‘Literatuur Corstens pagina 8-20; plaatsbepaling en doel van het strafprocesrecht’
Doeleinden van het strafproces(recht), spanningen
Het strafproces dient ertoe om te onderzoeken of er een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, en als dit zo
is, of er dan een reactie dient te volgen. In deze zin is het strafproces de schakel tussen feit en reactie.
Hieromtrent zijn bevoegdheden toegekend aan functionarissen en in mindere mate eveneens aan
burgers. Deze bevoegdheidstoedeling staat voorop. Het gaat bij deze bevoegdheidstoedeling om de
strafwet toe te passen ten aanzien van de schuldigen, en op onschuldigen te verhinderen. Het strafrecht
valt dan als het ware uiteen in twee aspecten; enerzijds de bevoegdheidstoedeling, anderzijds begrenzing
van die bevoegdheid. Men kan het hoofddoel van het strafrecht het beste omschrijven als; ‘het
bevorderen van een overheidsreactie op een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit die in alle opzichten
adequaat is.’ Daarnaast bestaan er nog een aantal nevenfuncties binnen het strafprocesrecht; speciale
preventie, wat wil zeggen dat het preventieve effect ook een belangrijke rol speel, dat wat de verdachte
in de toekomst weerhoudt om zich weer in te laten met criminele activiteiten, een sanctie is dan ook niet
altijd genoodzaakt (art. 9a Sr). Voorts, is de generale preventie ook een doel van het strafproces, doordat
mensen zien dat verdachten voor bepaalde daden worden vervolgd, creëert dit het effect dat zij zich van
deze feiten zullen weerhouden/ hier niet mee zullen inlaten. Dan is er nog de functie van het voorkomen
van eigenrichting; doordat verdachte van strafbare feiten worden vervolgd, zal dit niet, al dan niet
minder leiden tot het gevaar voor eigenrichting. Hoewel het soms wel gerechtvaardigd of zelfs een
burgerplicht is om zelf te handelen ten aanzien van strafbare feiten. Een ander nevendoel is het scheppen
van orde; maatschappelijke onrust kan door het gebruik van het strafproces worden gekanaliseerd. En
als laatste de genoegdoening ten aanzien van het slachtoffer is nog een ander doel dat wordt gediend.
De termen accusatoir en inquisitoir zijn twee termen ten aanzien van strafproces. Binnen het accusatoire
proces strijden twee gelijkwaardige partijen met elkaar ten overstaan van een lijdelijke, passieve rechter
die zich beperkt tot vervulling van de rol van scheidsrechter, hij ziet toe dat partijen de regels van het
processuele spel in acht nemen, maar verder laat hij de zaken aan hen over. Maar de beschuldigde is
geen gelijkwaardige procespartij, maar juist het object van onderzoek binnen het strafproces. Justitiële
autoriteiten zijn in dit proces bekleed met allerlei bevoegdheden die inbreuk maken op anders door het
recht gewaarborgde rechten. De overheid kan dus dwangmiddelen gebruiken ten aanzien van een
verdachte, en de rechter kan een sanctie opleggen aan deze, vandaar kan er niet worden gesproken van
een accusatoir proces.
Het strafproces is beter te schetsen als gematigd accusatoir. De verdachte is in het begin een object van
onderzoek, maar wel met verscheidene rechten, maar er kunnen we dwangmiddelen worden ingezet ten
aanzien van de verdachte. Ter terechtzitting is er dan sprake van een meer accusatoir karakter. Dan wordt
de verdachte in de hoofdzaak namelijk als gelijke partij aan het OM behandeld.
Een zuiver inquisitoir proces wil zeggen dat de verdachte slechts en enkel een object van onderzoek is.
In zulk proces ligt het gevaar dat de overheid enkel kijkt naar zaken wat de belastend zijn en niet naar
zaken die hem gunstig liggen.
