprikkeld wordt). De basis wordt
omgeven door secundaire
associatiegebieden die zorg dragen voor de verdere verwerking en betekenisverlening van
de zintuigelijke info (hoor: spraakklanken onderscheiden zodat woorden betekenis kunnen
krijgen, zien: herkenning van gezichten, voorwerpen, letters, tast: herkenning wat men voelt).
Auditieve info wordt verwerkt in de temporale gebieden, visuele info in de occipitale-
temporale gebieden en tast info in de postcentrale gebieden. De tertiaire associatiegebieden
liggen tussen deze gebieden, het pariëtale gebied. De pariëtale gebieden zijn betrokken bij
de ruimtelijke organisatie van stimuli (oriënteren in de ruimte), visueel-ruimtelijke
aandachtsfuncties (richten en verschuiven van aandacht) en bij het kunnen schatten van
afstand en het onderscheiden van links en rechts. Vanuit deze gebieden vindt er interactie
plaats met de motoriek, waarneming hebben een sturende invloed op de nauwkeurigheid
van motorische handelen (vision for action).
De posterieure gebieden spelen ook een belangrijke rol bij het langetermijngeheugen.
Episodisch geheugen: onthouden van tijd- en plaatsgebonden informatie. Het mediale
deel van het temporale gebied, waaronder de hippocampus, speel een essentiële rol.
Semantisch geheugen: onthouden informatie die niet aan plaats of tijd gekoppeld is zoals
kennis van woorden, objecten en dieren. Het voorste (anterieure) deel van de temporale
gebieden zijn betrokken.
De amygdala die voor de hippocampus ligt, is betrokken bij de emotionele verwerking van
informatie. Er is een sterke interactie tussen de amygdala en de hippocampus, zodat nieuw
info beter onthouden wordt als deze positieve gevoelens oproept. De amygdala wordt sterk
geactiveerd in angstige en stressvolle situaties.
De posterieure superieure temporale sulcus (STS) is betrokken bij sociaal relevante
bewegingsinformatie, zoals kijkrichting, gezichtsexpressie en bij het maken van doelgerichte
bewegingen. In dit gebied zitten de spiegelneuronen.