Consensuele procedures in plaats van klassieke afdoeningswijzen
Naar letter van de wet kan men concluderen dat in beginsel de meeste zaken door de meervoudige
strafkamer dienen te worden afgedaan. Daarentegen blijkt het zo te zijn dat dit in de praktijk niet zo is,
en dat de zaken die worden behandeld door de meervoudige strafkamer minder zijn geworden. Een van
de redenen dat dit geschiedt is dat het steeds gebruikelijker wordt geacht dat zaken op een
buitengerechtelijke afdoening worden afgedaan. Vormen zoals de strafbeschikking en mediation spelen
hierbij een rol. Daarnaast zijn veel feiten door de komst van de WAHV in de categorie geplaatst dat
dezen met een bestuurlijke boete kunnen worden afgedaan, en dat de strafrechter hierbij niet aan te pas
hoeft te komen.
Echter heeft de verdachte recht indien hij dit wenst op een gerechtelijke behandeling, dit berust op
consensualiteit en verloopt niet geheel vanzelf. Dit geldt voor zaken als; voeging ad informandum,
transactie, bestuurlijke boete, strafbeschikking en mediation.
,Naar een gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering
Ten aanzien van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering kan er worden gesteld dat het
wetboek zal bestaan uit acht deelboeken; strafvordering in het algemeen, het opsporingsonderzoek,
beslissingen over de vervolging, berechting, rechtsmiddelen, bijzondere regelingen, internationale
samenwerking in strafzaken en tenuitvoerlegging strafvorderlijke beslissingen. Ten aanzien van deze
modernisering kan er worden verondersteld dat er vijf ontwikkelingen zijn welke hiertoe hebben geleid.
Ten eerste, zijn de doelstellingen van het strafproces uitgebreid; de nevendoelstellingen hebben een
grotere rol gekregen, de hoofddoelstelling is daarentegen niet veranderd. Mede door het EVRM is de
rechtspositie van de verdachte versterkt ten aanzien van de sancties die voortvloeien uit art. 359a Sv.
Ten tweede is er sprake van een wijziging van de aard van de criminaliteit alsmede van het strafrechtelijk
sanctiearsenaal. Onder andere ten aanzien van de opkomst van georganiseerde criminaliteit en de
noodzaak van daarop toegesneden opsporingsbevoegdheden. Voorts eveneens ten aanzien van de
uitbreiding van sanctiemogelijkheden.
Als derde de veranderende rolverdeling tussen strafrechtelijke actoren. Ten aanzien van onder andere de
rol van de RC van onderzoeksrechter, naar rechter in het vooronderzoek. En de bevoegdheden van de
OvJ, deze is verplaatst want de OvJ geeft nu namelijk totaal leiding aan het opsporingsonderzoek.
Ten vierde, de internationalisering van de strafrechtspleging. Er is steeds meer regelgeving ontstaan op
het gebied van rechtshulp. Daarnaast zijn er nu ook bevoegdheden voor het opsporingsonderzoek om
verder te rijken dan de landsgrenzen.
Als laatste betreft het de beschikbaarheid van nieuwe technieken, deze zijn steeds weer van invloed op
de strafvordering.
De consequenties van deze ontwikkelingen
Consequenties van de zojuist genoemde ontwikkelingen zijn onder andere dat het huidige Wetboek
onoverzichtelijk is geworden. Als het boek wordt gemoderniseerd dan kan er weer inzicht en samenhang
bestaan tussen en de kwaliteit van de voorschriften in het wetboek.
, Artikel ‘Over de deelname van leken aan de strafrechtspraak – C. Jansen’
Deelname van leken aan de Nederlandse rechtspraak
Op 1 maart 1811 (Frankrijk) kende Nederland 2 vormen van lekendeelname:
- Juryrechtspraak in strafzaken
- Rechtspraak door leken in rechtbanken van koophandel
Beide vormen zijn inmiddels afgeschaft. In de loop der tijd is er een 3e vorm van lekendeelname
opgekomen: de gemengde rechtspraak (zoals Raden van Beroep en pachtkamers van kantongerechten).
De leken spreken samen met beroepsrechters recht. Deze vorm van lekendeelname is gebaseerd op art.
116 lid 3 GW en bestaat nog steeds.
Deelname van leken aan strafrechtspleging vanaf 1945
- Naoorlogse bijzondere rechtspleging: leken kregen plaats in tribunaalrechtspraak na 1945.
- Eind jaren 60 begin jaren 70 vorige eeuw: voorgeschiedenis discussie lekenrechtspraak.
Tribunaalrechtspraak na WO II
Volgens het Tribunaalbesluit bestond elk tribunaal uit een voorzitter (jurist) en twee leken als rechters.
De Minister van Justitie G.J. van Heuven Goedhart noemde dit volksrechtbanken. Er heerste angst dat
leken zich zouden overgeven aan het botvieren van nijd, haat, wraakzucht etc. De regering had in het
benoemingsproces echter voldoende waarborgen ingebouwd (aanbeveling kantonrechter, advies
Commissaris van de Koning, benoeming door koningin op voordracht van de minister). Het voordeel
van de inbreng van leken is dat de normen en ethiek van een bepaalde beroepskring doorwerkten in de
berechting. Het bezwaar was dat lekenrechtspraak in strijd is met de GW. Afwijking was echter ‘geboden
en noodzakelijk’ in deze buitengewone omstandigheid. Jonkers vond dat de GW-lekenrechtspraak niet
uitsloot, omdat nergens in de GW de eis wordt gesteld dat de rechter een jurist moet zijn. Daarnaast was
zijns inziens tribunaalrechtspraak bedoeld als tuchtrechtspraak en niet als strafrechtspraak.
Het overgrote deel van de betrokkenen bij de tribunaalrechtspraak vond de ‘proef’ met lekenrechters
geslaagd. Hun kennis van de plaatselijke verhoudingen en omstandigheden droegen wezenlijk bij aan
een goede rechtspraak. Wel klonk het bezwaar dat leken de zitting nogal eens aangrepen om in plaats
van vragen te stellen een afkeurend oordeel tot uitdrukking te brengen of de delinquent een ‘flinke
uitkaffering’ te geven.
Deelname leken rechtspraak jaren 60/70
Juryrechtspraak in het buitenland werd ervaren als bijzonder positief. Een goed jurysysteem had bij een
voortgang van de politieke verscheidenheid positieve kanten, met name in gevallen waarin de
rechtspraak het vertrouwen moest inboezemen van zo velen als mogelijk. Argumenten tegen
juryrechtspraak: jury behoorde niet tot de Nederlandse traditie, was emotioneel ontvankelijk en bracht
een element van discontinuïteit. Bovend’Eert (2001): Lekenrechtspraak verdient een serieuzere
overweging dan wat het in het recente verleden van Nederland heeft gekregen. Hij dacht aan versterking
van de gemengde rechtspraak en niet zozeer aan invoering van juryrechtspraak. Deelname leken
rechtspraak 21e eeuw
Argumenten voorstanders:
- Lekendeelname als beginsel van de democratie óf sterker nog als democratisch recht
- Lekendeelname neemt wantrouwen in de beroepsrechters weg
Zij kregen politieke steun van de VVD, LPF en sommige binnen de PvdA. Uit een studie van De Roos
bleek dat er géén hard bewijs was voor de stelling dat lekendeelname het vertrouwen in de
(straf)rechtspraak doet toenemen. Daarnaast blijkt uit empirisch onderzoek dat beroepsrechters ondanks
deelname van leken domineren in gemengde stelsels en juryrechtspraak. Groenhuijsen e.a. vinden dat
leken inhoudelijk geen partij zijn voor professionals, omdat bij bewijsvoering en motivering het draait
om weten en niet om intuïtie.
, Conclusie
Argument tegen lekenrechtspraak is in die 200 jaar altijd hetzelfde gebleven: gebrek aan kennis en
ervaring bij een doorsnee burger en daar tegenover hun neigen tot irrationele besluitvorming, omdat zij
of overmand zijn door emotie en medelijden, of leven in de greep van wraakgevoelens.
De twee belangrijkste argumenten voor lekenrechtspraak zijn ook al die twee eeuwen onveranderd
gebleven. Lekendeelname is een uitvloeisel van het democratische beginsel dat een burger invloed moet
kunnen hebben op al het overheidshandelen. Met dit beginsel hangt samen het vertrouwen dat de burger
mag stellen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht.
Doeleinden van het strafproces(recht), spanningen
Het strafproces dient ertoe om te onderzoeken of er een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, en als dit zo
is, of er dan een reactie dient te volgen. In deze zin is het strafproces de schakel tussen feit en reactie.
Hieromtrent zijn bevoegdheden toegekend aan functionarissen en in mindere mate eveneens aan
burgers. Deze bevoegdheidstoedeling staat voorop. Het gaat bij deze bevoegdheidstoedeling om de
strafwet toe te passen ten aanzien van de schuldigen, en op onschuldigen te verhinderen. Het strafrecht
valt dan als het ware uiteen in twee aspecten; enerzijds de bevoegdheidstoedeling, anderzijds begrenzing
van die bevoegdheid. Men kan het hoofddoel van het strafrecht het beste omschrijven als; ‘het
bevorderen van een overheidsreactie op een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit die in alle opzichten
adequaat is.’ Daarnaast bestaan er nog een aantal nevenfuncties binnen het strafprocesrecht; speciale
preventie, wat wil zeggen dat het preventieve effect ook een belangrijke rol speel, dat wat de verdachte
in de toekomst weerhoudt om zich weer in te laten met criminele activiteiten, een sanctie is dan ook niet
altijd genoodzaakt (art. 9a Sr). Voorts, is de generale preventie ook een doel van het strafproces, doordat
mensen zien dat verdachten voor bepaalde daden worden vervolgd, creëert dit het effect dat zij zich van
deze feiten zullen weerhouden/ hier niet mee zullen inlaten. Dan is er nog de functie van het voorkomen
van eigenrichting; doordat verdachte van strafbare feiten worden vervolgd, zal dit niet, al dan niet
minder leiden tot het gevaar voor eigenrichting. Hoewel het soms wel gerechtvaardigd of zelfs een
burgerplicht is om zelf te handelen ten aanzien van strafbare feiten. Een ander nevendoel is het scheppen
van orde; maatschappelijke onrust kan door het gebruik van het strafproces worden gekanaliseerd. En
als laatste de genoegdoening ten aanzien van het slachtoffer is nog een ander doel dat wordt gediend.
De termen accusatoir en inquisitoir zijn twee termen ten aanzien van strafproces. Binnen het accusatoire
proces strijden twee gelijkwaardige partijen met elkaar ten overstaan van een lijdelijke, passieve rechter
die zich beperkt tot vervulling van de rol van scheidsrechter, hij ziet toe dat partijen de regels van het
processuele spel in acht nemen, maar verder laat hij de zaken aan hen over. Maar de beschuldigde is
geen gelijkwaardige procespartij, maar juist het object van onderzoek binnen het strafproces. Justitiële
autoriteiten zijn in dit proces bekleed met allerlei bevoegdheden die inbreuk maken op anders door het
recht gewaarborgde rechten. De overheid kan dus dwangmiddelen gebruiken ten aanzien van een
verdachte, en de rechter kan een sanctie opleggen aan deze, vandaar kan er niet worden gesproken van
een accusatoir proces.
Het strafproces is beter te schetsen als gematigd accusatoir. De verdachte is in het begin een object van
onderzoek, maar wel met verscheidene rechten, maar er kunnen we dwangmiddelen worden ingezet ten
aanzien van de verdachte. Ter terechtzitting is er dan sprake van een meer accusatoir karakter. Dan wordt
de verdachte in de hoofdzaak namelijk als gelijke partij aan het OM behandeld.
Een zuiver inquisitoir proces wil zeggen dat de verdachte slechts en enkel een object van onderzoek is.
In zulk proces ligt het gevaar dat de overheid enkel kijkt naar zaken wat de belastend zijn en niet naar
zaken die hem gunstig liggen.
Consensuele procedures in plaats van klassieke afdoeningswijzen
Naar letter van de wet kan men concluderen dat in beginsel de meeste zaken door de meervoudige
strafkamer dienen te worden afgedaan. Daarentegen blijkt het zo te zijn dat dit in de praktijk niet zo is,
en dat de zaken die worden behandeld door de meervoudige strafkamer minder zijn geworden. Een van
de redenen dat dit geschiedt is dat het steeds gebruikelijker wordt geacht dat zaken op een
buitengerechtelijke afdoening worden afgedaan. Vormen zoals de strafbeschikking en mediation spelen
hierbij een rol. Daarnaast zijn veel feiten door de komst van de WAHV in de categorie geplaatst dat
dezen met een bestuurlijke boete kunnen worden afgedaan, en dat de strafrechter hierbij niet aan te pas
hoeft te komen.
Echter heeft de verdachte recht indien hij dit wenst op een gerechtelijke behandeling, dit berust op
consensualiteit en verloopt niet geheel vanzelf. Dit geldt voor zaken als; voeging ad informandum,
transactie, bestuurlijke boete, strafbeschikking en mediation.
,Naar een gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering
Ten aanzien van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering kan er worden gesteld dat het
wetboek zal bestaan uit acht deelboeken; strafvordering in het algemeen, het opsporingsonderzoek,
beslissingen over de vervolging, berechting, rechtsmiddelen, bijzondere regelingen, internationale
samenwerking in strafzaken en tenuitvoerlegging strafvorderlijke beslissingen. Ten aanzien van deze
modernisering kan er worden verondersteld dat er vijf ontwikkelingen zijn welke hiertoe hebben geleid.
Ten eerste, zijn de doelstellingen van het strafproces uitgebreid; de nevendoelstellingen hebben een
grotere rol gekregen, de hoofddoelstelling is daarentegen niet veranderd. Mede door het EVRM is de
rechtspositie van de verdachte versterkt ten aanzien van de sancties die voortvloeien uit art. 359a Sv.
Ten tweede is er sprake van een wijziging van de aard van de criminaliteit alsmede van het strafrechtelijk
sanctiearsenaal. Onder andere ten aanzien van de opkomst van georganiseerde criminaliteit en de
noodzaak van daarop toegesneden opsporingsbevoegdheden. Voorts eveneens ten aanzien van de
uitbreiding van sanctiemogelijkheden.
Als derde de veranderende rolverdeling tussen strafrechtelijke actoren. Ten aanzien van onder andere de
rol van de RC van onderzoeksrechter, naar rechter in het vooronderzoek. En de bevoegdheden van de
OvJ, deze is verplaatst want de OvJ geeft nu namelijk totaal leiding aan het opsporingsonderzoek.
Ten vierde, de internationalisering van de strafrechtspleging. Er is steeds meer regelgeving ontstaan op
het gebied van rechtshulp. Daarnaast zijn er nu ook bevoegdheden voor het opsporingsonderzoek om
verder te rijken dan de landsgrenzen.
Als laatste betreft het de beschikbaarheid van nieuwe technieken, deze zijn steeds weer van invloed op
de strafvordering.
De consequenties van deze ontwikkelingen
Consequenties van de zojuist genoemde ontwikkelingen zijn onder andere dat het huidige Wetboek
onoverzichtelijk is geworden. Als het boek wordt gemoderniseerd dan kan er weer inzicht en samenhang
bestaan tussen en de kwaliteit van de voorschriften in het wetboek.
, Artikel ‘Over de deelname van leken aan de strafrechtspraak – C. Jansen’
Deelname van leken aan de Nederlandse rechtspraak
Op 1 maart 1811 (Frankrijk) kende Nederland 2 vormen van lekendeelname:
- Juryrechtspraak in strafzaken
- Rechtspraak door leken in rechtbanken van koophandel
Beide vormen zijn inmiddels afgeschaft. In de loop der tijd is er een 3e vorm van lekendeelname
opgekomen: de gemengde rechtspraak (zoals Raden van Beroep en pachtkamers van kantongerechten).
De leken spreken samen met beroepsrechters recht. Deze vorm van lekendeelname is gebaseerd op art.
116 lid 3 GW en bestaat nog steeds.
Deelname van leken aan strafrechtspleging vanaf 1945
- Naoorlogse bijzondere rechtspleging: leken kregen plaats in tribunaalrechtspraak na 1945.
- Eind jaren 60 begin jaren 70 vorige eeuw: voorgeschiedenis discussie lekenrechtspraak.
Tribunaalrechtspraak na WO II
Volgens het Tribunaalbesluit bestond elk tribunaal uit een voorzitter (jurist) en twee leken als rechters.
De Minister van Justitie G.J. van Heuven Goedhart noemde dit volksrechtbanken. Er heerste angst dat
leken zich zouden overgeven aan het botvieren van nijd, haat, wraakzucht etc. De regering had in het
benoemingsproces echter voldoende waarborgen ingebouwd (aanbeveling kantonrechter, advies
Commissaris van de Koning, benoeming door koningin op voordracht van de minister). Het voordeel
van de inbreng van leken is dat de normen en ethiek van een bepaalde beroepskring doorwerkten in de
berechting. Het bezwaar was dat lekenrechtspraak in strijd is met de GW. Afwijking was echter ‘geboden
en noodzakelijk’ in deze buitengewone omstandigheid. Jonkers vond dat de GW-lekenrechtspraak niet
uitsloot, omdat nergens in de GW de eis wordt gesteld dat de rechter een jurist moet zijn. Daarnaast was
zijns inziens tribunaalrechtspraak bedoeld als tuchtrechtspraak en niet als strafrechtspraak.
Het overgrote deel van de betrokkenen bij de tribunaalrechtspraak vond de ‘proef’ met lekenrechters
geslaagd. Hun kennis van de plaatselijke verhoudingen en omstandigheden droegen wezenlijk bij aan
een goede rechtspraak. Wel klonk het bezwaar dat leken de zitting nogal eens aangrepen om in plaats
van vragen te stellen een afkeurend oordeel tot uitdrukking te brengen of de delinquent een ‘flinke
uitkaffering’ te geven.
Deelname leken rechtspraak jaren 60/70
Juryrechtspraak in het buitenland werd ervaren als bijzonder positief. Een goed jurysysteem had bij een
voortgang van de politieke verscheidenheid positieve kanten, met name in gevallen waarin de
rechtspraak het vertrouwen moest inboezemen van zo velen als mogelijk. Argumenten tegen
juryrechtspraak: jury behoorde niet tot de Nederlandse traditie, was emotioneel ontvankelijk en bracht
een element van discontinuïteit. Bovend’Eert (2001): Lekenrechtspraak verdient een serieuzere
overweging dan wat het in het recente verleden van Nederland heeft gekregen. Hij dacht aan versterking
van de gemengde rechtspraak en niet zozeer aan invoering van juryrechtspraak. Deelname leken
rechtspraak 21e eeuw
Argumenten voorstanders:
- Lekendeelname als beginsel van de democratie óf sterker nog als democratisch recht
- Lekendeelname neemt wantrouwen in de beroepsrechters weg
Zij kregen politieke steun van de VVD, LPF en sommige binnen de PvdA. Uit een studie van De Roos
bleek dat er géén hard bewijs was voor de stelling dat lekendeelname het vertrouwen in de
(straf)rechtspraak doet toenemen. Daarnaast blijkt uit empirisch onderzoek dat beroepsrechters ondanks
deelname van leken domineren in gemengde stelsels en juryrechtspraak. Groenhuijsen e.a. vinden dat
leken inhoudelijk geen partij zijn voor professionals, omdat bij bewijsvoering en motivering het draait
om weten en niet om intuïtie.
, Conclusie
Argument tegen lekenrechtspraak is in die 200 jaar altijd hetzelfde gebleven: gebrek aan kennis en
ervaring bij een doorsnee burger en daar tegenover hun neigen tot irrationele besluitvorming, omdat zij
of overmand zijn door emotie en medelijden, of leven in de greep van wraakgevoelens.
De twee belangrijkste argumenten voor lekenrechtspraak zijn ook al die twee eeuwen onveranderd
gebleven. Lekendeelname is een uitvloeisel van het democratische beginsel dat een burger invloed moet
kunnen hebben op al het overheidshandelen. Met dit beginsel hangt samen het vertrouwen dat de burger
mag stellen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht.